Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/5.2
5.2 Het samenhangcriterium en de leer van de formele rechtskracht
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685387:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. rov. 3.3 van HR 2 juni 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1744, NJ 1997/164, AB 1995/542 (Aharchi/Bedrijfsvereniging). Kortmann 2009 meent op p. 241 dat deze situatie goed onderscheiden moet worden van het scenario – zoals het bekende geval Heesch/Van de Akker – waar in het geheel geen rechtsmiddelen tegen het besluit zijn aangewend. De toepassing van de leer van de formele rechtskracht bij opeenvolgende besluiten (zogenoemde ketenbesluitvorming) valt buiten dit onderzoek. Zie over de terminologie bij het leerstuk van formele rechtskracht Polak 2019a, p. 11-13 en Sanders 2019, onder 3 en 4. Polak 2019a merkt op p. 17 op dat een besluit dat is aangevochten (‘formele rechtskracht plus’ in zijn woorden) ‘nog krachtiger vaststaat dan wanneer de formele rechtskracht aan de orde is, omdat er niet bij de bestuursrechter over is geprocedeerd’. De kritiek op het leerstuk ziet vooral op die gevallen waarin het besluit niet is aangevochten.
HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986/723, AB 1986/573 (Heesch/Van de Akker).
Volgens Polak 2019a, p. 15-16 ziet het leerstuk vooral op de afstemming tussen de bestuursrechter en de burgerlijke rechter.
Van Angeren 2011 onderscheidt drie oorzaken van onzekerheid: (i) mogelijk bezwaar of beroep van een derde waardoor de houder van een positief besluit in onzekerheid verkeert; (ii) het besluit wordt ongeldig door een door een derdebelanghebbende ingesteld beroep en (iii) als de beslissing op bezwaar is vernietigd door de bestuursrechter, is onzeker wat die vernietiging betekent voor het primaire besluit.
HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT7774, NJ 2006/93, AB 2006/286 (Kuijpers/Valkenswaard), rov. 3.4.
Zie HR 16 mei 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9347, NJ 1986/723, AB 1986/573 (Heesch/Van de Akker); HR 11 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD3755, NJ 1990/563, AB 1989/81 (Ekro/Staat); HR 14 mei 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0963, NJ 1993/641, AB 1993/503 (Aruba/Playa Liquor); HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1598, NJ 2007/504, AB 2008/155 (Barneveld/Gasunie) voor de eerste uitzondering en HR 18 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1006, NJ 1993/642, AB 1993/504 (St. Oedenrode/Van Aarle) voor de tweede uitzondering.
Naast deze ‘klassieke’ uitzonderingen, zijn nog enkele andere uitzonderingen aangenomen. Zo heeft het zuiver schadebesluit geen formele rechtskracht in civielrechtelijke zin: HR 17 december 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC3059, NJ 2000/87, AB 2000/89 (Groningen/Raatgever). Met de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten is het zelfstandig schadebesluit komen te vervallen. Wel verschijnt gelet op het overgangsrecht nog regelmatig jurisprudentie, zie bijv. ABRvS 28 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:678. Een andere ‘klemmende reden’ die een uitzondering rechtvaardigt, is indien gehandeld is in strijd met een fundamenteel rechtsbeginsel waardoor niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak: HR 7 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3167, NJ 2005/131, AB 2004/439 (Paul/Den Haag). Tot nu toe bestaat die uitzondering op toepassing van de formele rechtskracht slechts in theorie.
Eerst moet de bestuursrechtelijke procedure worden doorlopen: HR 26 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB9183, NJ 1989/528 (Hot Air/Staat). In HR 23 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AX3070, NJ 2007/503, AB 2009/30 (Van Suchtelen/DNB), rov. 3.4 was sprake van bijzondere omstandigheden omdat pas later duidelijk was geworden dat Van Suchtelen belanghebbende was bij een besluit, terwijl dat besluit formele rechtskracht had verkregen. In dat geval hoefde hij niet alsnog gebruik te maken van de bestuursrechtelijke weg, aangezien hij alleen schadevergoeding vorderde.
