Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/I.3.2.1
I.3.2.1 Inleidend
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS625515:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Halding-Hoppenheit 2003, p. 1, die spreekt van een ‘eigene und selbständige – vom Willen anderer unabhängige – Willensentscheidung.’
Zie in dit kader ook mijn opmerking bij noot 9 van dit hoofdstuk. Immel 1965 bestudeert in zijn onderzoek ‘Die höchstpersönliche Willensentscheidung des Erblassers: zur Problemgeschichte des § 2065 BGB’ de geschiedenis van § 2065 BGB. In de rechtspraak met betrekking tot § 2065 II BGB (zie ook subparagraaf 3.3.5 ‘Erbeinsetzung en rechtspraak’) is een trend te bespeuren die in het kader van de toelaatbaarheid van Drittbestimmung terrein geeft aan de Bestimmbarkeitsgrundsatz (oftewel: het bepaaldheidsvereiste, waarover hoofdstuk 4). Vanuit een historische invalshoek geeft Immel een globaal overzicht over onder meer de vraag naar de verhouding tussen de Bestimmbarkeitsgrundsatz en het vereiste dat van erflater een persoonlijk en zelfstandige wil verlangt. Hierbij spitst hij zich enkel toe op de belangrijkste zinnen uit het corpus iuris civilis die de discussie omtrent deze verhouding tot aan de 19e eeuw hebben bepaald. Zimmermann 1991, p. 9-22 en Halding-Hoppenheit 2003, p. 5-40 besteden in het kader van de uitleg en rechtvaardiging van § 2065 BGB enkele pagina’s aan de geschiedenis van het beginsel van materielle Höchstpersönlichkeit.
Voor een goed begrip van de betekenis van § 2065 BGB en zijn rechtvaardiging is het belangrijk om stil te staan bij de oorsprong en de ontwikkeling van de aan dit artikel ten grondslag liggende Grundsatz der materiellen Höchstpersönlichkeit. § 2065 BGB en het hierin vervatte materiële aspect van het hoogstpersoonlijke verlangt dat erflater zelf de werking en inhoud van zijn uiterste wilsbeschikking bepaalt. Erflaters uiterste wilsbeschikkingen dienen met andere woorden van hem persoonlijk en zelfstandig, dat wil zeggen onafhankelijk van de wil van anderen, te zijn.1 Was dit altijd al zo?
In onderstaande paragrafen zal ik een impressie geven van het wordingsproces van § 2065 BGB, door de belangrijkste bevindingen van Immel, Zimmermann en Halding-Hoppenheit globaal op te tekenen.2 Omdat het vertalen van deze bevindingen niet steeds recht doet aan het goede begrip daarvan, zal ik de Duitse auteurs bij wijze van citaat hierna ook meermaals zelf aan het woord laten.