Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen
Einde inhoudsopgave
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.2.5.3:3.2.5.3 Uitkomsten en conclusie
Bedrijfsopvolging bij natuurlijke personen (FM nr. 141) 2013/3.2.5.3
3.2.5.3 Uitkomsten en conclusie
Documentgegevens:
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk, datum 01-09-2013
- Datum
01-09-2013
- Auteur
Dr. Y.M Tigelaar-Klootwijk
- JCDI
JCDI:ADS350320:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Beoordeling belastingheffing onder een vermogenswinstbelasting
Uit bijlage 1a tot en met 1c blijkt dat ondernemers waarbij de overige winst in de vierde schijf valt onder een vermogenswinstbelasting in totaliteit minder belasting betalen dan ondernemers waarbij de overige winst in de andere schijven valt (in alle scenario’s). Dit komt omdat deze groep kan afschrijven tegen het tarief waartegen ook de stakingswinst in 2011 wordt belast (hoogste tarief). De verschillen worden groter naarmate de stille reserves op het stakingsmoment hoger zijn. Moet de conclusie dan zijn dat de huidige progressieve tariefstructuur voor vermogenswinsten in haar totaliteit degressief is? Dit blijkt niet zonder meer op te gaan waar het betreft de andere schijven. Dit wordt allereerst veroorzaakt door de lengte van de schijven. De tweede schijf is in de onderzoeksperiode korter dan de andere schijven. Ook indien de afschrijvingen groter zijn dan de overige winst, zoals in bijlage 1a en 1b aan de orde is, ontstaat een jaarlijks verlies. Indien deze verliezen pas in 2011 kunnen worden verrekend, worden deze (gedeeltelijk) in de hoogste schijf verrekend. Hierbij past uiteraard de kanttekening dat het de vraag is of een onderneming die ieder jaar verliezen maakt kan overleven. In bijlage 1c is als uitgangspunt genomen dat de afschrijvingen niet hoger zijn dan de jaarlijkse winst. In scenario 1 (gelijke tarieven en gelijke schijven) werkt de tariefstructuur dan inderdaad degressief uit. Voor de andere scenario’s gaat dit niet zonder meer op.
De tariefstructuur werkt overigens wel progressief uit als een onderneming uitsluitend over niet-afschrijfbare activa beschikt of over activawaarop bijna niet wordt afgeschreven en daarnaast op het stakingsmoment goodwill aanwezig is.
Vergelijking vermogenswinstbelasting versus vermogensaanwasbelasting bijlage 1a
Verder is, zoals aangegeven in de inleiding van deze paragraaf, een vergelijking gemaakt tussen de uitkomsten onder een vermogenswinstbelasting ten opzichte van een vermogensaanwasbelasting. Indien geen rekening wordt gehouden met de rentecomponent (zie scenario 1) is in de situatie dat de overige winst in de eerste drie schijven valt een vermogensaanwasbelasting voor de belastingplichtige voordeliger dan een vermogenswinstbelasting.1 De vermogensaanwas wordt jaarlijks in de heffing betrokken, waarmee heffing ineens op het stakingsmoment tegen het progressieve tarief niet meer aan de orde is. Voor de vierde schijf geldt dat de uitkomst onder een vermogensaanwasbelasting gelijk is aan die onder een vermogenswinstbelasting. Dit komt omdat de heffing onder zowel een vermogensaanwasbelasting als onder een vermogenswinstbelasting (afschrijving en heffing over stakingswinst) plaatsvindt tegen hetzelfde tarief. Het is evenwel niet reëel om geen rekening te houden met de rentecomponent. Juist onder een vermogenswinstbelasting geldt dat langdurig uitstel van heffing wordt verkregen, hetgeen leidt tot een rentevoordeel. Ook moet onder een vermogensaanwasbelasting de belasting eerder worden betaald, hetgeen tot een rentenadeel leidt.
Voor scenario 2 en 3 blijkt dat een vermogensaanwasbelasting voor de situatie waarbij de overige winst in de eerste, tweede schijf en derde schijf valt gunstiger is dan een vermogenswinstbelasting. Dit komt omdat onder een vermogensaanwasbelasting de vermogensaanwas ieder jaar tegen een lager tarief wordt belast dan zou gebeuren onder een vermogenswinstbelasting. Onder een vermogenswinstbelasting vindt immers in 2011 heffing plaats tegen het hoge progressieve tarief. Het rentenadeel van het eerder moeten betalen van belasting is onder een vermogensaanwasbelasting kleiner dan het belastingvoordeel als gevolg van het belasten tegen een lager tarief. Voor de vierde schijf geldt dat een vermogenswinstbelasting voordeliger is. Dit komt vooral door het rentevoordeel. De belasting hoeft immers pas later te worden betaald. Het belasten van de stille reserves in 2011 is minder belastend, omdat de afschrijvingen ook tegen een hoger tarief hebben plaatsgevonden. Voor bijlage 1b blijkt dat in de situatie waarin de ‘overige winst’ in de derde schijf valt een vermogenswinstbelasting voordeliger te zijn dan een vermogensaanwasbelasting.
