Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.B.2
2. BBL
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477373:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het BBL tevens grenspost 1, hfdst. I, onderdeel E.3, alsmede hfdst. II, onderdeel A.3.b
Wet agrarisch grondverkeer (Wag), Stb. 1981, 248. Zie tevens C.W.M. van Alphen, A. Driesprong, E.J. Govaers, D. Meloni, T. Tuenter, J.H.K.C. Soer, Raakvlakken RO 2010, p. 234 e.v.
Zie de resoluties van 22 augustus 1966, nr. D6/5078, V-N 2 november 1966, punt 26, PW 17 778, en van 4 juni 1968, nr. D68/3472, V-N 11 juli 1968, punt 17, PW 17 904. De vrijstelling is gewijzigd bij wet van 26 maart 1981, Stb. 1981, 248. Bij die wijziging werd de zinsnede ‘door de Stichting Beheer Landbouwgronden’ vervangen door: ‘door het bureau beheer landbouwgronden’. Aldus: Fiscale Encyclopedie De Vakstudie Belastingen van rechtsverkeer, aant. 1.2.1 (Lid 1 onderdeel m) bij: Wet op belastingen van rechtsverkeer, artikel 15. Zie tevens D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 21, alsmede grenspost 1, hfdst. I, onderdeel E.3 en hfdst. II, onderdeel A.3.b.
Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 35.
Zie grenspost 1, hfdst. II, onderdeel A.3.
Zie tevens J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.16.1.
Het bestaan van het BBL1 is geregeld in titel VII van de Wet agrarisch grondverkeer.2 Het BBL is een publiekrechtelijke rechtspersoon, meer in het bijzonder een zelfstandig bestuursorgaan, gerelateerd aan het Ministerie van Economische zaken en de onder dit ministerie vallende DLG.
De vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel m, WBR is, zoals gezegd, bij de totstandkoming van de Wet op belastingen van rechtsverkeer in de wet opgenomen.
De vrijstelling is in de wet terechtgekomen door een amendement van het Tweede Kamerlid Wieringa, 3 De opname in de wet betekende een formalisering van de reeds vóór de invoering van de WBR bestaande situatie, 4
De vrijstelling, bedoeld ter voorkoming van dubbele belasting bij het tijdelijk beheer van gronden in het kader van overheidsbeleid, 5 ziet enkel op verkrijgingen door BBL. De vrijstelling geldt niet voor vervreemdingen door het bureau (tenzij een andere vrijstelling van toepassing is ten aanzien van de vervreemding).
De vrijstelling lijkt sinds 1 januari 2007 aan betekenis te hebben ingeboet. Ingevolge artikel 5 en verder van de RILG verwerft het BBL namelijk te koop aangeboden grond (mits voldaan is aan de in de RILG opgenomen nadere voorwaarden) namens en voor rekening van de provincie waarin de desbetreffende grond is gelegen. De betreffende provincie is in dat geval de verkrijger. De vrijstelling van artikel 15, lid 1, onderdeel c, WBR (zie hiervoor) is dan rechtstreeks van toepassing op de verkrijging, zodat aan onderdeel m in dergelijke situaties geen behoefte meer is, De decentralisatie richting de provincies6 heeft derhalve gezorgd voor een verminderde toepassing van de ‘BBL- vrijstelling’ uit onderdeel m.7
Net als de kavelruil-vrijstelling uit onderdeel 1 is de vrijstelling ongeclausuleerd vormgegeven: geen volgtermijnen, instandhoudingseisen of andere beperkende voorwaarden die de wettekst ‘ontsieren’ en de vrijstelling nader beperken. Vanuit de ratio van de vrijstelling, in combinatie met de vrijstelling van onderdeel c, is deze opzet van de vrijstelling goed te begrijpen. Overheidsinstanties dienen immers zo weinig mogelijk hinder te ondervinden van de fiscaliteit. Bij de kavelruil-vrijstelling van onderdeel 1 is de ongeclausuleerde opzet meer een gevolg van de rechtsontwikkeling op civielrechtelijk en fiscaal terrein, zoals in onderdeel C van het vorige hoofdstuk nader beschreven.
Wellicht ten overvloede: wanneer BBL als verkrijgende partij bij een kavelruil betrokken is en uit dien hoofde onroerende zaken verkrijgt, zal de vrijstelling van onderdeel 1 integraal van toepassing zijn en bestaat er geen behoefte aan een (separaat) beroep op de vrijstelling van onderdeel m.