HR 26 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3382, NJ 2000/561 (Noord-Brabant/Janse), rov. 3.4 en de annotatie van Van Ravels, m.n. onder 3 en 5 AB 2007/12 bij CRvB 9 december 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU7749. Van Ravels ziet Kuijpers/Valkenswaard als een uitzondering op dit beginsel. Zie ook Van der Veen 2009, onder 2 en Van Ettekoven 2006, onder 3, sub 2.
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 29 mei 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:4844, rov. 4.2-4.5; Rb. ’s-Gravenhage 8 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6438, rov. 4.1 en Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:3989, rov. 2.17.
Voorbereidingshandelingen zijn niet nader gedefinieerd in de jurisprudentie. Uiteindelijk gaat het om de vraag of de handelingen zelfstandig zijn, niet of zij als voorbereidingshandelingen kunnen worden aangemerkt. Zie bijv. Van der Grinten 2008, onder 5.1 en de conclusie van A-G Keus voor HR 9 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3776, JB 2008/22 (Euroase Hotel Bergen), onder 2.22.
Die onduidelijkheid heeft ertoe geleid dat sommigen het afschaffen van het criterium bepleiten, zie bijv. Roozendaal 2019a, p. 191-195.
Tak 2004: de reikwijdte strekt tot waarover de bestuursrechter kan oordelen, en niet verder dan dat.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, AB 2016/343 (Onteigening SNS Reaal en SNS Bank), rov. 4.5.2. Herhaald in HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128, NJ 2015/266, AB 2016/344 (KB-Lux), rov. 3.3.4 en HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:833, NJ 2021/233 (Formele rechtskracht boedelschulden), rov. 2.5.4. Zie hierover Van Angeren 2017, p. 60-63.
HR 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:661, NJ 2015/361, AB 2016/343 (Onteigening SNS Reaal en SNS Bank), rov. 4.26.2. Die regel geldt eveneens voor vernietigde besluiten, zie HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738, NJ 2019/213, AB 2019/418 (Gebondenheid oordeel bestuursrechter schuldsanering). Vgl. het doorwerken van de onaantastbaarheid van een besluit in daarop gebaseerde besluiten, Van Ettekoven 2006, onder 3.1, e: de onaantastbaarheid ziet strikt genomen niet op feiten en omstandigheden die aan een besluit ten grondslag liggen. Zie CBb 17 juli 2018, ECLI:NL:CBB:2018:342, AB 2018/310, rov. 4.1.
Net zoals het de civiele rechter ook na de vernietiging van een besluit (nog steeds) vrij staat om zelfstandig de voorbereidingshandelingen te beoordelen: de onrechtmatigheid van een besluit brengt niet automatisch met zich dat alle daaraan voorafgaande handelingen eveneens onrechtmatig zijn.
Polak 2019a, p. 40. Zie ook mijn annotatie JB 2019/119 bij HR 17 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:738, NJ 2019/213, AB 2019/418 (Gebondenheid oordeel bestuursrechter schuldsanering).
