Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.4:A.2.4 Commissie/Portugal
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.4
A.2.4 Commissie/Portugal
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634557:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 6 oktober 2011, C493-09, ECLI:EU:C:2011:635, r.o. 38 en 39 (Commissie/Portugal).
HvJ EU 6 oktober 2011, C493-09, ECLI:EU:C:2011:635, r.o. 49 (Commissie/Portugal).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op grond van de Portugese belastingwetgeving zijn ontvangen dividenden door naar Portugees recht opgerichte en werkzame pensioenfondsen vrijgesteld van vennootschapsbelasting. Er moet worden voldaan aan twee voorwaarden: het betreffende pensioenfonds moet zijn zetel of feitelijke leiding op Portugees grondgebied hebben en het pensioenfonds moet de aandelen waarover het dividend wordt uitgekeerd ten minste een jaar onafgebroken in bezit hebben gehad. Volgens de Commissie was dit systeem, dat betekende dat buiten Portugal gevestigde pensioenfondsen niet van de vrijstelling konden profiteren, in strijd met artikel 63 VWEU. De Portugese regering betwistte niet dat de regeling een beperking van het vrij verkeer van kapitaal vormde, maar was van mening dat er een rechtvaardigingsgrond voor was. De Commissie en Portugal werden het hierover niet eens, waarop de Commissie zich met een infractieprocedure tot het HvJ wendde.
Als rechtvaardigingsgrond voerde de Portugese regering aan dat de vrijstelling voor nationale pensioenfondsen de fiscale samenhang bewaarde. Over de door de fondsen uitgekeerde pensioenen aan gerechtigden die ingezetenen van Portugal zijn, wordt namelijk inkomstenbelasting geheven. Het HvJ wijst erop dat een beroep op deze rechtvaardiging alleen kan slagen als een rechtstreeks verband bestaat tussen het betrokken fiscale voordeel en de compensatie van dat voordeel door een bepaalde belastingheffing. Hierbij moet het rechtstreekse verband worden beoordeeld op basis van het doel dat de betrokken belastingregeling nastreeft. Een dergelijk verband ontbrak in dit geval. Het HvJ wees op het feit dat waarschijnlijk ook inkomstenbelasting werd geheven over inkomsten die door niet-ingezeten pensioenfondsen werden uitgekeerd aan ingezetenen van Portugal. Ten tweede wees het HvJ erop dat wanneer een ingezeten fonds inkomsten uitkeert aan een niet-ingezeten gerechtigde, het door dat fonds ontvangen dividend wordt vrijgesteld van vennootschapsbelasting, ongeacht hoe de door hem uitgekeerde inkomsten in de woonstaat van de gerechtigde daarop fiscaal werden behandeld. Kortom, er bestaat geen verband tussen de woonplaats (in het binnen- of het buitenland) van een gepensioneerde en dus van diens fiscale situatie en de fiscale behandeling van de inkomsten van het fonds.1
Als tweede rechtvaardigingsgrond voerde de Portugese regering aan dat de juiste toepassing van de vrijstelling moet kunnen worden gecontroleerd (de doeltreffendheid van de fiscale controles). Die controle is ingewikkeld, reden waarom de Portugese Belastingdienst zich rechtstreeks tot de betrokken pensioenfondsen moet kunnen wenden. Ook dit argument wees het HvJ af. Men kan de feitelijke toekenning van de vrijstelling immers afhankelijk stellen van het overleggen van bewijsstukken waaruit het voldoen aan de voorwaarden kan blijken. Portugal kan bij de invordering van een in Portugal ontstane belastingschuld beroep doen op de onderlinge bijstands- en invorderingsrichtlijnen.2
Het HvJ concludeerde dat Portugal door de vrijstelling van vennootschapsbelasting uitsluitend aan op het Portugese grondgebied gevestigde pensioenfondsen voor te behouden, de krachtens artikel 63 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.