De kosten van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.8.4:8.8.4 Vordering tot uittreding
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.8.4
8.8.4 Vordering tot uittreding
Documentgegevens:
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652137:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 24 september 2019 (r.o. 3.7), JOR 2020/6, m.nt. C.D.J. Bulten (Cox/Widdershoven).
Kamerstukken II 2006/07, 31058, 3, p. 110-111.
Vgl. ook Rb. Amsterdam 9 februari 2022 (r.o. 4.10 e.v.), ARO 2022/59 (Spala Investments XXI/Heritage B), waarin de rechtbank overwoog een billijke verhoging te kunnen toekennen mede vanwege handelen dat de Ondernemingskamer in een voorafgaande enquêteprocedure niet als wanbeleid had gekwalificeerd, maar bij dat handelen wel vraagtekens had geplaatst.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een aandeelhouder – of, onder omstandigheden, naar analogie, een certificaathouder of economisch gerechtigde1 – kan ook via een vordering tot uittreding de facto aanspraak maken op de vergoeding van (afgeleide) schade. In geval van een vordering tot uittreding kan een billijke verhoging worden toegekend in verband met gedragingen van andere aandeelhouders of anderen indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van de uittredende aandeelhouder behoort te blijven, zo volgt uit art. 2:343 lid 4 BW. Berust de billijke verhoging op gedragingen van anderen dan de (overblijvende) aandeelhouders, dan acht de wetgever toekenning van een verhoging billijk omdat de overblijvende aandeelhouders de mogelijkheid behouden de rechtspersoon te bewegen ter zake van die gedragingen te trachten vergoeding te verkrijgen van degene wiens gedragingen het betreft.2
Omdat wanbeleid via de uitkoopprocedure tot een soort schadevergoeding voor de minderheidsaandeelhouder kan leiden en de Ondernemingskamer hierbij een parallel trekt met de billijke verhoging van art. 2:343 lid 4 BW (par. 8.8.3), lijkt een vergelijkbare schadevergoeding ook mogelijk voor de aandeelhouder die een vordering tot uittreding instelt.3