Einde inhoudsopgave
Relativiteit, causaliteit en toerekening van schade (R&P nr. CA21) 2019/11.2
11.2 Criterium, rechtvaardiging en gevallen
D.A. van der Kooij, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
D.A. van der Kooij
- JCDI
JCDI:ADS588644:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Williams 1951, p. 240 heeft beeldend van de “cone of causation” gesproken. Een in dit verband verduidelijkend Engels rijmpje: For want of a nail, the shoe was lost; for want of a shoe, the horse was lost; for want of a horse; the rider was lost; for want of a rider, the battle was lost; for want of a battle, the kingdom was lost, and all for the want of a horse – shoe nail, zie ook Van Quickenborne 1971, p. 48.
Zie hierover nader § 6.2.1.
Mill 1858, p. 200. Een vergelijkbare opvatting had Von Buri 1873, p. 1.
Mill 1858, p. 198 t/m 200.
Mackie 1973, p. 34, 35; Hart & Honoré 1985, p. 11 t/m 61.
Zie bijvoorbeeld: Wolfsbergen 1946, p. 19; Van Schellen 1972, p. 171 e.v.; en Witjens 2011, p. 98.
Naar ik meen duiden bovendien natuurwetenschappers, gebruikmakend van deze uitdrukkingswijze, zelf ook de afwezigheid van bepaalde dingen als de oorzaak van een bepaald gevolg aan: een medicus kan bijvoorbeeld zeggen dat het niet aanmaken door de schilklier van voldoende schildklierhormoon (hypothyreoïdie) allerlei lichamelijke en geestelijke ongemakken van de patiënt tot gevolg heeft, een fysicus kan zeggen dat de kernreactie gestopt is omdat de hoeveelheid splijtstof onvoldoende was om haar in stand te houden.
Hetzelfde geldt voor positieve gevolgen: iemand zegt in het algemeen niet dat hij het tentamen heeft gehaald, omdat hij tijdig op de fiets arriveerde, zie hierover Honoré 1999, p. 10.
Malone 1956, p. 63 e.v.; Becht & Miller 1961, p. 5; Mackie 1973, p. 119; Hart & Honoré 1985, p. 11, 12; Wright 1988, p. 1012 e.v.
Deze weg is wel ingeslagen door Hart & Honoré 1985. Dat deze opzet niet geslaagd is, wordt mijns inziens aangetoond door Stapleton 2001b, p. 158 t/m 166 en Wright 2008, p. 165 t/m 180.
Hier laat zich overigens ook de eigenschuldproblematiek situeren: indien een voor de schade noodzakelijke voorwaarde bestaat uit onredelijk gedrag van de gelaedeerde of zo’n noodzakelijke voorwaarde anderszins aan de gelaedeerde kan worden toegerekend, geeft dat aanleiding om de schadevergoedingsverplichting van de laedens te beperken.
Zoals betoogd in § 7.2.
Vgl. Stansbie v. Troman [1948] 2 KB 48.
Vgl. Stoll 1968, p. 26 “Für diese zusätzlichen Risiken hat der Täter einzustehen, selbst wenn er sie im einzelnen nicht vorauszusehen vermochte.” Uit de andere in dit deel besproken grenzen aan toerekenbaarheid van schade blijkt dat deze opvatting van Stoll te ongenuanceerd is en de laedens niet behoeft in te staan voor alle risico’s die door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en het intreden van de eerste schade zijn vergroot.
In deze situaties is het vanzelfsprekend mogelijk om, wat Mackie noemt, het causale veld, nader te analyseren, en bijvoorbeeld onderscheid te maken tussen rechtmatige en onrechtmatige andere noodzakelijke voorwaarden voor de schade (zie bijvoorbeeld Van Quickenborne 1972, p. 386 t/m 535; McGregor/Edelman 2018, nr. 8-37 e.v. en 8-143 e.v.; en Hodgson 2011). Afgezien van de situatie waarin de gelaedeerde verantwoordelijk is voor zo’n bijdragende noodzakelijke voorwaarde (art. 6:101 BW), is mij niet gebleken dat het maken van dergelijke onderscheidingen zinvol is.
BGH 10 december 1996, NJW 1997, 865.
HMS London [1914] P. 72.
RG 13 oktober 1922, RGZ 105, 264.
Wieland v. Cyril Lord Carpets [1969] 3 All ER 1006.
Onder zeer uitzonderlijke omstandigheden kan dat anders zijn, zie nr. 514.
Vgl. Lange 1960, p. 52; Wolf 1962, p. 50; en Looschelders 2013, p. 325.
