Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/1.1
1.1 Onderwerp van onderzoek
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS623491:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook J.E. Jansen 2007-I, p. 78.
Zie over de terminologie verder par. 1.5
Vgl. Kleijn (noot onder HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285): 'Als men de rechtstheoretische ontwikkelingen van de laatste 15 jaar gadeslaat dan is één van de duidelijkste tendensen in het vermogensrecht de steeds sterker wordende toepassing van zaaksvervanging in het vermogensrecht.'
Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten, Publicatieblad L 168, 27/06/2002, p. 00430050. Zie par. 2.4.
Zie par. 2.3 over art. 3.6.8 voorontwerp Iw.
Zie Sagaert 2003, p. 27. Zie ook Langemeijer 1927, p. 9; Hammerstein 1977, p. 7; Liebs 1982, p. 190: 'Res succedit in locum pretii et pretium in locum rei. Die Sache tritt an die Stelle des Preises und der Preis an die Stelle der Sache.'
Zie hierover uitgebreid Welle 1987, in het bijzonder p. 123; Hammerstein 1977, p. 7; Sagaert 2003, p. 20-21.
Zie Welle 1987, p. 24; Sagaert 2003, p. 18, beiden met verwijzing naar Pringsheim.
Zie Langemeijer 1927.
Zie Hammerstein 1977.
Zie hierover par. 1.5 en 5.4.
Zie Asser/Mijnssen/De Haan/Van Dam 3-I 2006, nr. 51; Asser/Mijnssen/Van Velten/ Bartels 5*, nr. 5a; Pitlo/Reehuis 2006, nr. 8; Snijders/Rank-Berenschot 2007, nr. 35.
Vgl. bijvoorbeeld HR 17 februari 1995, NJ 1996, 471 (Mulder q.q./CLBN) r.o. 3.3.3; Luijten/Van Mourik 1997, p. 300.
Zie Pitlo 1952, p. 77.
Zie Hammerstein 1977, p. 36 en 47.
1.
Wanneer een verpande voorraad hobbelpaarden door brand tenietgaat, houden deze zaken op te bestaan en daarmee eindigen ook de rechten van de eigenaar. Als hij hiertegen verzekerd is, verkrijgt hij een vordering op de verzekeringsmaatschappij. Zijn zaken worden dus vervangen door een vordering. Maar hoe zit het met de pandhouder? Hij had pandrechten op (de eigendomsrechten van) de hobbelpaarden en ook zijn rechten zijn in beginsel met het speelgoed tenietgegaan.1 De wetgever beschermt in dit geval de pandhouder en heeft een regeling getroffen om te bereiken dat hij zijn zekerheidsrechten behoudt. Op grond van art. 3:229 BW krijgt hij van rechtswege een pandrecht op de verzekeringsvordering. Zowel voor de (voormalige) eigenaar van de voorraad als voor de pandhouder vervangt de vordering dus de zaken. Een dergelijke wisseling van rechtsobjecten wordt aangeduid met de term zaaksvervanging.2
Een ander voorbeeld van zaaksvervanging is te vinden bij het recht van vruchtgebruik. Art. 3:213 BW bepaalt dat goederen, die in de plaats treden van hetgeen aan het vruchtgebruik is onderworpen en waarover bevoegd wordt beschikt, aan de hoofdgerechtigde toebehoren en aan het vruchtgebruik onderworpen zijn. Als een man in zijn testament heeft bepaald dat zijn vrouw na zijn overlijden het vruchtgebruik krijgt van zijn bankrekening, dan valt onder dat vruchtgebruik dus ook de nieuwe caravan die met geld van deze rekening wordt aangeschaft. Waar het vruchtgebruik aanvankelijk rustte op de vordering op de bank, komt het daarna van rechtswege te rusten op de mobiele vakantiewoning.
Genoemde artikelen zijn voorbeelden van zaaksvervanging en zij maken sinds 1992 deel uit van het BW. De bestaande toepassingen van zaaksvervanging vormen echter geen gesloten, niet voor uitbreiding vatbare groep. De Nederlandse wetgever kan of moet vaker bepalingen van zaaksvervanging opnemen in het burgerlijk recht.3 Een recent toegevoegde vervangingsbepaling is te vinden in Titel 7.2 BW betreffende de financiëlezekerheidsovereenkomst. Het op de Europese Collateral richtlijn4 gebaseerde art. 7:53 lid 4 BW toont aan dat vervangingen als een middel worden gezien om bepaalde consequenties aan goederenrechtelijke rechten te verbinden. Ook het voorontwerp Insolventiewet bevat potentiële nieuwe toepassingen van zaaksvervanging bij de inning van stil verpande vorderingen door de bewindvoerder.5 Helderheid over de reeds bestaande toepassingen en de verhouding van zaaksvervanging tot de overige leerstukken van het goederenrecht kan helpen om dergelijke toevoegingen optimaal vorm te geven.
