Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/2.5.2
2.5.2 Het tijdelijke karakter van het algemene opschortingsrecht
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950375:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Zeeland-West-Brabant 22 februari 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:1896, r.o. 5.6; Rb. Noord-Holland 22 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5725, r.o. 5.4; Rb. Rotterdam 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6116, r.o. 5.4 en Rb. Arnhem 28 januari 2004, ECLI:NL:RBARN:2004:AO5212, r.o. 85 (slotzin). Vgl. Rb. Midden-Nederland (vzr.) 13 januari 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:51, r.o. 4.13.
Het niet reserveren van het geld kan worden uitgelegd als afstel i.p.v. uitstel van de betalingsverplichting (Rb. Limburg (vzr.) 9 december 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:9305, r.o. 4.4.2). Wanneer door het niet reserveren van het geld betalingsonmacht van een rechtspersoon ontstaat, kan dat een persoonlijk ernstig verwijt aan een bestuurder van een rechtspersoon opleveren en leiden tot bestuurdersaansprakelijkheid (zie bijv. Hof Amsterdam 27 december 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:3666, r.o. 3.14).
Zie HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8146, NJ 1991/23 (Knoester/Hulsbergen) in geval van een opschortingsrecht op grond van de enac. Zie hierover in de context van art. 6:52 BW en art. 6:262 BW Hof ’s-Hertogenbosch 5 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4066, r.o. 6.6.3. Zie voorts Rb. Noord-Nederland 20 juli 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:2581, r.o. 4.6 en Rb. Midden-Nederland 23 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:1192, r.o. 5.9. Vgl. ook HR 21 februari 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0520, NJ 1992/337 (Xerox/Proexport), r.o. 3.3 en HR 19 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0206, NJ 1989/343, m.nt. C.J.H. Brunner (Droog/Bekaert), r.o. 3.3, en i.h.b. par. 1 van de annotatie.
Zie bijv. Hof Den Haag 17 november 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3088, r.o. 8.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 21 maart 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:916, r.o. 6.7.2; Rb. Noord-Holland 17 mei 2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:4352, r.o. 5.6; Rb. Midden-Nederland 22 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1299, r.o. 4.7; Rb. Gelderland 11 januari 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:78, r.o. 5.51; Rb. Rotterdam 1 juni 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:4312, r.o. 4.2 (“Opschorting is een tijdelijke maatregel die de schuldenaar (…) niet bevrijdt van zijn verplichtingen.”) en zowel Rb. Amsterdam 9 februari 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:773, r.o. 4.13 als Rb. Noord-Holland 15 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11573, r.o. 5.3 (“Opschorting leidt niet tot bevrijding, maar tot uitstel van nakoming.”). Zie ook Rb. Zeeland-West-Brabant 19 juli 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:5168, r.o. 4.6 (‘ontheft’).
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/77. Zie ook Vermeij 2022, p. 783 en Asser/Hijma 7-I 2019/564.
Zie bijv. HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7930, RvdW 2006/908 (Wiener Int.), waarin de klacht dat de opschorting van de werkzaamheden gevolgd door ontbinding verval van de verbintenis betekende, door de Hoge Raad is verworpen met een beroep op art. 81 RO; Rb. Overijssel 23 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:6030, r.o. 4.1 en Rb. Gelderland (vzr.) 11 maart 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:1414, r.o. 4.5. Zie ook HR 19 februari 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD0206, NJ 1989/343, m.nt. C.J.H. Brunner (Droog/Bekaert), r.o. 3.3 en Rb. Midden-Nederland 9 augustus 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:3230, r.o. 3.7.
Zie § 2.7.1 over schuldeisersverzuim als rechtsgevolg van een gegrond beroep op het algemene opschortingsrecht.
Zie bijv. Rb. Noord-Holland 22 juni 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:5725, r.o. 5.4 en Rb. Overijssel 23 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:6030, r.o. 4.1. Zie ook Rb. Rotterdam 27 januari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:562, r.o. 4.8.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/77. Zie bijv. Rb. Noord-Holland 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBNHO:2022:8952, r.o. 5.3 (“De betalingsverplichting van [gedaagden] komt echter niet te vervallen alleen op grond van een (gestelde) ondeugdelijk geleverde prestatie. Daarvoor is (gedeeltelijke) opschorting dan wel gedeeltelijke (buitengerechtelijke) ontbinding met vermindering van de aanneemsom nodig of een geslaagd beroep op verrekening van schade. Als gevolg van een geldige opschorting worden de verplichtingen van [gedaagden] uitgesteld, een ontbinding maakt dat [gedaagden] wordt bevrijd van zijn verplichtingen. Door verrekening zou de vordering van [eiser] tot het beloop van de schade teniet kunnen gaan.”).
Zie bijv. Rb. Gelderland 4 mei 2022, ECLI:NL:RBGEL:2022:2433, r.o. 4.3-4.12.
