Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/3.2.3
3.2.3 De strafbaarstelling van mensenhandel in de 21e eeuw (gericht op seksuele uitbuiting én arbeidsuitbuiting)
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383762:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
Protocol to Prevent, Suppress and Punish trafficking in Persons, especially Women and Children, supplementing the United Nations Convention against Transnational Organized Crime, General Assembly resolution 55/25 van 15 november 2000, in werking getreden 25 december 2003 (Trb. 2001, 69).
European Union Council Framework Decision on combating trafficking in human beings, kaderbesluit 2002/629/JBZ, in werking getreden 1 augustus 2002 (PbEG 2002/L 203).
Kamerstukken II 2003/04, 29 291, nr. 3, p. 13. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29291, 7, p. 8. ‘Bij de vormgeving van de strafbaarstelling van mensenhandel was aanvankelijk gekozen voor handhaving van het op bestrijding van seksuele uitbuiting gerichte artikel 250a Sr in de titel inzake misdrijven tegen de zeden (zedelijkheidswetgeving) en voor introductie van een algemene bepaling inzake mensenhandel ter uitvoering van het protocol en het kaderbesluit inzake mensenhandel in de titel inzake misdrijven te- gen de persoonlijke vrijheid. Naar aanleiding van de adviezen over het conceptwetsvoorstel is deze keuze heroverwogen. Het naast elkaar bestaan van een generale en een specifieke bepaling leidt tot overlap. Er is geen dringende noodzaak om wat strafbaarstelling en wettelijke sanctionering betreft een algemeen onderscheid te maken tussen op seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel en op andere vormen van uitbuiting gerichte mensenhandel. Dit onderscheid wordt ook niet gemaakt in het protocol en het kaderbesluit. Daarom is gekozen voor het uitgangspunt om één algemene bepaling inzake mensenhandel te maken en slechts waar nodig specifieke voorzieningen te treffen voor seksuele uitbuiting. Het voordeel daarvan is dat alle wettelijke voorzieningen bij elkaar staan.’
Voor de beweegreden hiertoe wordt verwezen naar het advies van de NRM. De NRM heeft dit in 2002 geadviseerd omdat verplaatsing van de bepaling uit de titel misdrijven tegen de zeden naar misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid recht doet aan de essentie van het strafbare feit. BRNM 2002, p. 194-195. Zie ook Kamerstukken II 2002/03, 28 638, nr. 1, p. 2.
Zie § 3.2.1.
Wet van 1 juni 2006, Stb. 2006, 300.
Wet van 12 juni 2009, Stb. 2009, 245.
Wet van 28 februari 2013, Stb. 2013, 84.
De Hullu, Koopmans & De Roos 1999, o.a. p. 118 en 125. Het onderzoek heeft echter geen betrekking op mensenhandel, aangezien dit delict niet was opgenomen in het wetboek van strafrecht van 1886. Pas in 1911 is vrouwenhandel strafbaar gesteld. Sinds 1911 is het strafmaximum van dit delict wel fors omhoog gegaan.
Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nrs. 1-2 Wetsvoorstel ter implementatie van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101).
Stb. 2013, 444.
Zie over de diverse manieren van implementeren van EU recht in nationaal strafrecht Klip 2016, p. 243-244.
Artikel 4 onder 2a van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101/1).
Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel en de bescherming van slachtoffers daarvan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101/1), considerans 12.
Zie bijvoorbeeld artikel 248 lid 4 Sr dat voorziet in de mogelijkheid tot strafverzwaring bij de delicten 242, 246 en 249 indien het slachtoffers beneden de achttien jaren betreft.
Zie artikel 248 lid 3 Sr.
Artikel 4 onder 2d van Richtlijn 2011/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2011 inzake de voorkoming en bestrijding van mensenhandel, de bescherming van slachtoffers ervan, en ter vervanging van kaderbesluit 2002/629/JBZ van de Raad (PbEU 2011, L 101/1).
Vergelijk bijvoorbeeld artikel 310 (diefstal) met artikel 312 lid 1 Sr (diefstal met geweld) en artikel 312 lid 2 onder 4° Sr (diefstal gevolgd door zwaar lichamelijk letsel). De minister volgt hier het advies op van de NRM, zie bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3 advies van de nationaal rapporteur mensenhandel inzake de implementatie van EU Richtlijn 2011/36/EU, p. 3.