Vgl. Fuchs & Pauker 2012, p. 359 “Es gibt (…) keinen rechtfertigende Grund, dem Geschädigten aus Anlass des Schadensfalles sein allgemeines Lebensrisiko abzunehmen.”
Zie ook § 4.3.2.
Niet één condicio sine qua non, maar een veelheid aan condiciones sine quibus non
496. Alvorens nader in te gaan op de grens aan aansprakelijkheid in het geval van een verwezenlijking van een niet-vergroot risico, is het zinvol te bespreken op welke wijze schadelijke gevolgen tot stand komen. Gebruikelijk is om een omstandigheid die condicio sine qua non was voor een schadelijk gevolg aan te duiden als de oorzaak van dat gevolg. In werkelijkheid bestaat echter voor het intreden van elk gevolg steeds een scala aan noodzakelijke voorwaarden.
Te denken valt bijvoorbeeld aan de door een brand verwoeste Frieslandhal en de eigenaar van het in die hal gevestigde café die daardoor schade leed.1 Noodzakelijke voorwaarde voor deze schade was het door een paar jongens maken van een vuurtje dat naar de Frieslandhal oversloeg. Men kan zeggen dat het maken van het vuurtje de oorzaak is van de schade. Er laten zich echter veel meer noodzakelijke voorwaarden aanwijzen: de Frieslandhal was gebouwd van brandbaar materiaal, in de lucht was zuurstof aanwezig, tussen de plaats van het vuurtje en de Frieslandhal was brandbaar materiaal aanwezig. Naarmate men verder terugkijkt in de tijd laten zich meer noodzakelijke voorwaarden noemen: de ouders van de jongens hebben besloten kinderen te nemen, zij zijn gaan wonen in de buurt van de Frieslandhal, men heeft besloten om de Frieslandhal te bouwen, de caféhouder heeft besloten om in de Frieslandhal een bedrijfsruimte te huren.2Beschrijven wij de schade preciezer, dan zijn er ook meer noodzakelijke voorwaarden:3 de omstandigheid dat de caféhouder relatief weinig huur betaalde was een noodzakelijke voorwaarde voor zijn relatief grote schade, de omstandigheid dat de caféhouder na de herbouw van de Frieslandhal geen nieuwe huurovereenkomst onder dezelfde voorwaarden aangeboden kreeg, was ook een noodzakelijke voorwaarde voor zijn relatief grote schade. Nemen wij ook negatieve voorwaarden in aanmerking, dan laten zich nog meer voorwaarden aanwijzen: de jongens doofden hun vuurtje niet, het ging niet regenen, de brandweer doofde het vuur niet en ook werd het vuur niet door marsmannetjes gedoofd.
497. Op grond van het inzicht dat steeds een scala aan noodzakelijke voorwaarden voor het intreden van een bepaald gevolg bestaat, kwam de filosoof Mill tot de notie van de totaaloorzaak:
“the cause then, philosophically speaking, is the sum total of the conditions positive and negative taken together; the whole of the contingencies of every description, which being realized, the consequent invariably follows.”4
Mill realiseerde zich hierbij dat men in het spraakgebruik veelal één voor het intreden van een gevolg noodzakelijke voorwaarde als de oorzaak van dat gevolg aanwijst en de andere voor dat gevolg noodzakelijke voorwaarden impliciet veronderstelt.5 De filosoof Mackie kwam op grond van dit inzicht tot de notie van het causale veld: het geheel aan omstandigheden, de context, die veelal impliciet wordt verondersteld als wij spreken over de oorzaak van een bepaalde gebeurtenis.6
Wanneer men inziet dat wanneer gesproken wordt van de oorzaak van een bepaald gevolg, dat een in het spraakgebruik gehanteerde vereenvoudiging is van de feitelijke situatie en daarbij impliciet ook andere voor het gevolg noodzakelijke voorwaarden worden verondersteld, valt ook te begrijpen waarom als oorzaak aangewezen kan worden een niet-doen (de planten gingen dood omdat zij geen water kregen) of een bestaande toestand (de aanrijding ontstond omdat de weg glad was): impliciet veronderstelt men de andere omstandigheden die het gevolg fysiek tot stand brengen. Anders dan wel is beweerd,7 is om deze reden mijns inziens het als oorzaak bestempelen van een niet-doen, niet een juridische abnormaliteit waar een natuurwetenschapper van zou gruwelen.8
498. Wanneer in het normale spraakgebruik een bepaalde noodzakelijke voorwaarde als oorzaak wordt aangewezen, worden impliciet bepaalde regels gevolgd.