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, AB 2019/519, JB 2019/158, m.nt. D.G.J. Sanderink (Prejudiciële vragen aardgaswinning). Sanderink vindt de overwegingen van de Hoge Raad over de formele rechtskracht ‘spectaculair, omdat zij belangrijke en nieuwe beperkingen stellen aan de toepassing van dat leerstuk’. Sanderink & Schlössels 2019 menen eveneens dat de beslissing de formele rechtskracht relativeert.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, AB 2019/519, rov. 2.8.4. Daarnaast wijst de Hoge Raad op het toetsingskader van de instemmingsbesluiten op grond waarvan de mogelijkheid bestaat om rechtsgeldig met een winningsplan in te stemmen waarmee rechten van omwonenden worden aangetast (rov. 2.8.5). In geval van het verlenen van toestemming voor een schadetoebrengende activiteit, mogen de betrokken derden in beginsel erop vertrouwen dat het door de overheid uit te voeren onderzoek naar behoren plaatsvindt zodat niet van derden mag worden gevergd dat zij beroep instellen tegen het in dit verband te nemen besluit (louter) om in een bestuursrechtelijke procedure nader te laten onderzoeken en vaststellen of die risico’s zich wel voordoen (rov. 2.8.6). Zie voor een geslaagd beroep op die criteria Rb. Den Haag 14 september 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:9119 over de verhouding tussen rechtmatige vergunningen aan veehouders en stankoverlast in strijd met art. 8 EVRM.
HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, NJ 2020/391, AB 2019/519, rov. 2.8.3.
Kritisch op de beslissing van de Hoge Raad: Franssen & Van de Sande 2020, par. 2.1. Zij stellen dat de uitspraak weliswaar leidt tot een maatschappelijk gewenste uitkomst voor Groningen, maar rechtsonzekerheid creëert daarbuiten. Kortmann 2020 noemt ‘de meest schokkende conclusie’ dat de Hoge Raad de rechtsbescherming van de bestuursrechter in sommige gevallen ontoereikend lijkt te achten (par. 3) en stelt dat de uitspraak een bres in het bastion van de formele rechtskracht heeft geslagen.
Zoals ik hierna uiteenzet in par. 5.3 is dit niet wat in Kuijpers/Valkenswaard is geoordeeld en past hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen binnen bestendige rechtspraak. Roozendaal 2019b merkt op dat ook ‘impliceren’ in strijd is met de rechtmatigheidsfictie die is verbonden aan de formele rechtskracht.
Dit blijkt immers reeds uit de rechtspraak Overzee/Zoeterwoude en Etam/Zoetermeer, zie hierna par. 5.4 en par. 5.5.
Zie ook Asser/Sieburgh 6-IV 2019/378. Sieburgh plaatst de prejudiciële beslissing in de algemene leer van de formele rechtskracht: de formele rechtskracht van een besluit staat niet zonder meer in de weg aan een vordering tot schadevergoeding op grond van onrechtmatig overheidsoptreden niet zijnde een besluit.
In de literatuur hebben veel auteurs zich reeds gebogen over de vraag hoe het criterium van Kuijpers/Valkenswaard nader invulling moet worden gegeven. Zo heeft Van Ommeren gesteld dat de zelfstandigheid afhankelijk is van de vraag of de inhoud van de inlichting hetzelfde is als de inhoud van het latere besluit: bij inhoudelijke gelijkheid, is niet snel sprake van zelfstandigheid (Van Ommeren, AB 2006/286 bij Kuijpers/Valkenswaard). Schueler 2004, p. 86 is dezelfde mening toegedaan. A-G Spier hecht in zijn conclusie voor Kuijpers/Valkenswaard (ECLI:NL:PHR:2005:AT7774) ook veel waarde aan het gebrek aan inhoudelijke discrepantie tussen de inlichting en het daarna genomen besluit (onder 6.8.4 en 7.8). Onder 3.31 van zijn conclusie voor Etam/Zoetermeer (HR 8 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP3057, NJ 2011/463, AB 2011/298) zoekt A-G Keus het verschil in uitkomst voor Kuijpers en Bolsius eveneens deels in de inhoudelijke discrepantie tussen de inlichting en het daarna genomen besluit in het geval van Bolsius. Van der Grinten 2008 volgt die benadering niet en ziet het als volgt: de onrechtmatigheid van het handelen moet los van het besluit zijn vast te stellen en geen sprake mag zijn van voldoende bestuursrechtelijke rechtsbescherming tegen de onjuiste inlichting. Onder 5.8 geeft hij als voorbeeld onjuiste inlichtingen en toezeggingen in strijd met het recht. Van de Sande 2015, p. 255-264 hecht er veel waarde aan dat de vordering uit moet kunnen gaan van de rechtmatigheid van het genomen besluit. Zie voor een bespreking van de overige commentaren Van der Grinten 2008, onder 3 en Van Triet 2018.
