Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.2.5.2
3.2.5.2 Opbouw van het model
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS346710:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Waarderingskamer stelt de overzichten op aan de hand van door de gemeenten gedane opgaven. De overzichten zijn niet openbaar gemaakt, maar kunnen wel worden opgevraagd bij de Waarderingskamer.
In het tarief zijn zowel het tarief voor de inkomstenbelasting als het tarief voor de premies volksverzekeringen meegenomen.
Hiermee wordt bedoeld dat de rentecomponent in dit scenario is uitgeschakeld. Het al dan niet verschuldigd zijn van rente heeft grote invloed op het uiteindelijke voor- of nadeel dat belastingplichtigen hebben onder een vermogensaanwasbelasting of een vermogenswinstbelasting. Zo zal het eerder belasten van vermogenswinsten onder een vermogensaanwasbelasting voor de belastingplichtige leiden tot een rentenadeel ten opzichte van een vermogenswinstbelasting.
Er is gekozen voor het midden van de schijf, zodat zowel de vermogensmutaties onder een vermogenswinstbelasting als onder een vermogensaanwasbelasting in eerste instantie in de desbetreffende schijf vallen. Als voor het maximum van de schijf zou worden gekozen, worden de afschrijvingen binnen een vermogenswinstbelasting geëffectueerd tegen het tarief van de desbetreffende schijf, maar wordt de vermogensaanwas binnen de vermogensaanwasbelasting direct in de volgende schijf belast.
http://www.statistics.dnb.nl/financiele-markten/rentes/index.jsp. De rentepercentages zijn vanaf 2003 beschikbaar. Voor het jaar 2002 heb ik een percentage herleid. Dit heb ik gedaan door het gemiddelde verschil te berekenen tussen de 12-maands Euribor en de cijfers van DNB over de periode van 2003 tot en met 2005. Het in het model gebruikte rentepercentage over 2002 is vervolgens de 12-maands Euribor over 2002 gecorrigeerd met het berekende verschil.
In het model wordt uitgegaan van een fictieve onderneming. De volgende veronderstellingen zijn gemaakt:
De ondernemer start met zijn onderneming in 2002. Met willekeurige afschrijving wordt geen rekening gehouden. In 2011 wordt de onderneming gestaakt. Er moet dan worden afgerekend over de stille reserves en goodwill, zonder rekening te houden met faciliteiten. Er is in het model wel rekening gehouden met de MKB-winstvrijstelling, omdat deze meer als tariefmaatregel wordt gezien (zie ook HR 12 oktober 2012, nr. 11/03804, BNB 2012/315).
Bij de start van de onderneming is een bedrijfspand aangeschaft. In bijlage 4 is aangegeven hoe met de waardeontwikkeling van het pand rekening is gehouden. Hierbij is zo veel mogelijk gebruikgemaakt van cijfers van de Waarderingskamer voor niet-woningen.1 Bij de afschrijving onder een vermogenswinstbelasting is gerekend met een restwaarde (30% van de aanschafwaarde). Het pand wordt in dertig jaar afgeschreven. Er is rekening gehouden met de afschrijvingsbeperking uit art. 3.30a Wet IB 2001.
Bij de start van de onderneming is inventaris aangeschaft. De inventaris wordt in vijf jaar afgeschreven. Voor de vermogensaanwasbelasting wordt verondersteld dat de waarde in het economische verkeer van de inventaris in vijf jaar lineair afneemt tot nihil.
Verder wordt rekening gehouden met zelf gekweekte goodwill. Er is verondersteld dat de goodwill gedurende de bestaansduur van de onderneming lineair wordt opgebouwd.
In het model zijn verder geen stille reserves of fiscale reserves verwerkt.
In het model is gevarieerd met de waarde van activa om de effecten daarvan te zien op de uitkomsten:
in bijlage 1a is gerekend met een aanschafwaarde van het pand van € 400.000, inventaris van € 50.000 en goodwill ultimo 2011 van € 80.000.
in bijlage 1b is gerekend met een aanschafwaarde van het pand van € 500.000, inventaris van € 50.000 en goodwill ultimo 2011 van € 80.000.
in bijlage 1c is gerekend met een aanschafwaarde van het pand van € 200.000, inventaris van € 10.000 en goodwill ultimo 2011 van € 20.000.
In het model worden drie scenario’s onderscheiden:
Fictief tarief2 en fictieve schijven 2002-2011/geen rente3 (in de vierde schijf geen verschil tussen een vermogenswinstbelasting en vermogensaanwasbelasting).
Feitelijke tarieven en schijven 2002-2011/rekening houdend met de rentecomponent, waarbij deze rentecomponent vervolgens wordt belast in box 1.
Feitelijke tarieven en schijven 2002-2011/rekening houdend met de rentecomponent, waarbij deze rentecomponent vervolgens in aanmerking wordt genomen in box 3.
Ten aanzien van het model zijn de volgende veronderstellingen gemaakt:
In scenario 1 is voor alle jaren gerekend met gelijke tarieven en gelijke schijven (zie bijlage 2). Dit is gedaan om te zien wat de verschillen zijn tussen een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting zonder dat de uitkomsten worden vertroebeld door wijzigingen in de tarieven en schijven. Ook is de rentecomponent uitgeschakeld.
Voor scenario 2 en 3 is gebruikgemaakt van de feitelijke tarieven en schijven (zie bijlage 2). Dit zijn de tarieven en schijven zoals vastgesteld door de overheid.
In het model is rekening gehouden met ‘overige winst’. Deze ‘overige winst’ betreft de jaarwinst exclusief vermogensmutaties en is het uitgangspunt voor de vergelijkingen op basis van het model. Voor iedere schijf is een ‘overige winst’ gekozen, waarbij deze winst voor de eerste tot en met derde schijf is vastgesteld op het midden van de schijf.4 Voor de vierde schijf is gerekend met een ‘overige winst’ van € 100.000. Door vermogensmutaties kan een ondernemer vervolgens in een lagere (door afschrijvingen onder een vermogenswinstbelasting) dan wel een hogere schijf (vermogensaanwas onder een vermogensaanwasbelasting) vallen. Overigens kan door de afschrijvingen onder een vermogenswinstbelasting een verlies ontstaan. In het model is rekening gehouden met de mogelijkheid tot een voorwaartse verliesverrekening van negen jaren.
In het model is geen rekening gehouden met andere inkomensbestanddelen uit box 1.
De rentecomponent is voor het gehele model gebaseerd op dezelfde cijfers van DNB.5 Ik heb gekozen voor de percentages behorende bij ‘deposito’s met opzegtermijn uitstaande bedragen; opzegtermijn minder dan drie maanden’ voor niet-financiële instellingen (zie bijlage 3). De keuze voor een dergelijk percentage is altijd arbitrair. Voor ieder bedrijf zal het geldende rentepercentage variëren. Ook zal de keuze voor een spaarvorm verschillen. In ieder geval zal gelden dat een hoger rentepercentage een vermogenswinstbelasting voordeliger maakt, omdat de belasting later mag worden betaald. Het rentevoordeel wordt groter. Het tegenovergestelde geldt voor een vermogensaanwasbelasting. Dan moet de belasting eerder worden betaald, hetgeen tot een rentenadeel leidt.