Men zegt bijvoorbeeld niet dat het door de moeder van Balthasar Gerards krijgen van kinderen de oorzaak was van de dood van Willem van Oranje. Evenmin zegt men dat Willem van Oranje overleed omdat zijn hart stopte met kloppen of omdat zijn lichaamscellen onvoldoende zuurstof kregen.9
Er bestaat filosofische literatuur over de impliciete regels aan de hand waarvan in het normale spraakgebruik bepaalde noodzakelijke voorwaarden als oorzaak worden aangewezen. Een hier belangrijke en algemeen onderschreven bevinding is dat hetgeen men als de oorzaak aanwijst, afhankelijk is van het (communicatieve) doel van degene die de noodzakelijke voorwaarde als oorzaak aanwijst.10
Zo zal degene wiens inboedel is gestolen, zijn inboedelverzekeraar tot uitkeren proberen te bewegen door te zeggen dat de oorzaak van de schade diefstal met braak is; zal degene die in het vervolg deze schade wil voorkomen, zeggen dat de oorzaak gelegen is in ondeugdelijke sloten; de hoofdcommissaris zou kunnen zeggen dat vanwege ondercapaciteit van de politie de inbreker niet eerder gepakt is en dat de oorzaak van de inbraak is; de psycholoog zou kunnen wijzen op verschillende omstandigheden in de sfeer van nature en nurture die oorzaak ervan zijn dat de inbreker op het verkeerde pad is geraakt en zo uiteindelijk deze inbraak heeft gepleegd.
Naar ik meen, maakt de uit dit voorbeeld blijkende grote vrijheid om een bepaalde noodzakelijke voorwaarde als de oorzaak van een schadelijk gevolg aan te wijzen, dat voor het probleem van de toerekening van schade aan één bepaalde condicio sine qua non niet van belang is of in het spraakgebruik die condicio sine qua non in het algemeen wel of niet als oorzaak zal worden aangeduid. Deze invalshoek van de materie laat ik hierom rusten.11
499. Deze beschouwing over de condicio sine qua non en het veroorzaken van schade doet de vraag rijzen waarom schade die het gevolg is van een scala noodzakelijke voorwaarden, geheel door de laedens vergoed zou dienen te worden: de gebeurtenis waarvoor de laedens aansprakelijk is, is immers slechts een van de voor het ontstaan van de schade noodzakelijke voorwaarden.12 Deze vraag dringt zich met name dan op, wanneer naast de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis een andere noodzakelijke voorwaarde een prominente rol bij het ontstaan van de schade heeft gehad.
In het in nr. 494 gegeven voorbeeld springen het omwaaien van de boom en de diefstal dadelijk als prominente andere noodzakelijke voorwaarden voor het ontstaan van de schade in het oog. In het normale spraakgebruik zou men goed kunnen zeggen dat de schade van de gelaedeerde niet zozeer is veroorzaakt door het te harde rijden, maar veeleer door het omwaaien van een boom en doordat een ander de portemonnee van de gelaedeerde heeft weggenomen.
Bij het beantwoorden van deze vraag is zinvol onderscheid te maken tussen drie verschillende casustypen: de situatie waarin met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, de situatie waarin de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis het risico op de schade zoals geleden heeft vergroot en de situatie waarin tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade slechts een zuiver toevallig verband bestaat. In het navolgende werk ik dit uit.
Met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid is beoogd te beschermen tegen de schade zoals geleden
500. Soms is met de geschonden norm juist beoogd te beschermen tegen de schade die mede door andere noodzakelijke voorwaarden teweeg zou kunnen worden gebracht. De vraag waarom in beginsel aansprakelijkheid dient te bestaan voor hetgeen dat mede het gevolg is van andere noodzakelijke voorwaarden, laat zich dan eenvoudig beantwoorden. De aansprakelijkheid voor deze schade laat zich dan immers rechtvaardigen op de grond dat met de norm tegen die schade beoogd is te beschermen.13 De geschonden norm stelt dan eisen aan gedrag juist met het oog op het mogelijk aanwezig zijn of kunnen intreden van die andere noodzakelijke voorwaarden. In het geval van kwalitatieve aansprakelijkheid geldt hetzelfde.