Zie hoofdstuk 3 en 4.
Welke mogelijkheden bestaan er om een succesvolle vordering bij de civiele rechter in te stellen als na het scheppen van verwachtingen een besluit wordt genomen dat ofwel niet wordt aangevochten, ofwel bij de bestuursrechter in stand blijft? Het besluit heeft dan zogenoemde formele rechtskracht verkregen. De leer van de formele rechtskracht houdt in dat de civiele rechter een appellabel besluit voor rechtmatig houdt als een belanghebbende daar niet binnen de bezwaar- of beroepstermijn tegen opkomt of als een besluit na een bestuursrechtelijke procedure niet is vernietigd, herroepen of ingetrokken.1 Alsdan wordt het besluit zowel naar zijn wijze van totstandkoming als naar zijn inhoud geacht in overeenstemming te zijn met de wet en algemene rechtsbeginselen.2
In de jurisprudentie worden meerdere doelen voor het leerstuk van de formele rechtskracht onderscheiden. Het leerstuk strekt tot een afbakening tussen de taken van de bestuursrechter en de civiele rechter en vult de rechtsmachtverdeling nader in. Naast de kerngedachte van een doelmatige taakverdeling (ook wel de specialisatiegedachte3), zijn nog twee doelen te onderscheiden, te weten het bevorderen van de rechtszekerheid4 en de rechtseenheid door het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken.
Met die doelen in het achterhoofd heeft de Hoge Raad nadere regels geformuleerd voor het aannemen van uitzonderingen op en beperkingen van de reikwijdte van de formele rechtskracht. De Hoge Raad neemt – gelet op de onontbeerlijkheid van het beginsel5 – slechts zelden een uitzondering op de formele rechtskracht aan. Daarvoor moet sprake zijn van bijkomende ‘klemmende omstandigheden’. In de regel wordt een tweedeling gemaakt in de volgende categorieën van uitzonderingen: (i) de burger is door de overheid op het verkeerde been gezet ten aanzien van de aard van het besluit en (ii) de overheid heeft de onrechtmatigheid van het besluit zelf erkend.6 Deze door de Hoge Raad geformuleerde uitzonderingen zijn ook echt uitzonderlijk, zij worden slechts zelden aangenomen.7
Relevant voor de vertrouwensschending van dit onderzoek is dat het enkel instellen van een (civiele) vordering tot vergoeding van schade veroorzaakt door een besluit (waarbij eiser ‘zich neerlegt’ bij het besluit en hier dus geen bestuursrechtelijke rechtsmiddelen tegen heeft aangewend) onvoldoende reden is om een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht te rechtvaardigen.8
Als uitgangspunt geldt dat alleen een appellabel besluit formele rechtskracht verkrijgt en niet tevens alle met het besluit samenhangende handelingen.9 De formele rechtskracht heeft betrekking op het rechtsgevolg van een besluit. Het lijkt daarom op het eerste gezicht zo te zijn dat een burger bij de civiele rechter terecht kan met de stelling dat een overheid heeft gehandeld in strijd met gewekt vertrouwen: bevoegdhedenovereenkomsten, toezeggingen en inlichtingen zijn geen besluiten in de zin van de Awb zodat de formele rechtskracht van een besluit in beginsel niet direct op die handelingen ziet.10 Onduidelijkheid over de mogelijkheid om de civiele rechter te benaderen ontstaat bij een samenhang tussen de aan het besluit voorafgaande overheidsuitlatingen (zogenoemde ‘voorbereidingshandelingen’11) en het appellabele besluit.12 Uitlatingen kunnen dusdanig onlosmakelijk samenhangen met een daarna genomen besluit, dat zij onder de formele rechtskracht van dat besluit vallen en niet meer ter beoordeling aan de civiele rechter kunnen worden voorgelegd. Of sprake is van een onlosmakelijke samenhang, wordt beoordeeld aan de hand van het in het arrest Kuijpers/Valkenswaard ontwikkelde samenhangcriterium. In dat arrest drukt de Hoge Raad dat criterium uit als ‘inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen’ en daardoor worden gedekt door de formele rechtskracht van het rechtmatige besluit.