Aldus ook de NRM, zie de bijlage bij Kamerstukken II 2011/12, 33 309, nr. 3 advies van de nationaal rapporteur mensenhandel inzake de implementatie van EU Richtlijn mensenhandel 2011/36/EU, p. 2.
Invoering strafbaarstelling van mensenhandel in 2005
Zoals reeds opgemerkt hebben de strafbaarstellingen van slavenhandel en seksuele uitbuiting zich lange tijd apart van elkaar ontwikkeld. De 19e eeuw stond in het teken van de afschaffing van de ‘traditionele’ zwarte slavernij. In de 20e eeuw is de aandacht voor deze slavernij stil komen te liggen en lag de focus enkel op de strijd tegen seksuele uitbuiting. In de 21e eeuw groeit het besef dat behalve seksuele uitbuiting, andere hedendaagse vormen van slavernij moeten worden tegengegaan. Van een traditionele definitie van slavernij waarbij slaven het eigendom zijn van anderen wordt overgestapt op een moderne invulling van mensenhandel waarbij daders praktisch de controle hebben over een ander individu met als doel uitbuiting. Deze uitbuiting kan zich voordoen in alle soorten bestaande sociaaleconomische industrieën. De komst van het VN Protocol mensenhandel in 20001 en het EU Kaderbesluit mensenhandel in 20022 vestigt naast seksuele exploitatie nadrukkelijk de aandacht op uitbuiting buiten de seksindustrie. Naar aanleiding van dit protocol en het kaderbesluit past Nederland in 2005 de wetgeving aan. Het artikel 250a Sr komt te vervallen en wordt vervangen door een nieuwe strafbepaling mensenhandel, artikel 273a Sr.3 Door de wetswijziging komen – behalve de in het oude art. 250a Sr strafbaar gestelde gedragingen – óók uitbuiting in arbeid of diensten buiten de seksindustrie (de arbeidsuitbuiting) en bepaalde activiteiten gericht op orgaanverwijdering binnen het bereik van de strafbepaling. De wetgever had daarbij geen behoefte aan afzonderlijke strafbaarstelling van seksuele uitbuiting, maar kiest voor één algemene mensenhandelbepaling waar op punten rekening wordt gehouden met de op seksuele uitbuiting gerichte mensenhandel.4 De bepaling wordt opgenomen onder de titel ‘misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid’.5
Mensenhandel in verhouding tot slavenhandel
De vraag rijst of met de invoering van de brede mensenhandelbepaling het slavenhandelverbod kan vervallen. De wetgever geeft aan dat er ‘vooralsnog bestaansgrond is voor afzonderlijke strafbaarstelling van slavenhandel en enige bijzonder deelnemingsvormen daaraan, mede gelet op het specifieke karakter van slavernij, zoals de volledige zeggenschap van de ene mens over de andere. De regering geeft er de voorkeur aan af te wachten hoe de nieuwe bepaling inzake mensenhandel in de praktijk zal worden toegepast. Als de nodige ervaring is opgedaan kan worden bezien of nog behoefte bestaat aan handhaving van specifieke bepalingen inzake slavenhandel’.6 Wat opvalt is dat de wetgever de strafbaarstelling van slavenhandel en het verbod op slavernij door elkaar gebruikt, als ware het substituten. De wetgever gaat er daarmee aan voorbij dat slavernij niet per definitie is opgenomen in artikel 274 Sr.7 Het had mijns inziens voorts veel meer voor de hand gelegen in de memorie van toelichting uitdrukkelijk te benoemen dat de traditionele slavernij (ik zou zelfs zeggen: vanzelfsprekend) onder de nieuwe mensenhandelbepaling valt. Niet voor niets is uitbuiting in het 2e lid van artikel 273a Sr omschreven als (onder meer) slavernij. Door te suggereren dat beide bepalingen mogelijk bestaansgrond hebben naast elkaar, wordt een onwenselijk en onduidelijk onderscheid aangebracht en is niet helder in hoeverre de artikelen elkaar overlappen. In § 3.4 wordt hierop teruggekomen.
