Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/2.1.1
2.1.1 Inleiding
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977373:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kabinetsvoorstel vrijheid aan voorwaarden te verbinden (23 december 2022).
Vgl. Amendement-Van Meenen/Rog over het democratisch burgerschap in plaats van actief burgerschap, Kamerstukken II 2020/21, 35352, nr. 14.
Brugmans 2005, p. 60-61.
Hendriks 2006, p. 75.
T. Jansen, ‘Over woede en rechtvaardigheid. Liberale democratie als het einde of het einde van de liberale democratie’, Bestuurskunde Winter 2017, 4.
Zie: M. Terpstra, ‘Postliberalisme en de crisis van de moderne maatschappij’, in: Overeem & Ten Napel 2021, p. 65-82, Engelen 2021 en Gray 1993.
Hendriks 2006, p. 42, 124-125.
T. Eijsbouts, ‘Quo vadis civis’, in: Kloek & Tilmans 2002, p. 354-355.
A. Kinneging, Geografie van goed en kwaad. Filosofische essays, Utrecht: Het Spectrum 2005, p. 61 e.v.
Ibid., p. 64.
Ibid., p. 64-65.
Eijsbouts 2002, p. 159, 195-196 en F. Hendriks, Vitale democratie. Theorie van democratie in actie, Amsterdam: AUP, p. 124 e.v.
Kennedy 2014.
Ibid., p. 9.
Vgl. R. Steenvoorde 2013, p. 277 (‘Burgerschap is een roeping om zelf iets kleiner te worden, zodat ook een ander kan groeien. Opdat ieder telt, en heel de mens telt’).
Ibid., p. 9.
Ibid., p. 14.
Ibid., p. 10.
F. van Houdt & W. Schinkel, ’Aspecten van burgerschap. Een historische analyse van de transformaties van het burgerschapsconcept in Nederland’, b en m 2009, I, p. 49 e.v. en G. Groot, ’De identiteit van de staat’, Trouw 24 juli 2018, p. 9.
Zoontjens 2019, p. 7.
Ibid., p. 9, 39; Kamerstukken II 2004/05, 29666, nr. 9, p. 1.
Ibid., p. 9.
Kamerstukken II,2004/05, 29959, nr. 3, p. 2; Zoontjens 2019, p. 13.
Zoontjens 2019, p. 14; M. de Winter, Democratieopvoeding versus de code van de straat, (oratie UU), Universiteit Utrecht 2000, p. 3-8.
Curs.W.; Zoontjens 2019, p. 14-15.
Curs.W; Ibid., p. 15.
Ibid., p. 15.
Curs.W; Ibid., p. 15, 39; Commissie-Schnabel, Ons Onderwijs 2032, Den Haag 2014, p. 34.
Burgers en de rechten en plichten
Burgerschap is te onderscheiden in vier dimensies van rechtspositie, rechten, participatie en identiteit. De rechtspositie gaat over de formele eisen. Deze zien op het recht om toegelaten te worden tot en te verblijven in het land waarvan men burger is, en op het nakomen van de plichten die samenhangen met burgerschap zoals de plicht om belasting te betalen en zich aan de wetten van het betreffende land te houden. Rechten zijn de tegenhanger van de plichten. De burger in een rechtsstaat heeft burgerrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Verder hebben de burgers in de westerse landen politieke rechten, zoals het recht een partij op te richten1, te stemmen of zich verkiesbaar te stellen. In verzorgingsstaten hebben burgers bovendien sociale rechten, zoals het recht op arbeid en het recht op onderwijs.
Participatie tenslotte ziet op maatschappijbetrokkenheid. Dat kan in de vorm van arbeid, vrijwilligerswerk, onderwijs, en culturele activiteiten. De burger moet in staat zijn om in brede zin mee te doen aan het maatschappelijk leven. Deze laatste dimensie is die van identiteit, de mate waarin mensen zich deel voelen uitmaken van een (sub)gemeenschap. In een zich individualiserende maatschappij met groepsidentiteiten wordt een gedeelde identiteit - althans het minimum daarvan - een zaak die des te meer van belang is bij het handelen van de burger in de rechtsstaat en de plurale samenleving.
Burgerschapsconcepten
Volgens sommigen is er sprake van burgerschap als burgers voldoen aan basale maatschappelijke en politieke vereisten. Heeft iemand formeel het burgerschap en houdt hij zich aan de wetten van het land? Dan is hij burger en kan hij ook gebruikmaken van de hiermee samenhangende rechten van burgerschap. Actief participeren of zich identificeren met de natie is niet nodig.2 Volgens anderen is er pas sprake van burgerschap als mensen voldoen aan alle dimensies ervan: ze hebben de formele rechten en plichten, doen actief mee én identificeren zich met het land, de bevolking en de taal. De burgerschapsconcepten zijn voor de grondslag te onderscheiden in (1) de liberale, (2) de neorepublikeinse en (3) de communitaristische beginselen.