Ik illustreer dit met twee voorbeelden. (1) Een aannemer krijgt opdracht een bliksemafleider op een gebouw te installeren, maar voert deze opdracht ondeugdelijk uit waardoor de bliksemafleider niet functioneert. Wanneer vervolgens de bliksem in het gebouw inslaat, ontstaat schade. Zowel het niet goed uitvoeren van de opdracht als het inslaan van de bliksem is een noodzakelijke factor voor het ontstaan van de schade. De bliksemafleider dient echter deugdelijk geïnstalleerd te worden juist om te voorkomen dat door blikseminslag schade ontstaat. Voor deze schade dient hierom aansprakelijkheid te bestaan. (2) Een schilder heeft opdracht werkzaamheden in een woning uit te voeren. De schilder verlaat de woning om een boodschap te doen en sluit daarbij de deur van de woning niet af. Tijdens zijn afwezigheid wordt een deel van de inboedel uit de woning gestolen. Zowel het verlaten van de woning en het niet afsluiten van de deur als de diefstal is een noodzakelijke factor voor de schade. De schilder diende de deur af te sluiten juist ter voorkoming van onder meer diefstal. Ook voor deze schade dient hierom aansprakelijkheid te bestaan.14
De aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis heeft het risico op de schade zoals geleden vergroot
501. Wanneer zich niet laat vaststellen dat met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, bestaat een zekere rechtvaardiging voor het aanvaarden van een verplichting tot vergoeding van de schade waarvoor ook een andere gebeurtenis condicio sine qua non was, erin dat het risico van deze gebeurtenis door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is vergroot.15 Wanneer de laedens aansprakelijk is voor de door de gelaedeerde geleden schade, maakt het gegeven dat door het lijden van die schade het risico van de gelaedeerde op verdere schade is toegenomen en dat risico zich ook heeft verwezenlijkt en aldus verdere schade is ontstaan, in het algemeen dat ook voor die verdere schade aansprakelijkheid dient te bestaan.
Vanwege het belang van deze redeneerwijze geef ik diverse voorbeelden.16 (1) Bij een onrechtmatige inhaalmanoeuvre geraakt een auto op de verkeerde weghelft en komt daarbij in aanrijding met een geldtransportwagen. De geldtransportwagen raakt hierdoor van de weg en slaat over de kop. De geldtransportwagen raakt ernstig beschadigd en de bestuurders gewond. Naderhand blijkt dat een tweetal koffers met DM 260.000,- uit de wagen gestolen is. Ervan uitgaande dat deze koffers dadelijk na het ongeval door derden zijn gestolen, oordeelde het Bundesgerichtshof dat de aansprakelijkheid zich ook tot deze schade uitstrekt, omdat de aanrijding het risico op een dergelijke diefstal heeft vergroot – de geldtransportwagen geraakte immers door de aanrijding beschadigd en de bestuurders geraakten gewond en waren daardoor niet in staat hun beveiligingstaak te vervullen – en dat risico zich heeft verwezenlijkt.17 (2) Bij een onrechtmatig veroorzaakte aanvaring geraakte het schip Don Benito beschadigd. Geschat werd dat de reparatiewerkzaamheden in een droogdok achttien werkbare werkdagen in beslag zouden nemen. Ten gevolge van een staking werd de reparatie met ongeveer twee maanden vertraagd. De eigenaar van het schip vorderde van de voor de aanvaring aansprakelijke personen onder meer vergoeding van gederfde inkomsten door het niet-bruikbaar zijn van het schip gedurende deze gehele periode van reparatie. In appel werd geoordeeld dat ook voor de gederfde inkomsten gedurende de stakingsperiode aansprakelijkheid bestaat. Hiertoe werd redengevend geacht dat na een onrechtmatige aanvaring om allerlei redenen een reparatie langer kan duren dan de minimaal vereiste periode.18 (3) Indien door een aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis letsel wordt toegebracht, kan dat letsel op allerlei manieren tot ander, extra letsel van de gelaedeerde leiden. Bijvoorbeeld kan bij de behandeling van het door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte letsel – al dan niet door een medische fout – nieuw letsel worden toegebracht.19 Bij de behandeling in het ziekenhuis kan ook besmetting met een andere ziekte plaatsvinden.20 Mogelijk is dat de gelaedeerde zich bij zijn of haar herstel van het letsel enigszins moet behelpen en hierdoor een nieuw ongeval plaatsvindt. Bijvoorbeeld doordat de gelaedeerde door de combinatie van bril met bifocale glazen en de voor het herstel nodige chirurgische kraag minder goed zicht heeft en daardoor op een trap ten val komt,21 of bijvoorbeeld doordat het nog niet herstelde been van de gelaedeerde aan het eind van een werkdag gaat slepen en de gelaedeerde daardoor over zijn eigen deurmat struikelt.22 Het toegebrachte eerste letsel heeft hier het risico op ander, extra letsel vergroot. In het algemeen wordt geoordeeld dat de aansprakelijkheid zich ook uitstrekt tot dat verdere letsel.23
