Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.5.3
2.5.3 Doel en strekking van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950318:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de functies van het algemene opschortingsrecht § 2.5.4.
Vgl. § 2.4. Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5168, r.o. 4.6.
Zie § 2.5.2.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212 bij art. 6:54 aanhef en onderdeel b BW.
In geval van opschorting op grond van de enac zijn onder andere art. 6:54 aanhef en onderdeel b en art. 6:55 BW niet van toepassing (art. 6:264 BW).
Voor zover andere verbintenissen over en weer resteren, waartussen voldoende samenhang bestaat om opschorting te rechtvaardigen, kan de schuldenaar opschortingsbevoegd blijven.
Zie § 2.5.2.
Behoudens voor zover de schuldenaar na ontbinding opschortingsbevoegd zou zijn vanwege wederzijdse ongedaanmakingsverbintenissen of een ongedaanmakingsverbintenis en schadevergoedingsvordering (zie § 4.3.3).
Vgl. Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 212 en p. 996, alsook HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4279, NJ 2000/307, m.nt. J.B.M. Vranken (Meissner von Hohenmeiss c.s./Arenda), r.o. 3.3, over opschorting als inleiding op ontbinding.
Uiteraard verlangt de schuldenaar nog wel nakoming voor zover na verrekening een deel van zijn vordering zou resteren.
Zie § 2.3. Vgl. Rb. Gelderland 12 juli 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4058, r.o. 4.66, die een beroep op opschorting passeert, maar aanmerkt ‘als tijdelijke maatregel om schadevergoeding of verrekening te bereiken’.
Het tijdelijke karakter van het algemene opschortingsrecht sluit aan op het doel en de strekking van dit recht, alsook de functies daarvan.1 De uitoefening van het algemene opschortingsrecht is gericht op nakoming door de wederpartij.
De schuldenaar streeft met de uitoefening van het algemene opschortingsrecht na dat zijn wederpartij zelf nakomt, in het moment waarin die wederpartij nakoming van hem verlangt.2 Dit doel en deze strekking komen op verschillende wijzen tot uitdrukking in de algemene opschortingsregeling. Ten eerste eindigt de opschortingsbevoegdheid van de schuldenaar als zijn vordering is tenietgegaan, bijvoorbeeld door voldoening, of om een andere reden niet meer bestaat, dan wel wanneer de schuldenaar geen nakoming van zijn vordering meer wenst.3 Dat nakoming door de wederpartij het doel is van het algemene opschortingsrecht blijkt ook uit de bepaling dat geen opschortingsbevoegdheid bestaat als zich omstandigheden voordoen die aan de nakoming door de wederpartij in de weg staan, waaronder schuldeisersverzuim van de schuldenaar en blijvende onmogelijkheid van nakoming door de wederpartij (art. 6:54 aanhef en onderdelen a en b BW). Wanneer de wederpartij blijvend verhinderd is haar verplichting na te komen, heeft opschorting ‘geen zin’.4 Voorts kan een opschortingsbevoegdheid vervallen als de wederpartij voor de voldoening van haar verbintenis zekerheid heeft gesteld (art. 6:55 BW). In dergelijke gevallen is een opschortingsbevoegdheid, die is gericht op het verkrijgen van nakoming door de wederpartij, zonder betekenis.5
Het algemene opschortingsrecht wordt ook wel uitgeoefend met het oog op eventuele verrekening of, in geval van verbintenissen uit overeenkomst, eventuele ontbinding. Toch denk ik niet dat verrekening en ontbinding tot het doel en de strekking van het algemene opschortingsrecht moeten worden gerekend. De schuldenaar die gebruikmaakt van zijn opschortingsbevoegdheid streeft nakoming van zijn vordering door zijn wederpartij na. De schuldenaar beoogt niet dat hij zelf zal nakomen middels verrekening of dat hij niet meer behoeft na te komen na ontbinding. Hij stelt de nakoming van zijn verbintenis immers uit, met de bedoeling die verbintenis alsnog na te komen als zijn wederpartij is nagekomen.
Niettemin kan de schuldenaar op een zeker moment besluiten een verrekenings- of ontbindingsverklaring uit te brengen. In het geval van een verrekeningsverklaring is hij het zelf die de uitoefening van zijn opschortingsbevoegdheid onderbreekt door de nakoming van zijn verbintenis niet meer uit te stellen, maar die verbintenis middels verrekening te voldoen. Door een verrekeningsverklaring gaan zijn vordering en verbintenis tot hun gemeenschappelijk beloop teniet en verliest hij zijn opschortingsbevoegdheid vanwege die wederzijdse verbintenissen.6 In zoverre heeft de schuldenaar dan gelijktijdige voldoening van zijn vordering verkregen, maar niet doordat zijn wederpartij haar verbintenis is nagekomen, maar doordat hijzelf zijn verbintenis nakwam. In het geval waarin de schuldenaar een ontbindingsverklaring uitbrengt of in rechte ontbinding vordert, wenst hij zijn verbintenis niet meer na te komen of wenst hij dat de nakoming daarvan ongedaan wordt gemaakt. De schuldenaar beoogt dan geen uitstel, maar afstel van de nakoming van zijn verbintenis. Dat is in beginsel niet waartoe de uitoefening van het algemene opschortingsrecht kan leiden.7
De uitoefening van het algemene opschortingsrecht staat in beginsel niet in de weg aan het alsnog uitbrengen van een verrekenings- of ontbindingsverklaring, maar vanaf het moment dat aan de voorwaarden voor verrekening of ontbinding is voldaan en die verklaring van de schuldenaar zijn wederpartij heeft bereikt, vervalt zijn opschortingsrecht.8 In de gevallen waarin de schuldenaar alsnog een verrekenings- of ontbindingsverklaring uitbrengt, ging de uitoefening van het algemene opschortingsrecht vooraf aan die verrekening of ontbinding.9 Tot het moment waarop de schuldenaar zijn verrekenings- of ontbindingsverklaring uitbrengt of in rechte ontbinding vordert, streeft hij nakoming door zijn wederpartij en zichzelf na. Bij verrekening of ontbinding stelt de schuldenaar echter geen nakoming meer uit en verlangt hij geen nakoming meer van zijn wederpartij.10 Daarom denk ik niet dat verrekening en ontbinding tot het doel of de strekking van het algemene opschortingsrecht moeten worden gerekend. De schuldenaar kan in aanloop naar ontbinding wel bevoegd zijn om zijn verbintenis niet na te komen, maar schort die nakoming dan niet op, maar stelt die af. Op die bevoegdheid kunnen de daarvoor geschikte bepalingen uit de algemene opschortingsregeling wel van overeenkomstige toepassing zijn.11