De onduidelijkheid in het kader van een vertrouwensschending ziet op de reikwijdte van de formele rechtskracht van een besluit en niet op de uitzonderingen op de formele rechtskracht. De formele rechtskracht van een besluit dat het onderwerp is geweest van een bestuursrechtelijke toetsing dekt niet alle handelingen die hebben plaatsgevonden in de aanloop naar dat besluit.13 De civiele rechter maakt een onderscheid tussen de uitkomst van de procedure bij de bestuursrechter en de overwegingen die aan die uitkomst ten grondslag liggen. De Hoge Raad oordeelde in de beschikking over de onteigening van SNS Reaal en SNS bank dat hij op grond van de leer van de formele rechtskracht van de rechtmatigheid van het relevante besluit moest uitgaan. Het beginsel van formele rechtskracht brengt echter ‘niet mee dat de burgerlijke rechter bij de beoordeling van een kwestie die niet de geldigheid van het besluit betreft, is gebonden aan de inhoudelijke overwegingen die ten grondslag liggen aan het oordeel van de bestuursrechter over dat besluit’.14 De civiele rechter hoeft niet de motivering of de feitenvaststelling van de bestuursrechter over te nemen, maar moet alleen het rechtsgevolg van diens uitspraak over het besluit respecteren.15 Voor het vertrouwensbeginsel betekent dit, dat wanneer dit beginsel is aangevoerd in een bestuursrechtelijke procedure maar het beroep daarop door appellant niet heeft geleid tot vernietiging van het besluit, de civiele rechter die overwegingen over het vertrouwensbeginsel in zijn procedure niet zonder meer hoeft over te nemen. Het staat hem (binnen de nader in dit hoofdstuk uiteen te zetten grenzen) vrij om, uitgaande van de rechtmatigheid en geldigheid van het besluit, zelf te oordelen over de vertrouwensschending.16 Die toepassing van de formele rechtskracht past binnen een bestendige lijn in de rechtspraak waarin de civiele rechter de formele rechtskracht niet te ver oprekt omdat er geen hiaten in de rechtsbescherming mogen ontstaan in die zin dat de rechtmatigheid van bepaald overheidshandelen niet ter discussie kan worden gesteld.17
Voor een vertrouwensschending betekent dit dat een afwijzing van een vergunningaanvraag rechtmatig kan zijn, terwijl de gevolgen van niet-nakoming van een toezegging of bevoegdhedenovereenkomst of onjuiste informatieverstrekking die met dat besluit samenhangen alsnog ter toetsing aan de civiele rechter kunnen worden voorgelegd.