Tussen aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en schade bestaat een zuiver toevallig verband
502. Indien noch met de geschonden norm of met de toepasselijke kwalitatieve aansprakelijkheid beoogd is te beschermen tegen de schade zoals geleden, noch de schade zoals geleden kan gelden als verwezenlijking van een door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis vergroot risico, bestaat tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade slechts een zuiver toevallig verband. Dat betekent dat de gelaedeerde in het algemeen de schade evengoed had kunnen lijden zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis als met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis. Het beschermingsdoel van de geschonden norm of van de kwalitatieve aansprakelijkheid is dan kennelijk niet te beschermen tegen dergelijke schade.24 Waar immers voor het bestaan en de omvang van het risico indifferent is of de norm wordt geschonden of dat zich een gebeurtenis voordoet die kwalitatief aansprakelijk maakt, valt niet in te zien waarom met die norm respectievelijk die kwalitatieve aansprakelijkheid toch beoogd zou zijn te beschermen tegen de verwezenlijking van dat risico. Naar ik meen biedt het gegeven dat de laedens met een bepaalde gedraging een norm heeft geschonden onvoldoende rechtvaardiging om de schade die zonder de normschending evengoed had kunnen ontstaan, voor rekening van de laedens te brengen.25 Voor kwalitatieve aansprakelijkheid geldt mijns inziens hetzelfde.
Nadere uitwerking criterium
503. Deze grens aan aansprakelijkheid voor de door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis veroorzaakte schade ligt daar waar een risico kan worden genoemd zodanig dat (a) de schade zoals geleden geldt als verwezenlijking van dit risico, (b) de gelaedeerde dat risico ook zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou lopen en (c) dat risico niet door de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis is vergroot en dus sprake is van een zuiver toevallig verband tussen de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis en de schade zoals geleden.
Voor de in nr. 494 genoemde gevallen gaat het om het risico getroffen te worden door een boom die plotseling omwaait in het eerste voorbeeld en het risico op diefstal van een portemonnee in een publieke gelegenheid in het tweede voorbeeld.
Risico’s laten zich steeds op verschillende manieren beschrijven. Hetzelfde risico kan men op een continuüm van heel algemeen (het risico dat iemand schade lijdt) tot heel specifiek (het risico dat juist deze persoon, op precies dat moment, precies op die plaats, precies op deze wijze en van precies die omvang schade lijdt) beschrijven.26 Steeds kunnen hierom beschrijvingen van een risico worden gevonden die wel aan één of twee van de voorwaarden (a) t/m (c) voldoen. Beslissend voor de begrenzing van aansprakelijkheid is of onder de mogelijke beschrijvingen van het risico een beschrijving gevonden kan worden die voldoet aan alle drie de voorwaarden (a) t/m (c).
504. In het kader van voorwaarden (b) en (c) dient te worden vastgesteld welk risico de gelaedeerde zonder de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou lopen. Mijns inziens dient ter zake van deze voorwaarden niet het risico dat de gelaedeerde zonder aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis zou hebben gelopen op het moment waarop de schade is ingetreden te worden gehanteerd. Het criterium geeft dan een onvoldoende begrenzing van aansprakelijkheid en wordt ook moeilijk hanteerbaar.
In het taxivoorbeeld uit nr. 494 zou dan de vraag worden wat de passagier, indien de taxichauffeur niet te hard zou hebben gereden en de passagier niet gewond zou zijn geraakt door de omwaaiende boom, zou hebben gedaan op het moment dat hij in de feitelijke situatie in het cafetaria werd bestolen. Niet alleen laat zich dat moeilijk vaststellen, het is ook de vraag wat de betekenis ervan is als duidelijk is dat de passagier dan thuis zou zijn geweest en dus minder risico op diefstal zou lopen dan in een ziekenhuiscafetaria.
Ter zake van de voorwaarden (b) en (c) dient mijns inziens uitgegaan te worden van de risico’s die de gelaedeerde in het algemeen, normaliter loopt. Op deze manier wordt het criterium enigszins minder nauwkeurig. Wel wordt zo een grens aan aansprakelijkheid verkregen die aansluit bij de hiervoor gegeven rechtvaardiging van de begrenzing van aansprakelijkheid.