Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.0:2.6.0 Introductie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.6.0
2.6.0 Introductie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859174:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder het oude recht legt artikel 885 lid 4 OBW zich toe op het verduisteren, vernietigen of vervalsen van een uiterste wil. Deze bepaling is taalkundig gemoderniseerd, maar verder ongewijzigd teruggekeerd in artikel 4:3 lid 1 sub e BW. De bepaling luidt als volgt:
‘hij die de uiterste wil van de overledene heeft verduisterd, vernietigd of vervalst’
Dat de bepaling slechts taalkundig is bijgeschaafd, maakt niet dat daarover geen discussie is geweest. Meijers maakt in zijn toelichting duidelijk dat de term ‘verduisteren’ niet het strafrechtelijk begrip uit artikel 321 Sr aanduidt, maar het opzettelijk voor een ander onvindbaar maken.1 De Bijzondere Commissie voor de herziening van het Burgerlijk Wetboek, omtrent het ontwerp van wet tot vaststelling van Boek 4 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (Nieuw Erfrecht) merkt naar aanleiding hiervan op dat het dus in de gevallen van deze bepaling niet steeds om strafbare handelingen hoeft te gaan en dat wellicht ten gevolge daarvan, de bepaling onvoldoende tot uitdrukking brengt dat de genoemde handelingen ook middellijk daderschap en uitlokking omvatten. Om die reden stelt de Bijzondere Commissie de volgende redactie voor:
‘hij die opzettelijk de uiterste wil van de overledene heeft onvindbaar gemaakt, vernietigd of vervalst, dan wel deze handelingen heeft doen plaatsvinden of uitgelokt’2
De Bijzondere Commissie kiest er bewust voor medeplichtigheid aan de bedoelde handelingen niet op te nemen, omdat het haar zeer onwaarschijnlijk voorkomt dat een testamentair bevoordeelde ooit aan de hier bedoelde handelingen medeplichtig zal zijn.3
In antwoord hierop merkt minister Polak op dat de formulering van Meijers letterlijk gelijkluidend is aan artikel 885 lid 4 OBW waarin de term ‘verduisteren’ eveneens moet worden uitgelegd als (opzettelijk) voor anderen onvindbaar maken. De minister vervolgt dat hij met de Bijzonder Commissie van oordeel is dat het in artikel 4:3 lid 1 sub e BW niet uitsluitend gaat en ook niet uitsluitend behoort te gaan om strafbare handelingen. Om misverstanden te voorkomen, zou hij daarom, zoals de Bijzondere Commissie voorstelt, de voorkeur geven aan een andere omschrijving. Hij geeft daarom in overweging de formulering van deze bepaling bij de Invoeringswet alsnog te verduidelijken in de geest als door de Bijzondere Commissie is voorgesteld.4
Deze suggestie wordt niet gevolgd. Na heroverweging acht minister De Ruiter de verduidelijking dat de term verduisteren hier niet het strafrechtelijk begrip aanduidt, niet nodig. De woorden van minister Polak in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer bevatten alle noodzakelijke toelichtende opmerkingen ter zake. Verder wijst de minister er nog op dat het nieuwe BW in vergelijkbare artikelen niet naar een uniforme terminologie heeft gestreefd.5
Het voorgaande brengt mee dat de oorspronkelijke formulering is gehandhaafd en deze bepaling al decennia lang – op een taalkundige modernisering na – ongewijzigd in ons wetboek prijkt. Deze lange geschiedenis betekent niet dat de bepaling van grote invloed is op de rechtspraktijk. In de navolgende paragrafen wordt dit duidelijk bij de behandeling van de verschillende onderdelen van deze onwaardigheidsgrond. Allereerst komt het begrip ‘uiterste wil’ aan de orde (par. 2.6.1). Vervolgens staan de termen ‘verduisteren’ (par. 2.6.2), ‘vernietigen’ (par. 2.6.3) en ‘vervalsen’ (par. 2.6.4) centraal. Hierna wordt ingegaan op de poging tot, voorbereiding van en deelneming aan de gedragingen (par. 2.6.5). De paragraaf sluit af met enkele opmerkingen over de praktische betekenis van deze bepaling (par. 2.6.6).