De beantwoording van de prejudiciële vragen in het Groningendossier door de Hoge Raad moet mijns inziens eveneens worden geplaatst in het licht van het bieden van voldoende (civiele) rechtsbescherming en het beperken van de reikwijdte van de formele rechtskracht.18 De vraag of de formele rechtskracht van zogenoemde instemmingsbesluiten (besluiten van de minister waarmee hij op grond van artikel 34 lid 3 Mijnbouwwet instemt met een winningsplan voor het winnen van delfstoffen) in de weg staat aan aansprakelijkheid van de Staat voor het onvoldoende treffen van voorzorgsmaatregelen om schade als gevolg van de gaswinning zoveel mogelijk te voorkomen, beantwoordt de Hoge Raad in die beslissing ontkennend. De Hoge Raad geeft daarvoor een aantal redenen.19 Hij overweegt onder andere dat de grondslag van de vordering aanmerkelijk meer omvat dan de onrechtmatigheid van de besluiten, zodat reeds daarom de formele rechtskracht van die besluiten niet in de weg staat aan beoordeling van de gestelde aansprakelijkheid van de Staat.20 Verder overweegt de Hoge Raad dat het oordeel van de civiele rechter kan ‘impliceren dat een besluit waaraan formele rechtskracht toekomt, onjuist of gebrekkig tot stand is gekomen’.21
De prejudiciële beslissing heeft tot gemengde reacties geleid.22 Opgemerkt is dat die overweging niet in lijn is met Kuijpers/Valkenswaard omdat daarin juist zou zijn overwogen dat het leerstuk onaanvaardbaar zou worden uitgehold indien het oordeel van de burgerlijke rechter over inlichtingen zou impliceren dat een besluit gebrekkig is.23 Volgens mij past hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen wel degelijk binnen de eerdere vastgestelde beperking van de reikwijdte van de formele rechtskracht en heeft de Hoge Raad slechts willen opmerken dat voor zover sprake is van zelfstandige onrechtmatige handelingen, dit overheidshandelen ‘gewoon’ (ook als sprake is van rechtmatige besluiten die enige samenhang met dit handelen vertonen) aan de civiele rechter kan worden voorgelegd.24 Mijns inziens is geen sprake van een wijziging van de met Kuijpers/Valkenswaard ingezette koers ten aanzien van de uitleg van de formele rechtskracht.25 In de hiernavolgende paragrafen wordt duidelijk dat deze overweging van de Hoge Raad past binnen de bestaande rechtspraak.
Tegen bovengenoemde achtergrond is het tijd om de jurisprudentie te analyseren waarin de samenhang tussen voorbereidingshandelingen (de overheidsuitlatingen van dit onderzoek, een bevoegdhedenovereenkomst, eenzijdige toezegging en inlichting) en het daaropvolgende besluit centraal staat. Voor de beantwoording van de vraag hoe het samenhangcriterium tussen een voorbereidingshandeling die samenhangt met een rechtmatig appellabel besluit moet worden ingevuld is het volgende al vastgesteld. Met de rechtmatigheid van het besluit – vastgesteld in de bestuursrechtelijke kolom in een procedure of omdat het besluit niet is aangevochten – als uitgangspunt, moet een burger een vordering instellen in het civiele spoor. Indien een belanghebbende zonder succes bestuursrechtelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, is het zo dat de civiele rechter het rechtsgevolg van de uitspraak van de bestuursrechter moet respecteren zonder dat hij de motivering of feitenvaststelling van die uitspraak van de bestuursrechter hoeft over te nemen.
In de hiernavolgende paragrafen analyseer ik het samenhangcriterium voor de verschillende overheidsuitlatingen. Wanneer kan een schending in de vorm van gerechtvaardigd vertrouwen in de vorm van onjuiste inlichtingen of een niet nagekomen toezegging of bevoegdhedenovereenkomst aan de civiele rechter worden voorgelegd? Voor het antwoord op die vragen moeten we het criterium van ‘zelfstandigheid’ onder de loep nemen: dit is immers het criterium op basis waarvan de civiele rechter de samenhang tussen de voorbereidingshandeling en het besluit vaststelt indien een overheid zich beroept op de formele rechtskracht van een besluit.26 Nu het samenhangcriterium voor het eerst is geformuleerd in een zaak over inlichtingen, behandel ik – in tegenstelling tot de gebruikelijke volgorde – deze overheidsuitlating als eerste. Daarna analyseer ik – in oplopende civielrechtelijke binding27 – het samenhangcriterium bij toezeggingen (paragraaf 5.4) en bevoegdhedenovereenkomsten (paragraaf 5.5).