Artikel 273a Sr
Het oude artikel 250a Sr wordt uiteindelijk geïntegreerd in artikel 273a Sr met de implementatie van de internationale verplichtingen. Het artikel wordt aangevuld (zie markering in grijs) en gewijzigd (hetgeen is verwijderd uit artikel 250a Sr is doorgehaald). Onder mensenhandel wordt nu verstaan:
1°. degene die een ander door dwang, geweld of een andere feitelijkheid of door dreiging met geweld of een andere feitelijkheid, door afpersing, fraude, misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft, werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen;
2°. degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt, met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen, terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
2° 3°. degene die een persoon ander aanwerft, medeneemt of ontvoert met het oogmerk die persoon ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling;
1° 4°. degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding of beweegt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar te stellen, dan wel onder voornoemde omstandigheden de onder 1° genoemde omstandigheden enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt beschikbaar stelt tot het verrichten van arbeid of diensten of zijn organen beschikbaar stelt;
3° 5°. degene die een ander ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen, dan wel ten aanzien van een ander enige handeling onderneemt waarvan hij of zij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor tot het verrichten van die handelingen beschikbaar stelt of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt, terwijl die ander minderjarig is de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
4° 6°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de uitbuiting van een ander seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich onder de onder 1° genoemde omstandigheden beschikbaar stelt tot het plegen van die handelingen;
7°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit de verwijdering van organen van een ander, terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat diens organen onder de onder 1° bedoelde omstandigheden zijn verwijderd;
5° 8°. degene die opzettelijk voordeel trekt uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, of de verwijdering van diens organen tegen betaling, indien die ander minderjarig is terwijl die ander de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt;
6° 9°. degene die een ander door geweld of een andere feitelijkheid of door bedreiging van geweld of een andere feitelijkheid met een van de onder 1° genoemde middelen dwingt dan wel door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding beweegt hem of haar te bevoordelen uit de opbrengst van zijn of haar diens seksuele handelingen met of voor een derde te bevoordelen of van de verwijdering van diens organen.
2. Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten, slavernij en met slavernij of dienstbaarheid te vergelijken praktijken.
De eerste twee subleden van lid 1 zijn gebaseerd op het protocol en het kaderbesluit. Deze instrumenten vereisen ten aanzien van de ‘volwassen’ mensenhandel drie componenten: een gedraging (het werven, vervoeren, etc.), een middel (dwang, geweld, etc.) en het oogmerk van uitbuiting. Bij de handel in minderjarigen is geen dwangmiddel vereist. De overige subleden zijn gestoeld op het oude artikel 250a Sr en waar nodig aangevuld. Zo is in verschillende subleden na de term seksuele handelingen toegevoegd of de verwijdering van organen.
Het is jammer dat de wetgever de implementatie van internationale verplichtingen niet heeft aangegrepen om het artikel grondig te herzien. Zoals reeds is opgemerkt in § 3.2.2 was het oude artikel 250a Sr al onduidelijk vormgegeven. De implementatie van de internationale regelgeving heeft het artikel alleen maar gecompliceerder gemaakt. Er zijn twee subleden vóór het oude artikel geplaatst en de oude bepalingen zijn aangevuld. Veel beter zou zijn geweest als was bedacht wat nu precies van belang is om strafbaar te stellen, welke bepalingen konden worden samengevoegd, wat kon worden afgedaan met deelnemingshandelingen en wat met een strafbare voorbereiding dan wel poging. De wetgever heeft zo allesomvattend willen zijn dat alle mogelijke handelingen ten aanzien van mensenhandel in de delictsomschrijving staan vermeld. Zoals in § 3.3 en hoofdstuk 6 zal blijken, kent het delict dan ook overlappende bepalingen en worden de algemene strafrechtleerstukken, zoals deelneming en poging, onvoldoende benut. Het delict is daardoor onnodig ingewikkeld.