Deze formulering wordt met regelmaat in rechtspraak gebruikt. Zie bijv. Hof Den Haag 26 mei 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:1180, r.o. 12; Hof ’s-Hertogenbosch 1 juni 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BQ4302, r.o. 4.12.4; Rb. Limburg 5 oktober 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:7660, r.o. 4.3; Rb. Noord-Holland 18 september 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:7859, r.o. 5.24; Rb. Overijssel 23 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:6030, r.o. 4.1; Rb. Zutphen 6 juni 2007, ECLI:NL:RBZUT:2007:BB5140, r.o. 7.23; Rb. Amsterdam (vzr.) 28 oktober 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:5222, r.o. 6.5 en Rb. Den Haag (vzr.) 25 september 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10461, r.o. 4.6. Vgl. Brunner 1989, par. 1.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 21 maart 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:2364, r.o. 319-3.20 en Hof ’s-Hertogenbosch 4 december 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:5071, r.o. 3.7.1. Zie ook Rb. Noord-Holland 15 december 2021, ECLI:NL:RBNHO:2021:11573, r.o. 5.3-5.5.
Aldus ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/77.
HR 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7930, RvdW 2006/908 (Wiener Int.), waarin het hof oordeelde dat een werknemer zijn werkzaamheden terecht heeft opgeschort en de Hoge Raad de daartegen gerichte klachten verwierp met een beroep op art. 81 RO. Zie ook GEA van Curaçao 29 november 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:266, r.o. 3.11. Zie ook Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/59 en voorts Castermans & Krans, Samenloop (Mon. BW nr. A21) 2019/17 met verdere verwijzingen.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:723, NJ 2020/168, m.nt. red. aant. (X/Medline Hardenberg), r.o. 3.2.1.
GEA van Aruba 4 oktober 2022, ECLI:NL:OGEAA:2022:388, r.o. 4.3.
HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2741, NJ 1998/896 (Van der Hel q.q./Edon Twente), r.o. 3.6; HR 28 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8969, NJ 1985/840 (Luyer/Gemeente Amsterdam), r.o. 3.3 en HR 20 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4169, NJ 1981/640 (Veluwse Nutsbedrijven/Blokland q.q.). Zie ook HR 26 mei 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5950, JOL 2000/318 (Eneco), r.o. 3 (“Het middel faalt op de gronden uiteengezet in de conclusie van de [A-G].”) en de daaraan voorafgaande conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense van 26 mei 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5950, par. 10. Zie ook Rb. Rotterdam 31 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7033, r.o. 4.11; Rb. Rotterdam 27 maart 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2683, r.o. 5.7; Rb. Groningen (vzr.) 5 maart 2003, ECLI:NL:RBGRO:2003:AF5565, KG 2003/93, r.o. 3.7 en Rb. ’s-Hertogenbosch (vzr.) 11 februari 2003, ECLI:NL:RBSHE:2003:AF4337, KG 2003/60, r.o. 3.4.
HR 16 januari 1987, ECLI:NL:HR:1987:AG5513, NJ 1987/554, m.nt. W.C.L. van der Grinten (Tiel Utrecht Schadeverzekeringen/Van de Velde), r.o. 3.3. Zie ook Rb. Rotterdam 10 april 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3353, r.o. 5.4. Zie voorts Streefkerk, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2013/23.2. Zie anders Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/77, die niet uitgaat van opschorting, maar schorsing.
Hof Amsterdam 20 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5514, r.o. 3.11.
Rb. Midden-Nederland 1 mei 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:1848, r.o. 4.9.
Rb. Overijssel 5 maart 2019, ECLI:NL:RBOVE:2019:4962, r.o. 2.9, waarin de kantonrechter evenwel een opschortingstermijn van drie maanden redelijk achtte.
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 augustus 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:7133, r.o. 5.8 (“Het niet nakomen van die verplichting [het verschaffen van het huurgenot] kan naar zijn aard voor het verleden niet meer ongedaan worden gemaakt nadat de grond daarvoor (het niet betalen door [appellant] van vervallen huurtermijnen) zou komen te vervallen. Immers, [geïntimeerde] kan in dat geval aan [appellant] niet alsnog (met terugwerkende kracht) het huurgenot verschaffen over de periode van de ontzegging.”). Zie ook Hof Den Haag 9 oktober 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:2638, r.o. 2.13 en Rb. Amsterdam (vzr.) 20 november 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:7154, r.o. 16. Zie anders concl. A-G W.L. Valk 22 december 2023, ECLI:NL:PHR:2023:1196 en ECLI:NL:PHR:2023:1204.
Vgl. art. 3:290 BW, art. 5:100 lid 1 en lid 3 BW en art. 6:117 BW (‘totdat’).
Zie over het eindigen van het algemene opschortingsrecht § 2.8.
Zie bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 6 juli 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:6525, r.o. 4.9 en Rb. Noord-Nederland 22 maart 2022, ECLI:NL:RBNNE:2022:1298, r.o. 7.16.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 7 juli 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2024, r.o. 3.9.1 (“[geïntimeerde] heeft niet toegelicht dat hij in de periode van het vertrek van de bouw door [de vennootschap 1] tot heden enige werkzaamheden heeft laten verrichten met betrekking tot de hoogte of de kleur om de toestand van de afwerkvloeren te verbeteren.”) en Hof ’s-Hertogenbosch 15 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:929, r.o. 4.6.1.