In scenario 2 is verondersteld dat de rentecomponent binnen de onderneming is gehouden waarbij dit voordeel weer belast is in box 1. In scenario 3 is verondersteld dat het rentevoordeel naar privé is gehaald en aldaar is belast in box 3. Bij vergelijking van scenario 2 met scenario 3 wordt de vermogensaanwasbelasting in de box 3-situatie gunstiger, dan wel een vermogenswinstbelasting nadeliger. Dit wordt veroorzaakt door het in box 3 in aanmerking te nemen fictief rendement van 4%, terwijl in het model is gerekend met lagere rentetarieven (zie bijlage 3).
Vergelijking uitkomsten bijlage 1a, bijlage 1b en bijlage 1c
Indien de uitkomsten uit bijlage 1a en bijlage 1b met elkaar worden vergeleken (aanschafwaarde van het pand wordt hoger) blijkt dat voor de situatiewaarbij de overige winst in schijf 2 valt een vermogensaanwasbelasting nog voordeliger te worden. Het rentenadeel is nog kleiner dan het belastingvoordeel. Indien de overige winst in de derde schijf valt, is het rentenadeel van een vermogensaanwasbelasting groter dan het belastingvoordeel onder een vermogensaanwasbelasting. Uiteindelijk wordt voor de situatie waarbij de ‘overige winst’ in die schijf valt een vermogenswinstbelasting voordeliger (in bijlage 1a was een vermogensaanwasbelasting nog voordeliger). Voor de vierde schijf geldt dat de vermogenswinstbelasting zowel qua belastingvoordeel als rentevoordeel voordeligerwordt. Indien de overige winst in schijf 1 valt, wordt het verlies als gevolg van afschrijvingen alleen maar groter. Dit verlieswordt in de gegeven situatie pas verrekend in 2011 (gedeeltelijk tegen een hoger tarief). Een vermogensaanwasbelasting wordt daarmee qua belastingvoordeel voor de belastingplichtige minder voordelig dan een vermogenswinstbelasting en daar komt nog het rentenadeel bij.
Indien bijlage 1a met bijlage 1c wordt vergeleken (aanschafwaarde pand en inventaris lager en lagere waarde goodwill ultimo 2011), blijkt dat een vermogenswinstbelasting al voordeligerwordt in de situatie dat de overige winst in de tweede schijf valt (scenario 2).
Conclusie
Vraagstelling in deze paragraaf was of een faciliteit nodig is als compensatie voor het feit dat vermogensmutaties onder een vermogenswinstbelasting in één keer bij realisatie (tegen het progressieve tarief) worden belast. Uit de in de bijlagen opgenomen berekeningen blijkt dat in ieder geval in alle situaties waarin de overige winst in de vierde schijf valt een vermogenswinstbelasting voor de belastingplichtige nog altijd voordeliger is dan een vermogensaanwasbelasting.2 In paragraaf 2.4.2.3 heb ik aangegeven een faciliteit dan niet wenselijk te vinden, omdat ik een vermogensaanwasbelasting theoretisch het meest gewenste systeem vind. Dit brengt mij tot de conclusie dat een bijzonder tarief voor vermogenswinsten in het algemeen in ieder geval niet wenselijk is.3 Hiervan profiteren met name belastingplichtigen die in een hogere schijf vallen. Uit de analyse in deze paragraaf bleek dat de belastingheffing over vermogenswinsten onder de huidige progressieve tariefstructuur reeds degressief werkt (behalve als de stakingswinst bijvoorbeeld alleen bestaat uit goodwill). Dit wordt alleen nog maar versterkt indien de stakingswinst tegen bijvoorbeeld een bijzonder tarief zou worden belast.
Overigens kan de in art. 3.154 Wet IB 2001 opgenomen middelingsregeling worden gebruikt om de nadelige effecten van een vermogenswinstbelasting voor de laagste schijven te compenseren.4 Zo worden de inkomens over een periode van drie jaren gemiddeld. Verder lijkt het haast onmogelijk om specifiek voor belastingplichtigen waarvan de overige winst in de laagste schijven valt een faciliteit te bieden. De vermogenswinst zal immers in de regel in een hogere schijf worden belast. En zoals zojuist beschreven, wil ik voor de hoogste schijven geen tegemoetkoming bieden. In feite zou geanalyseerd moeten worden tegen welk tarief in de voorgaande jaren is afgeschreven. Tegen dat tarief zouden dan ook de vermogensmutaties moetenworden belast. Vanuit doelmatigheidsoverwegingen plaats ik daar mijn kanttekeningen bij. De conclusie is in ieder geval wel dat er niet zo maar één geldende regeling kan worden getroffen om de belastingplichtigen in de laagste schijven tegemoet te komen.