Artikel 273f Sr
Het op 1 januari 2005 ingevoerde artikel 273a Sr is in 2006 zonder inhoudelijke wijziging vernummerd tot artikel 273f Sr.8 Voorts zijn op 1 juli 2009 de strafmaxima in artikel 273f verhoogd.9 Op 1 april 2013 zijn deze strafmaxima wederom verhoogd.10 Waar in 1911 nog vijf jaar stond op vrouwenhandel, in 1927 vijf jaar op vrouwenhandel én handel in minderjarigen, in 1994 zes jaar op mensenhandel, respectievelijk acht en tien jaar bij strafverzwarende omstandigheden (artikel 250ter Sr en vanaf 2000 artikel 250a Sr) in 2005 evenzo, daaraan toegevoegd vijftien jaren indien de mensenhandel de dood tot gevolge heeft (art. 273a Sr en vanaf 2006 artikel 273f Sr) worden de strafmaxima in 2009 ineens verhoogd naar acht, respectievelijk, twaalf, vijftien en achttien jaren en in 2013 naar twaalf jaren, vijftien, achttien, dertig of levenslang. In een eeuw tijd wordt het gronddelict meer dan twee keer zo zwaar gestraft en waar eerst alleen vijf jaar kon worden opgelegd voor vrouwenhandel, kan nu levenslang voor mensenhandel worden gegeven indien het feit de dood ten gevolge heeft. Alhoewel in 1999 in onderzoek naar de Nederlandse straftoemeting wordt geconcludeerd dat de strafmaxima in het commune strafrecht in 112 jaar tijd vrijwel ongewijzigd zijn, is dat beeld 10 jaar later ten aanzien van mensenhandel totaal veranderd: vanaf 2009 zijn de strafmaxima enorm opgeschroefd.11 Tegelijkertijd wordt het gronddelict nu maximaal even zwaar gestraft als slavenhandel in artikel 274 Sr vanaf 1886 (12 jaren), en past dat gelet op de overeenkomst van de delicten in het systeem van de wet.
Implementatie EU Richtlijn mensenhandel
Een laatste ontwikkeling inzake de strafbaarstelling van mensenhandel is het in juni 2012 verschenen wetsvoorstel ter implementatie van de EU Richtlijn mensenhandel.12 Bij wet van 6 november 2013 is dit voorstel van kracht geworden.13 De wet past onder meer het begrip mensenhandel op een aantal punten aan en verruimt de strafverzwaringsgronden.
In het navolgende komt eerst de aanpassing van het begrip mensenhandel en vervolgens de verruiming van de strafverzwaringsgronden aan bod.
Allereerst wordt lid 2 van de mensenhandelbepaling aangepast. Aan de omschrijving van uitbuiting wordt toegevoegd ‘bedelarij’ en de ‘uitbuiting van strafbare activiteiten’. Voorts is van de gelegenheid gebruik gemaakt een omissie te herstellen. Ten onrechte is ‘dienstbaarheid’ niet als zelfstandige vorm van uitbuiting genoemd, maar alleen als een praktijk die met dienstbaarheid te vergelijken is. De wijziging zet dit recht. Het tweede lid van artikel 273f Sr verandert als volgt (hetgeen is aangevuld, is grijs gemarkeerd en hetgeen is verwijderd, is doorgehaald):
‘Uitbuiting omvat ten minste uitbuiting van een ander in de prostitutie, andere vormen van seksuele uitbuiting, gedwongen of verplichte arbeid of diensten met inbegrip van bedelarij, slavernij en met slavernij en dienstbaarheid te vergelijken praktijken, dienstbaarheid en uitbuiting van strafbare activiteiten.’14
De minister verklaart dat bedelarij en uitbuiting van strafbare activiteiten (als vormen van arbeid) in feite reeds onder het huidige artikel vallen, maar is niettemin van mening dat het verstandig is dat de definitie van uitbuiting zoveel mogelijk aansluit bij de EU Richtlijn mensenhandel. Daarmee zou de definitie in de pas lopen met de meest recente internationale consensus.15 De uitbreiding zorgt echter wel voor een nog omvangrijker en daarmee complexere bepaling. De minister had er ook voor kunnen kiezen de richtlijn als geïmplementeerd te beschouwen, daar Nederland materieel gezien aan de verplichtingen voldoet.