Een op het algemene opschortingsrecht gegrond verweer is tijdelijk van aard.
Het tijdelijke karakter van het algemene opschortingsrecht blijkt uit de bepaling dat een schuldenaar op grond van artikel 6:52 lid 1 BW bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis op te schorten. Het opschorten of uitstellen van de nakoming van de verbintenis betekent dat de schuldenaar gehouden blijft tot nakoming van die verbintenis. Zodra de opschortingsbevoegdheid is geëindigd, is de schuldenaar onverminderd gehouden tot nakoming van zijn verbintenis. In een enkel geval ziet de rechter aanleiding dat expliciet op te merken.1 De schuldenaar dient er ook voor te zorgen dat hij in staat is om zijn verbintenis alsnog na te komen. Wanneer zijn verbintenis een betalingsverplichting betreft, zal hij het geld daarvoor moeten reserveren.2
De uitoefening van een opschortingsrecht leidt dan ook niet tot verval,3 tenietgaan4 of bevrijding5 van de verbintenis.6 Wenst de schuldenaar zijn verbintenis niet meer na te komen, dan zal hij in voorkomend geval zijn toevlucht moeten zoeken in juridische instrumenten die tot gevolg hebben dan hij van zijn verbintenis zal zijn bevrijd, zoals ontbinding.7 Ook kan de schuldenaar, voor zover de uitoefening van het algemene opschortingsrecht leidt tot schuldeisersverzuim van de wederpartij, van de rechter vorderen dat deze zal bepalen dat hij van zijn verbintenis zal zijn bevrijd (art. 6:60 BW).8 Tevens kan de schuldenaar, voor zover van toepassing, een vordering tot huurprijsvermindering instellen.9 Soms wordt in dit verband ook wel bevrijding van verbintenissen door verrekening genoemd, maar in geval van verrekening gaan de verbintenissen over en weer tot hun gemeenschappelijk beloop teniet (art. 6:127 lid 1 BW).10 Voorts kan de schuldenaar van zijn oorspronkelijke verbintenis tot afgifte van een beperkt houdbaar of anderszins bezwaarlijk te bewaren goed worden bevrijd door een bevoegde verkoop op grond van artikel 6:90 BW. In plaats van zijn oorspronkelijke verbintenis zal hij echter wel gehouden zijn de verkoopopbrengst af te dragen, in verband waarmee hij dan mogelijk eveneens een opschortingsrecht heeft.11 Aldus leidt de uitoefening van een opschortingsrecht tot uitstel, niet tot afstel van de verbintenis.12 De schuldenaar die bij wijze van opschorting zijn werkzaamheden definitief staakt en dus afstelt, kan zonder ingebrekestelling in verzuim komen te verkeren op grond van artikel 6:83 aanhef en onderdeel c BW.13
Ondanks dat de uitoefening van het algemene opschortingsrecht niet leidt tot bevrijding of verval van de verbintenis, is in een aantal gevallen wel aanvaard dat de schuldenaar de nakoming van een voortdurende verbintenis opschort. De nakoming van een dergelijke verbintenis kan naar zijn aard niet op een later moment plaatsvinden. De schuldenaar kan de nakoming van de verbintenis over de periode waarin hij deze bevoegd opschortte niet ‘inhalen’. Zodra zijn opschortingsbevoegdheid eindigt, kan de schuldenaar de nakoming slechts hervatten.14 De uitoefening van het opschortingsrecht leidt dan feitelijk wel tot afstel van de nakoming van de verbintenis. Voorbeelden van dergelijke voortdurende verbintenissen waarvan wel is aanvaard dat het mogelijk is de nakoming op te schorten, zijn de opschorting van werkzaamheden door een werknemer,15 de opschorting van re-integratieverplichtingen,16 de opschorting van de verplichting in bedrijfsuniform te werken,17 de opschorting van de levering van nutsvoorzieningen,18 de opschorting van verzekeringsdekking,19 de opschorting van het verlenen van kinderopvang,20 de opschorting van voortdurende marketingactiviteiten21 en de opschorting van de verplichting een abonnementhouder toe te laten tot een sportschool.22 Daarentegen is van de verplichting van de verhuurder tot het verschaffen van huurgenot wel geoordeeld dat die naar zijn aard niet kan worden opgeschort.23
Het tijdelijke karakter van de opschortingsbevoegdheid blijkt tevens uit de bepaling dat de schuldenaar deze bevoegdheid heeft tót voldoening van zijn vordering plaatsvindt (art. 6:52 lid 1 BW).24 Het algemene opschortingsrecht eindigt als die vordering is tenietgegaan, bijvoorbeeld door voldoening, of om een andere reden niet meer bestaat.25 Daaruit volgt dat de schuldenaar slechts tijdelijk – voor de duur van het bestaan van zijn opeisbare vordering op zijn wederpartij, waarvoor evenmin zekerheid is gesteld en waarvan nakoming niet blijvend onmogelijk is – een hem toekomend opschortingsrecht kan inroepen.26 Voorts vervalt de opschortingsbevoegdheid van de schuldenaar als hij geen nakoming van zijn vordering meer wenst.27