2.
Zaaksvervanging is geen nieuwe rechtsfiguur. Lange tijd ging de rechtswetenschap ervan uit dat al in het Romeinse recht de mogelijkheid van vervanging van goederen breed werd geaccepteerd. Ter onderbouwing van deze stelling werd verwezen naar het adagium 'in judiciis universalibus pretium succedit loco rei et res loco pretii, in judiciis singularibus pretium non succedit loco rei ne res loco pretii' .6 Later zijn vraagtekens geplaatst bij de oorspronkelijke interpretatie van dit adagium.7 Aangenomen wordt dat een algemene aanvaarding van zaaksvervanging in het Romeinse recht ontbreekt, maar dat wel sprake is van enige invloed van de 'Griekse' rechtstraditie, waarin de herkomst van het geld waarmee de koopprijs wordt betaald, bepalend is voor de rechten op de verkregen zaak.8
In Nederland zijn in de vorige eeuw twee studies verschenen over zaaksvervanging. Langemeijer beschreef in 1927, geïnspireerd door de grote interesse voor deze figuur in Frankrijk, als eerste het fenomeen zaaksvervanging in de Nederlandse rechtsliteratuur.9 Hij heeft de rechtsfiguur een brede basis gegeven door zowel rechtshistorisch als rechtsvergelijkend onderzoek te verrichten alvorens de toepassingen in het Nederlandse recht te beschrijven. Hammerstein heeft zich vijftig jaar later gericht op het systematiseren van zaaksvervanging en de plaats van deze figuur in het Nederlandse recht.10 Zijn belangrijkste toevoeging bestaat in het aanbrengen van het onderscheid tussen eigenlijke en oneigenlijke zaaksvervanging.11Bij eigenlijke zaaksvervanging wordt het object van een specifiek recht vervangen zonder dat dit het recht zelf aantast, zoals bij de hierboven gegeven voorbeelden waarin art. 3:213 en 3:229 BW een rol spelen. Hammerstein stelt hier de oneigenlijke vervanging tegenover, waarbij goederen binnen bepaalde vermogens worden vervangen. Deze vorm van vervanging is bijvoorbeeld te vinden in het huwelijksvermogensrecht in art. 1:124 BW.
Het juridisch vervangen van goederen als object van bepaalde rechten is daarmee echter geen onproblematisch, algemeen geaccepteerd gebruik in het Nederlandse burgerlijk recht geworden. Met name het uitgangspunt van het goederenrecht dat een recht niet kan bestaan zonder een zaak of vermogensrecht waarop dit recht betrekking heeft, staat hieraan in de weg. In het verband tussen recht en goed gaat het goed voor en volgt het recht. Bij zaken gaat dit zelfs zover dat de zaak en het recht op de zaak worden vereenzelvigd en het onderscheid in het wettelijke taalgebruik grotendeels ontbreekt.12 Wat zaaksvervanging als rechtsfiguur lastig maakt, is dat het dit principe omdraait. Het (handhaven van het) recht staat voorop en het goed is daaraan ondergeschikt gemaakt. Het is de vraag of zulke tegengestelde uitgangspunten naast elkaar in één systeem kunnen bestaan.
In de literatuur bestaat een redelijk consistente opvatting over welke bepalingen van Nederlands recht onder de noemer zaaksvervanging zijn te brengen. Zij worden in hoofdstuk 2 opgesomd. Het resultaat dat met deze bepalingen kan worden bereikt wordt in het algemeen redelijk en wenselijk geacht. Goederenrechtelijke aanspraken blijven behouden in situaties waarin deze anders, buiten toedoen van de betrokkenen om, teniet dreigen te gaan. Het bestaan van onduidelijkheid over de werking van deze bepalingen en praktische problemen bij de toepassing hiervan beperken echter de effectiviteit van de regelingen. Daarnaast leidt deze onduidelijkheid ertoe dat tot op heden grote voorzichtigheid en terughoudendheid aan de dag wordt gelegd bij de toepassing en interpretatie van bepalingen van zaaksvervanging.13 Zolang op vragen van positiefrechtelijk belang geen duidelijk antwoord is geformuleerd, maakt dit de rechtspraktijk huiverig. Pitlo constateerde reeds dat dit leidt tot een vicieuze cirkel: hoe zeldzamer een rechtsfiguur zich voordoet, hoe minder rechtspraak en literatuur zij opwekt. Daarom mijdt men de figuur in de praktijk, aangezien rechtspraak noch literatuur de ook uit de beste wet noodzakelijkerwijze voortvloeiende onzekerheden hebben opgeheven.14 Dit is jammer, omdat het niet optimaal benutten van de mogelijkheden van zaaksvervanging ertoe leidt, dat een kans om het goederenrechtelijke systeem zo rechtvaardig mogelijk te maken, blijft liggen. Dit proefschrift heeft tot doel te onderzoeken in hoeverre zaaksvervanging deel uitmaakt van het goederenrechtelijke systeem, in plaats van haar te benaderen als een rechtsfiguur van eigen aard die eerder naast het bestaande systeem staat. Aannemelijk is immers dat verwevenheid met bestaande rechtsfiguren de toepassing van zaaksvervanging beter voorspelbaar en effectiever maakt.
