De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/10.4.1:10.4.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/10.4.1
10.4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS381165:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een groot deel van het verrichte onderzoek heeft betrekking op de verweermiddelen die een schuldenaar aan een vordering tot nakoming kan tegenwerpen. De rechtsvordering tot nakoming van de schuldeiser houdt immers op daar waar de schuldenaar zich met succes tegen die vordering verweert. Daarmee kom ik toe aan de derde deelvraag die aan de orde is gesteld: Met welke stellingen kan de schuldenaar zich tegen een vordering tot nakoming verweren?
Deze deelvraag is beantwoord in de hoofdstukken 4 t/m 7. De stellingen waarop de schuldenaar zich kan beroepen als verweer tegen een vordering tot nakoming zijn achtereenvolgens: het persoonlijk karakter van de verbintenis (hoofdstuk 4), overmacht (hoofdstuk 5), de onevenredige nadeligheid van nakoming, ook wel relatieve onmogelijkheid genoemd (hoofdstuk 6) en de gedeeltelijke of tijdelijke onmogelijkheid van nakoming (hoofdstuk 7). In deze hoofdstukken ben ik onder andere nagegaan of de grenzen die deze verweermiddelen ten aanzien van het recht op nakoming vormen, zouden moeten worden aangescherpt, uitgebreid dan wel beperkt.