Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.5.3.1
4.5.3.1 Strikte leer; jurisprudentie
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS497803:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
B. Snijder-Kuipers, 'Vraagpunten bij omzetting van een stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid', WPNR 2006-6661, p. 291-294.
Rb. Zwolle 7 februari 2003, JOR 2004, 2(Icare Thuiszorgwinkels).
B. Snijder-Kuipers, 'Vraagpunten bij omzetting van een stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid', WPNR 2006-6661, p. 292-293.
Rb. Zwolle 21 november 2003, JOR 2004, 68(Stichting het Gastouderbureau).
B. Snijder-Kuipers, 'Vraagpunten bij omzetting van een stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid', WPNR 2006-6661, p. 293.
Rb. Arnhem 14 mei 1992, N. I kort 1992, 45 (Stichting Werkpool Nijmegen II).
Rb. Rotterdam 18 februari 2004, JOR 2004, 100(Optas Pensioenen).
B. Snijder-Kuipers, 'Vraagpunten bij omzetting van een stichting in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid', WPNR 2006-6661, p. 294.
B. Snijder-Kuipers, 'Vermogensklem bij omzetting van stichtingen', TvOB 2008-2, p. 51-52.
Uitgaande van de formulering van de huidige wettelijke regeling en de daarop gebaseerde beschikbare jurisprudentie, ben ik van mening dat een strikte leer gevolgd moet worden bij de uitleg van de vermogensklembepaling. Slechts een klein aantal rechterlijke uitspraken is op het gebied van de vermogensklembepaling beschikbaar. Daaruit volgt dat de begrippen rechterlijke machtiging als bedoeld in lid 4 van artikel 18 BW en rechterlijke toestemming als bedoeld in lid 6 van artikel 18 BW in aanvulling op elkaar gehanteerd worden.1 De rechter verleent in de regel geen toestemming aan besteden van stichtingsvermogen anders dan in overeenstemming met het doel.
In de uitspraak van Rechtbank Zwolle2 ging het om volstorting van aandelen door aanwending van het stichtingsvermogen. Aangezien het ging om toekenning van aandelen aan een rechtspersoon die op grond van het oude stichtingsdoel tot het stichtingsvermogen gerechtigd was, is onverplicht rechterlijke toestemming gevraagd.3 De rechtbank oordeelde dat storting op aandelen plaats kan vinden voor zover de aandelen (in)direct genomen worden door een stichting met dezelfde doelstelling als de oude stichting. Ik meen dat rechterlijke toestemming niet gevraagd had hoeven worden aangezien geen sprake is van ánders besteden dan in overeenstemming met het oude stichtingsdoel. Voor besteden conform doel, waar in casu sprake van was, is geen toestemming van de rechter vereist.
Bij Stichting het Gastouderbureau4 werd ter gelegenheid van de rechtsvormwijziging van een stichting in een kapitaalvennootschap verzocht de aandelen toe te kennen (onterecht werd gesproken van: uitgeven) aan een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid die eveneens gerechtigd zou zijn tot de winst en eventuele liquidatie-uitkeringen. Dat betekent dus een verzoek om rechterlijke machtiging én rechterlijke toe stemming.5 De rechter behandelt dit verzoek integraal als een verzoek tot rechterlijke machtiging en acht het voorgestelde in strijd met artikel 2:285 lid 3 en 2:18 lid 6 BW De rechter stelde voor een statutaire reserve te creëren, bestemd voor het oude stichtingsdoel aangevuld met een statutaire bepaling dat bij liquidatie het oude stichtingsvermogen zal worden besteed in overeenstemming met het oude stichtingsdoel. De rechter acht elke vermogensaanwending buiten het stichtingsdoel niet geoorloofd.
Eenzelfde situatie deed zich voor bij Stichting Werkpool Nijmegen.6 Daar werd bepaald dat met de tekst en strekking van artikel 2:285 lid 3 en 2:18 lid 6 BW niet verenigbaar was dat een stichting van rechtsvorm werd gewijzigd in een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid terwijl (een deel van) het stichtingsvermogen werd aangewend voor de voldoening van de stortingsplicht door de aandeelhouder (die tevens bestuurder was) en in de statuten werd bepaald dat de winst en bij vereffening het vermogen krachtens de statuten toekwam aan die bestuurder-aandeelhouder. Als een statutaire reserve opgenomen wordt, bestemd voor het doel waarvoor de stichting in het leven is geroepen, wordt voldaan aan de wettelijke eis. Rechterlijke toestemming voor aanwending van vermogen werd, impliciet, gevraagd. De machtiging werd onthouden op grond van het feit dat het buiten het stichtingsdoel viel.
In Optas Pensioenen7 kwam de inhoud van de beklemmingsregel aan de orde. In deze uitspraak werd expliciet gesteld dat afwijking van artikel 2:18 lid 6 BW slechts mogelijk is met rechterlijke toestemming en onder de voorwaarde dat de omvang en bestemming van dat vermogensbestanddeel duidelijk omschreven diende te zijn. Zo'n verzoek wordt slechts toegewezen indien er een goede grond is om van de wettelijke beklemmingsregel af te wijken. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verruiming van de bestedingsmogelijkheid van (de vruchten van) het stichtingsvermogen aantoonbaar direct of indirect strekt tot bevordering van de stichtingsbelangen, aldus de rechtbank. Indien en voor zover vermogen besteed wordt in overeenstemming met het oude stichtingsdoel, is rechterlijke toestemming niet vereist. Slechts wanneer besteding geacht wordt plaats te vinden buiten de oorspronkelijke doelstelling van de stichting, schrijft de wet toestemming van de rechter voor.8 De rechter wenste een dergelijke toestemming niet te verlenen.
De beschikbare jurisprudentie laat een terughoudende rechter zien. Voor zover rechterlijke toestemming, impliciet, gevraagd wordt, wordt deze toegestaan voor zover dat in het verlengde van het stichtingsdoel is. Voor die situatie is geen rechterlijke toestemming vereist. In die gevallen kan volstaan worden met rechterlijke machtiging voor de rechtshandeling 'rechtsvormwijziging'. De rechter verwijst als het gaat om besteden expliciet naar de wettelijke bepaling op grond waarvan vermogen, ook na rechtsvormwijziging van een stichting, aangewend dient te worden in overeenstemming met het stichtingsdoel. Er is geen plaats voor een van dat doel afwijkend bestedingspatroon.9 Ofwel, rechterlijke toestemming als bedoeld in lid 6 van artikel 18 BW wordt niet verleend voor het anders besteden van stichtingsvermogen.