3.
Meer duidelijkheid over (de plaats van) zaaksvervanging (in het goederenrechtelijke systeem) vereist dat een onderscheid wordt gemaakt tussen theorie en praktijk van vervangingen en binnen de theorie tussen het doel dat met zaaksvervanging wordt nagestreefd enerzijds en de wijze waarop dit doel wordt bereikt anderzijds.
Het aanbrengen van dit laatste onderscheid tussen de ratio en de methode van zaaksvervanging is niet nieuw. Lauriol heeft dit voor het Franse recht gedaan en ook Hammerstein houdt hier uitdrukkelijk rekening mee in zijn proefschrift.15 De gevolgen die voor het Nederlandse recht aan dit onderscheid worden verbonden, zijn echter tot op heden beperkt. Hammerstein gebruikt het deels om het onderscheid tussen eigenlijke en oneigenlijke zaaksvervanging te maken, maar niet als eerdere basis voor een analyse van de rechtsfiguur zelf. Dit laatste is het doel van deze dissertatie en daarmee gaat dit onderzoek in wezen voort waar dat van Hammerstein stopt.
Met name aan de methode van vervanging besteed ik meer aandacht, omdat de wijze waarop men tegen de vervanging aankijkt in belangrijke mate de mogelijkheid bepaalt om zaaksvervanging in het Nederlandse goederenrecht in te passen. Hierbij bestaan in beginsel twee opties. Enerzijds kan zaaksvervanging worden beschouwd als een voortzetting van een bestaand recht op een nieuw goed. Deze zienswijze sluit nauw aan bij de doelstelling van zaaksvervanging. Anderzijds kan zaaksvervanging worden benaderd als het ontstaan van een nieuw recht op een vervangend goed op grond van de wet, waarbij de eigenschappen van het oude recht door het nieuwe worden overgenomen. In dit onderzoek wordt in paragraaf 1.6 voor de tweede zienswijze gekozen, waarna deze benadering in het derde en met name vierde hoofdstuk met behulp van interne rechtsvergelijking nader wordt uitgewerkt. De gekozen zienswijze met betrekking tot de methode bepaalt vervolgens samen met de ratio de toepassingvereisten die voor zaaksvervanging gelden, de gevolgen die hieraan zijn verbonden en in het algemeen de plaats van de rechtsfiguur binnen het Nederlandse goederenrecht.
Naast theoretische overwegingen moeten praktische complicaties die in de weg kunnen staan aan het bereiken van de resultaten die met zaaksvervanging worden beoogd, in ogenschouw worden genomen. Goederen dienen om daar rechten op te hebben en deze uit te kunnen oefenen, individualiseerbaar te zijn. Dit geldt ook voor goederen betrokken bij zaaksvervanging. Wanneer vermenging optreedt, in eigenlijke of oneigenlijke zin, verandert dit de goederenrechtelijke situatie op een wijze die de effecten van zaaksvervanging teniet kunnen doen. Een vergelijkbaar probleem speelt, indien goederen bij zaaksvervanging betrokken zijn waarbij de tenaamstelling van essentieel belang is voor het bepalen van de persoon die tot een goed gerechtigd is en deze tenaamstelling niet de gewenste goederenrechtelijke verhoudingen weerspiegelt. Deze problemen, waarvan bij de theoretische beschouwingen in belangrijke mate wordt geabstraheerd, staan centraal in het zesde hoofdstuk. Zaaksvervanging wordt pas een bruikbare rechtsfiguur als voor de daar gesignaleerde vragen passende antwoorden worden gevonden.