Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/8.2.4.1
8.2.4.1 Voorwaarde 1: De identieke of soortgelijke goederen moeten op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Europese Unie uitgevoerd zijn
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258756:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 70, lid 2, onderdelen a en b, DWU.
Sherman & Glashoff betogen dat de CVA zo gelezen moet worden dat op basis van een eerlijke en goede beoordeling voorkomen moet worden dat de toepassing van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen ter vaststelling van de douanewaarde leidt tot onwenselijke uitkomsten. Echter, tegelijk signaleren zij dat de CVA ook anders geïnterpreteerd zou kunnen worden. Zie S.L. Sherman & H. Glashoff, Customs valuation: commentary on the GATT customs valuation code, ICC Pub: 1988, p. 206-207.
Artikel 141, lid 3, UDWU.
De CVA koppelt ‘op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde’ niet aan een bepaalde periode. Sommige jurisdicties hebben deze vrijheid aangegrepen om in de wet te voorzien in een bepaalde periode. Dat geldt niet voor de Europese Unie. Ik meen dat het niet afbakenen meer in lijn is met de gebruiken in de handelspraktijk. Immers, bepaald type goederen zullen frequenter worden ingevoerd, dan andere type goederen.
Explanatory note 1.1. Time element in relation to Articles 1, 2 and 3 of the Agreement. (Adopted, 2nd Session, 2 October 1981, 27.960).
Explanatory note 1.1. Time element in relation to Articles 1, 2 and 3 of the Agreement. (Adopted, 2nd Session, 2 October 1981, 27.960).
Zie in dat verband: D.G. van Vliet, Douanerecht (2de druk), Deventer: Kluwer 2019, p. 246.
De voorwaarde dat identieke of soortelijke goederen op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Europese Unie uitgevoerd moeten zijn als de te waarderen goederen, wordt ook wel aangeduid als het vereiste van de ‘externe tijdsstandaard’.1 De externe tijdsstandaard heeft betrekking op het tijdstip van uitvoer en niet op het tijdstip waarop de goederen zijn verkocht of ingevoerd. De keuze om aansluiting te zoeken bij het moment van uitvoer kan (onbedoeld) tot gevolg hebben dat de vergelijkingstransacties in mindere mate met elkaar vergelijkbaar zijn. Zo kunnen prijzen door inflatie naar verloop van tijd toenemen, waardoor het uitmaakt of aan de verkoop van dezelfde goederen een meerjarencontract ten grondslag ligt waarin een vaste prijsafspraak is opgenomen of dat de goederen tegen de dagprijs worden verkocht. In dat laatste geval zal de voor de identieke of soortgelijke goederen vastgestelde prijs vermoedelijk hoger zijn, met als gevolg dat ook voor de te waarderen goederen een hogere waarde in aanmerking genomen moet worden waardoor potentieel meer invoerrechten zijn verschuldigd. De CVA lijkt niet te voorzien in een integrale oplossing om deze distorsies te elimineren.2 Wel geldt dat indien meer dan één transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, de transactie die de laagste waarde vertegenwoordigd in aanmerking mag worden genomen om de douanewaarde vast te stellen. Hetzelfde geldt voor het geval er meer dan één transactiewaarde voor soortgelijke goederen wordt gevonden.3 Hierbij lijkt overigens wel de strikt hiërarchische rangorde tussen de waarderingsmethoden in acht genomen te moeten worden.
Een nadere precisering van het woord ‘nagenoeg’ in de context ‘nagenoeg hetzelfde tijdstip’ wordt niet gegeven.4 Uit Explanatory note 1.15 kan worden afgeleid dat voor de toevoeging van het woord ‘nagenoeg’ is gekozen zodat het criterium ‘hetzelfde tijdstip’ minder strikt toegepast hoeft te worden. Met deze ‘versoepeling’ wordt tegemoetgekomen aan het streven om de douanewaarde op een eenvoudige en met de handelspraktijk verenigbare grondslagen vast te stellen. Wel moet de tijdsperiode waarbinnen de douanewaarde wordt vastgesteld naar mijn mening een periode beslaan die zo dicht als mogelijk tegen het moment van uitvoer van de ingevoerde goederen aanligt en waarbinnen commerciële praktijken en marktcondities met invloed op de prijs hetzelfde blijven. Dit betekent overigens niet dat wanneer een soortgelijk goed in vergelijking met een identiek goed dichter op het moment van de te waarderen goederen wordt binnengebracht, de douanewaarde overeenkomstig de transactiewaarde van soortgelijke goederen in plaats van de transactiewaarde van identieke goederen moet worden vastgesteld.6 Het externe tijdelement doet namelijk niet af aan de strikt hiërarchische rangorde tussen de waarderingsmethoden ter vaststelling van de douanewaarde.
Het is tot slot de vraag of de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen reeds vastgesteld moet zijn op het moment dat de douanewaarde van de te waarderen ingevoerde goederen vastgesteld moet worden. Van Vliet stelt vast dat onder het CDW de voorwaarde werd gesteld dat de identieke of soortgelijke goederen inderdaad al ten invoer moesten zijn aangegeven en deze voorwaarde onder het DWU is losgelaten. Zijn verklaring luidt dat de onder het CDW aangelegde beperking mogelijk niet in conformiteit was met de CVA.7 Hoewel uit de bepalingen van de CVA deze ‘beperking’ inderdaad niet lijkt te volgen, geeft Explanatory note 1.1 aan dat de douanewaarde van de ingevoerde goederen moet worden bepaald op basis van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen waarvan de waarde reeds eerder is vastgesteld (“[…] Articles 2 and 3 refer to values previously established in accordance with Article 1 […]”). Naar mijn inzicht zou het echter niet moeten uitmaken of de identieke of soortgelijke goederen nagenoeg vóór of na het moment van invoer ten invoer zijn aangegeven. Dat neemt niet weg dat deze visie praktische problemen met zich kan brengen. Immers, indien de douanewaarde op het moment dat goederen worden ingevoerd niet bepaald kan worden, moet gebruik worden gemaakt van een vereenvoudigde aangifte hetgeen een administratieve lastenverzwaring met zich brengt.