De liberale stroming
De liberale stroming is de minst vergaande interpretatie van burgerschap. Deze neemt het individu zowel normatief als analytisch als uitgangspunt voor het denken over staat en samenleving.3 De nadruk ligt op de juridische status van de burger. Iemand is burger en kan aanspraak maken op burgerschapsrechten als zijn rechtspositie in orde is. Dit houdt in dat iemand zich legaal in een land bevindt en zich houdt aan de wet. Het is in de liberale stroming niet nodig dat burgers actief participeren als verantwoordelijk burger (informed citizen) of zich identificeren met de natie. Een aanhanger van deze stroming is een monitorial citizen.4 De klassieke vrijheidsrechten zijn substantieel in deze stroming.5 Naast de vrijheidsrechten hebben alle burgers sociale rechten, zoals het recht op arbeid, onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg.6
De neorepublikeinse stroming
De aanhangers van de neorepublikeinse stroming gaan een stap verder dan de liberalen: de nadruk ligt op participatie. De neorepublikeinse stroming vraagt een actieve inzet van de burger. Participatie zien de aanhangers van deze stroming als doel en middel tegelijk: door te participeren gaan mensen deel uitmaken van de maatschappij. Binnen deze stroming is het bijvoorbeeld van belang om de taal van het betreffende land te beheersen. Participatie omvat meer dan meedoen op de arbeidsmarkt of in het onderwijs. Het omvat ook deelname aan een integratieve en deliberatief-consensuele participatiedemocratie, waarin burgers het pluriforme publieke leven vormgeven.7 Er is niet één dominante cultuur en de essentiële minderheden worden niet overruled.
De communitaristische stroming
De communitaristische stroming ‘als bevattende de organische gemeenschappelijkheid ofwel het gemeenschapsdenken ’ bevat de meest vergaande opvatting van burgerschap.8 Daaraan verwant is het republikanisme als burgerschapsdenken.9 Burgerschapsdenkers benadrukken het staatsburgerschap (civitas) als dat ‘wat mensen (ver)bindt, als basis van broederschap en solidariteit en waar de principes van de participatieve democratie gelden’.10 Het participeren alleen is niet genoeg. Een burger is pas écht burger als hij zich betrokken voelt bij en deelneemt aan de samenleving, waarin hij leeft. In deze opvatting staan de democratische burgerzin, het gemeenschapsdenken en het lidmaatschap (‘het erbij horen’) centraal. De communitaristische opvatting vereist loyaliteit aan een burgers verbindende democratie met een sterke binding en identificatie op het maatschappelijk middenveld (communitas of civil society).11 Dan is er sprake van vitaal burgerschap en vitale democratie.12
Kohnstammlezing: Democratisch burgerschap 2014
Voor een typering van burger(schaps)concepten sluit ik mede aan bij de opvattingen van de historicus Kennedy in de Kohnstammlezing 2014 over Democratisch burgerschap als goede omgangvorm.13 Hierin vestigt hij de aandacht op de invulling van het burgerschapsbeleid met ‘stevige politieke keuzes […]’.14 Dat beleid is ‘heel politiek in de wijze waarop doen en laten van mensen wordt gestuurd, zelfs achter hun voordeur15; dit geldt ook voor de wijze, waarop […] burgerschapseducatie vormt’, aldus Kennedy.16 Volgens de meeste Nederlanders houdt goed burgerschap vooral het verrichten van vrijwilligerswerk en het bieden van hulp aan de medemens in. Deze invulling ziet Kennedy als belangrijker dan politiek burgerschap. Hij zet vraagtekens bij de invulling van burgerschap als politiek burgerschap en bij de invulling hiervan op Nederlandse scholen.17 Na enige reflecties over de kennis van de jonge Amerikanen van burgerschap en de informatie in de staatsinrichtingsboeken merkt hij de democratie aan ‘als onveranderlijk systeem aan beide zijden van de Atlantische oceaan’ en stelt hij de verandering vast van het ‘door de tijd heen weinig onderkende karakter ervan.’18 Kennedy echter erkent de veranderlijke democratie en de noodzaak van bredere burgerschapsvorming.
Zoontjens: Actief burgerschap als pedagogisch beginsel
Burgerschapsconcepten drukken noties uit over de samenleving en de rechtsstaat, de maatschappelijke en politieke verhoudingen en de (rechts)positie van individuen, groepen en (sub)gemeenschappen.19 Zo ziet Zoontjens met de regering burgerschap als een pedagogisch beginsel dat de weg kan wijzen naar een fundamentele verandering van ons onderwijssysteem.20 Actief burgerschap als pedagogisch beginsel bestrijkt de organisatie en de praktijk van de school, maar kan ook de doorwerking in de curricula realiseren.21 De regering ziet de burgerschapsopdracht niet alleen ingevuld met kennisoverdracht aan leerlingen: ‘Die moeten vooral burgerschap leren door het te doen, te ervaren, door sociale bindingen in de school en met de omgeving aan te gaan’.22 Daarmee heeft burgerschap ook betrekking op (buiten)schoolse activiteiten met als doel de ‘versterking van de sociale binding in onze samenleving’.23 Zoontjens denkt hierbij aan ‘doelen als karaktervorming, het kweken van de bereidheid tot samenwerking en het ontwikkelen van gevoeligheid voor het samenleven en de publieke zaak’.24
Zoontjens: Curriculumverandering voor burgerschap aangewezen weg
‘Voor mogelijke problemen in verband met burgerschap waarvoor een apart vak uitkomst biedt’, ziet Zoontjens ‘curriculumverandering als de aangewezen weg’.25 Verder dient er ‘voor nieuwe vakken bij het verder nadenken over de verduidelijking van de burgerschapsopdracht voor de school ruimte te komen: ‘burgerschap veronderstelt een solide kennisbasis’.26 Door het voorop stellen van burgerschap als beginsel ziet Zoontjens de aandacht vooral uitgaan naar vaardigheidsaspecten.27 ‘De introductie van vakken in het licht van de positie van bekostigde en erkende scholen is niet problematisch nu de vaststelling van curricula een onomstreden bevoegdheid van de staat is’ en zo kan tot op zekere hoogte ‘kennis van de democratische rechtsstaat in een vak als maatschappijleer een moderne variant bijbrengen van staatsinrichting’.28