Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/5.3.3
5.3.3 Recht op een ononderbroken ontwikkelingsproces
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949651:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 8, eerste lid, van de Wpo en artikel 1.4, tweede lid, van de Wvo 2020.
Rechtbank Amsterdam 11 juni 1998, ECLI:NL:KTGAMS:1998:BL2053, GST. 1999-7091, 6. m.nt. J. Donner, AB 2000, 104, m.nt Vermeulen. Zie hierover ook Paijmans 2013, p. 404, Zoontjens 2023, p. 408 en Huisman 1998.
Zoontjens 2023, p. 408. Zie voor meer voorbeelden Paijmans 2013, p. 404-412.
Kamerstukken II 2011/12, 33 187, nr. 3, p. 33-34.
Artikel 7.2.7, eerste lid, van de Web en artikel 7.4, tweede lid van de Whw. Zie ook Nolen 2017, p. 222.
Artikel 7.4, tweede lid van de Whw.
Louw 2011, p. 214.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:9631. Zie over deze zaak ook A.G.D. Overmars, ‘See you in court!’, NTOR 2019, nr. 2, p. 59.
Zie voor de schadeberekening: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 juni 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:4570.
Artikel 6.1.3, eerste lid, van de Web.
Zoals geschetst in § 4.7 is het bevoegd gezag verantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Hieronder wordt tenminste verstaan dat het bevoegd gezag voldoet aan hetgeen bij of krachtens de betreffende onderwijswet is bepaald. Daarnaast dient het bevoegd gezag eigen ambities te hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. In de onderwijswetten zijn een aantal specifieke zorgplichten voor het bevoegd gezag opgenomen die een uitwerking vormen van de zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs. Een daarvan is de zorgplicht voor een ononderbroken ontwikkelingsproces. Zoals geschetst in § 3.7.5 maakt het borgen van een ononderbroken ontwikkelingsproces onderdeel uit van de professionele standaard van de leraar. Het recht van de leerling hierop is verder uitgewerkt in de onderwijssectorwetten.
In de Wpo en Wvo 2020 is bepaald dat het onderwijs zodanig ingericht moet worden dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen.1 Uit de jurisprudentie blijkt dat het bevoegd gezag zich moet inspannen om studievertraging te voorkomen, anders kan een plicht tot het betalen van schadevergoeding volgen. Dit werd voor het eerst aangenomen in 1999 in de zogenaamde Schaapmanzaak.2 In casu stond vast dat de ouders en het bevoegd gezag op de hoogte waren van het feit dat er tekortkomingen waren in het onderwijs die hebben geleid tot leerachterstanden. De ouders mochten er volgens de rechtbank op vertrouwen dat de school passende maatregelen zou nemen om te bewerkstelligen dat geen onaanvaardbare achterstanden zouden ontstaan. Deze passende maatregelen zijn echter niet genomen, ook niet na aandringen van de ouders. Schaapman liet haar kind daarom wekelijks bijles volgen en wilde deze kosten verhalen op het bevoegd gezag. Dit was volgens de rechtbank niet onredelijk, de kosten konden daarom op de school worden verhaald. Uit deze zaak blijkt dat de algemene zorgplicht voor de kwaliteit van het onderwijs die op het bevoegd gezag rust, ook strekt tot de bescherming van de belangen van ouders en leerlingen.3
Voor het middelbaar beroepsonderwijs is geregeld dat beroepsopleidingen zodanig zijn ingericht dat de student binnen de vastgestelde studieduur de kwalificatie en het keuzedeel, ofwel de opleiding, kan afronden. Daarnaast moet het onderwijsprogramma evenwichtig zijn en voldoende onderwijs- en praktijkuren bevatten. Met deze bepaling heeft de wetgever onder meer willen bereiken dat de tijd van de student optimaal wordt benut.4 Opdat studenten niet bepaalde weken van het studiejaar heel druk zijn en andere weken niet voldoende te doen hebben.
In de Whw is bepaald dat de opleiding studeerbaar moet zijn.5 Dit betekent dat de opleiding zodanig wordt ingericht dat een student elk jaar 60 studiepunten kan behalen en dus continue onderwijs kan volgen.6 Louw noemt ditook wel het studeerbaarheidsbeginsel.7 Een recente zaak over de studeerbaarheid van een opleiding betrof de opleiding Bachelor medische hulpverlening (Bmh).8 Kort gezegd konden studenten in casu niet of moeilijk een stageplek krijgen die was vereist om de opleiding af te ronden, omdat het beroep waartoe de opleiding moet opleiden niet was geregistreerd in het register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg. Zonder deze registratie mag de beroepsbeoefenaar geen voorbehouden medische handelingen verrichten. Deze registratie was niet gerealiseerd omdat Bmh opleidt tot een beoogd nieuw beroep, namelijk de medisch hulpverlener. De betreffende hogeschool wist dat studenten zouden afstuderen zonder dat zij bevoegd zouden zijn tot het zelfstandig verrichten van voorbehouden medische handelingen. Het Hof oordeelt dat de hogeschool de studenten hiervoor had moeten waarschuwen, deze handelingen zijn essentieel voor de uitoefening van het betreffende beroep. Ook had de hogeschool moeten waarschuwen voor het gebrek aan stageplaatsen, dit was voorzienbaar. Hierdoor is de hogeschool aansprakelijk voor de anderhalf jaar studievertraging die de betreffende student heeft opgelopen.9
Naast de zorgplicht voor een studeerbare opleiding, is in de Whw en de Web ook een zorgplicht opgenomen ten aanzien van het arbeidsmarktperspectief van de student. In de Web is met zoveel woorden bepaald dat het bevoegd gezag ervoor moet zorgen dat een beroepsopleiding alleen wordt aangeboden als voor afgestudeerden voldoende arbeidsmarktperspectief bestaat.10 In de Whw is geregeld dat als een opleiding opleidt tot een beroep waarvoor beroepsvereisten zijn gesteld, het bevoegd gezag er zorg voor draagt dat de afgestudeerde beschikt over de benodigde kennis, inzicht en vaardigheden om hieraan te voldoen. De Whw kent anders dan de Web geen zorgplicht die erop ziet dat de student na afstuderen perspectief heeft op een baan. Anders dan het middelbaar beroepsonderwijs is een opleiding in het hoger onderwijs immers niet in alle gevallen gericht op het kunnen uitoefenen van een bepaald beroep.