Einde inhoudsopgave
Verrekening door de fiscus (O&R nr. 62) 2011/2.2.6
2.2.6 Verrekening bij overdracht, beslaglegging of vestiging van een beperkt recht
Mr. A.J. Tekstra, datum 26-04-2011
- Datum
26-04-2011
- Auteur
Mr. A.J. Tekstra
- JCDI
JCDI:ADS608423:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal ondernemingsrecht (V)
Invordering / Verrekening
Verbintenissenrecht / Overgang en tenietgaan verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Bij een stille cessie op de voet van art. 3:94 lid 3 BW vindt eveneens overdracht plaats. Vóór de mededeling van de cessie kan echter nog gewoon verrekening plaatsvinden met een tegenvordering op de cedent. Na de mededeling is deze verrekening slechts mogelijk indien aan de voorwaarden van art. 6:130 BW is voldaan.
Zie T.M. Parl. Gesch. Boek 6, p. 501.
Zie Faber 2005, p. 248.
Zie Faber 2005, p. 269.
Zie Faber 2005, p. 252-253.
Zie verder § 3.42 bij de bespreking van het arrest Ontvanger/Rabobank IJmuiden.
HR 22 april 2005, NJ 2006, 56, SCJJK en JOR 2005/282, NEDF.
Zie art. 33 lid 2 Fw.
In artikel 6:130 BW wordt aangegeven in hoeverre verrekening nog mogelijk is indien de vordering op de schuldenaar die zich op verrekening wil beroepen onder bijzondere titel is overgegaan, op die vordering beslag is gelegd, dan wel op die vordering een beperkt recht is gevestigd met mededeling aan de schuldenaar. Uit artikel 6:130 lid 1 en lid 2 BW volgt dat de schuldenaar bevoegd is een tegenvordering op de oorspronkelijke schuldeiser in verrekening te brengen, mits deze tegenvordering uit dezelfde rechtsverhouding als de overgegane vordering voortvloeit of reeds vóór de overgang, beslaglegging of vestiging van het beperkte recht aan hem is opgekomen en opeisbaar geworden. Het derde lid van artikel 6:130 BW verklaart deze regeling niet van toepassing indien de overgang of vestiging van het beperkte recht een vordering aan toonder of order betreft en is geschied overeenkomstig artikel 3:93 BW. Van een overgang onder bijzondere titel op de voet van artikel 6:130 lid 1 BW is volgens de wetgever niet alleen sprake bij cessie,1 maar ook bij subrogatie, contractsoverneming of overgang van kwalitatieve verbintenissen.2 Deze overgang onder bijzondere titel hoeft voor de toepassing van artikel 6:130 BW niet betrekking te hebben op de gehele vordering. Een cessie kan bijvoorbeeld beperkt blijven tot een gedeelte van de vordering.3 De beperkte rechten die in het kader van artikel 6:130 lid 2 BW in aanmerking komen zijn een pandrecht en een recht van vruchtgebruik.4
Interessant bij de regeling van artikel 6:130 is de vraag wanneer sprake is van 'dezelfde rechtsverhouding' in de zin van het eerste lid. Faber schrijft daarover:5
"Voor de toepassing van art. 6:130 lid 1 BW is niet vereist dat de te verrekenen vordering en schuld uit een overeenkomst voortvloeien. De te verrekenen vordering en/of schuld kunnen ook op de wet zijn gebaseerd. Ook in dat geval moet aan de hand van alle omstandigheden van het geval worden beoordeeld of de vordering en de schuld die met elkaar worden verrekend, uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeien."
Als het gaat om de relatie tussen een belastingplichtige en de fiscus kan in de meeste gevallen worden gesproken van een 'doorlopende rechtsverhouding' tussen partijen, zeker als de belastingplichtige een ondernemer betreft die steeds periodiek aangiften en afdrachten bij de fiscus doet. Het is niet duidelijk of daarmee, indien de regels van artikel 241w 1990 niet van toepassing zouden zijn, sprake zou zijn van 'dezelfde rechtsverhouding' in de zin van artikel 6:130 lid 1 BW.6
Uit het arrest Reuser q.q./Postbank7 valt af te leiden dat, indien een partij vanwege een beslag niet mag verrekenen op de voet van artikel 6:130 BW, hij die bevoegdheid niet alsnog kan verkrijgen bij een opvolgend faillissement, dat tot gevolg heeft dat het beslag vervalt.8