Einde inhoudsopgave
De positie van de vennootschap onder firma (IVOR nr. 97) 2016/4.3.3.2
4.3.3.2 Uitsluiting krachtens partijbeding van de mogelijkheid van overgang?
mr. P.P.D. Mathey-Bal, datum 28-09-2015
- Datum
28-09-2015
- Auteur
mr. P.P.D. Mathey-Bal
- JCDI
JCDI:ADS388266:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 315.
Beekhoven van den Boezem 2003, p. 43-44. Zie ook de toelichting van Meijers bij art. 3:83 BW in Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 314: ‘Er bestaat bovendien nog dit verschil tussen de overdraagbaarheid van zakelijke rechten en die van vorderingsrechten, dat bij vorderingsrechten de overdraagbaarheid door beding kan worden uitgesloten, bij zakelijke rechten niet.’
Dit is denkbaar bij een hoogstpersoonlijke vordering, zoals een persoonsgebonden budget, zie Hof ’s-Hertogenbosch (Handelskamer) 9 maart 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BL7130, RZA 2010/55 (Persoonsgebonden budget).
HR 29 januari 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0842, r.o. 3.4, NJ 1994/171; HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, r.o. 3.4.2, NJ 2004/281 (Oryx/Van Eesteren).
Beekhoven van den Boezem 2003, p. 69.
Beekhoven van den Boezem 2003, p. 69; Verhagen & Rongen 2000, p. 97-98.
Van Zeben & Du Pon, Boek 3 1981, p. 314 (Toelichting Meijers).
Verhagen & Rongen 2000, p. 99.
Verhagen & Rongen 2000, p. 103.
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn in beginsel overdraagbaar (art. 3:83 lid 1 BW); het uitgangspunt is dat eigendom en beperkte rechten in de handel blijven en dus zowel voor overdracht als voor uitwinning vatbaar zijn.1 Dit is een regel van openbare orde en dus van dwingend recht.2 De wet, de aard3 of, in geval van vorderingsrechten, een beding tussen schuldeiser en schuldenaar (art. 3:83 lid 2 BW) kunnen zich echter tegen overdraagbaarheid verzetten. Een door partijen bij een vordering overeengekomen onoverdraagbaarheidsbeding heeft goederenrechtelijke werking en werkt dus jegens derden.4 Een vraag die rijst is of een onoverdraagbaarheidsbeding ook de overgang anders dan door overdracht omvat of kan omvatten.
Beekhoven van den Boezem5 stelt, gelet op de wetsgeschiedenis, dat partijen de vrijheid hebben om ook overgang anders dan door overdracht uit te sluiten en dat het feit dat in art. 3:83 lid 2 BW slechts de minder vergaande overdracht wordt genoemd daaraan niet afdoet. Of een onoverdraagbaarheidsbeding voldoende is om andere wijzen van overgang te voorkomen, moet steeds door uitleg van het specifieke beding worden bepaald, maar als uitgangspunt belet een onoverdraagbaarheidsbeding niet meer dan overgang door overdracht.6 De mogelijkheid tot overgang van wilsrechten die als zelfstandig vermogensrecht zijn te beschouwen wordt bepaald door het recht dat in het leven kan worden geroepen. Is dat recht voor overgang vatbaar, dan is het wilsrecht dat ook.7 Of een onoverdraagbaarheidsbeding goederenrechtelijke werking heeft, hangt volgens Verhagen en Rongen af van hetgeen partijen met het beding hebben beoogd.8 Wordt bijvoorbeeld een boete gesteld op cessie in strijd met een onoverdraagbaarheidsbeding, dan lijkt met het beding eerder obligatoire werking te zijn beoogd; de motieven van partijen zijn dus van belang.9