Naast aanpassing van het tweede lid wordt in het eerste lid, in de onderdelen 1° en 2° aan het begrip ‘opneemt’ toegevoegd: ‘met inbegrip van de wisseling of overdracht van de controle over die ander’. Ook hier is de minister van oordeel dat deze handeling reeds onder het huidige artikel valt, maar dat het aanbeveling verdient aan te sluiten bij de definitie van de richtlijn.16 Hier kan dezelfde kanttekening bij worden geplaatst als bij de wijziging van het tweede lid: materieel gezien is de aanpassing niet noodzakelijk aangezien het begrip ‘opnemen’ ruim wordt geïnterpreteerd. De mensenhandelbepaling wordt door de aanpassing alleen maar omvangrijker en daardoor diffuser. De minister kiest hier aldus voor letterlijke overname van de EU Richtlijn mensenhandel (de copy-paste methode), maar had eveneens kunnen besluiten niets te veranderen daar Nederland reeds aan zijn materiële implementatieverplichtingen had voldaan.17
Voorts betreft de nieuwe wet de uitbreiding van strafverzwaringsgronden in het derde lid. In plaats van slachtoffers van zestien jaar en jonger wordt de leeftijd naar achttien jaar en jonger opgeschroefd en wordt eveneens als strafverzwarend aangemerkt de mensenhandel bij slachtoffers waarbij misbruik van een kwetsbare positie is gemaakt. Ten slotte wordt als strafverzwarend aangemerkt de mensenhandel die is voorafgegaan, vergezeld of gevolgd door geweld. Deze paragraaf bespreekt eerst de strafverhoging bij kindslachtoffers en andere kwetsbare personen en vervolgens de strafverzwaring bij geweld.
In de EU Richtlijn mensenhandel is opgenomen dat de lidstaten ervoor dienen te zorgen dat een maximum gevangenisstraf van ten minste tien jaar wordt gesteld indien de mensenhandel is gepleegd tegen een bijzonder kwetsbaar slachtoffer, waaronder ten minste kindslachtoffers vallen.18 De considerans noemt nog andere factoren die een persoon bijzonder kwetsbaar kunnen maken zoals geslacht, zwangerschap, gezondheidsproblemen en handicaps.19 Door de verhoging van de strafmaat in Nederland in 2013 bedraagt de maximumstraf voor het gronddelict mensenhandel twaalf jaar gevangenisstraf. Daarmee heeft Nederland reeds voldaan aan de verplichting volgend uit de richtlijn. De minister acht het echter noodzakelijk een duidelijke lijn te trekken en een algemeen criterium te hanteren: bijzonder kwetsbaar zijn álle kinderen, niet alleen de kinderen van zestien jaar en jonger.20 Dat betekent dat mensenhandel in kinderen altijd zou moeten leiden tot strafverzwaring. Ook al was het feitelijk niet nodig de strafmaat op te schroeven – de geformuleerde strafverzwaringsgrond past wel binnen het Nederlandse wetstelsel waarin minderjarigen worden aangemerkt als extra kwetsbaar. Delicten tegen deze kwetsbare personen worden vaker bedreigd met een zwaardere straf.21
Waar het in de considerans voorts gaat om ‘bijzonder kwetsbare personen’ heeft de minister als strafverzwarend aangemerkt de mensenhandel waarbij misbruik is gemaakt van een kwetsbare positie. Door het schrappen van het woord ‘bijzonder’ wordt de toepassing minder uitzonderlijk. Zoals hierna nog zal blijken, is in mensenhandelzaken veelal sprake van situaties waarin kwetsbare slachtoffers worden misbruikt. Dient dan steeds een zwaardere straf opgelegd te worden? Vooropgesteld: Nederland voldoet sinds 2013 aan de EU Richtlijn mensenhandel wat betreft de minimum maximumstraffen. Verdere wijziging ís niet noodzakelijk. De minister doet er nog een schepje bovenop door de strafverzwarende omstandigheden niet beperkt te houden tot bijzonder kwetsbare slachtoffers, maar álle kwetsbare personen. Met de voorgestelde uitbreiding valt het gros van de mensenhandelzaken onder de zwaardere strafbedreiging. Het is dan ook een understatement van de minister als hij zegt dat ‘met deze wijze van implementatie er geen misverstand over kan bestaan dat Nederland ten volle aan zijn implementatieverplichtingen voldoet’.22 Wederom was het feitelijk niet nodig de strafmaat op te hogen, maar past de strafverzwaringsgrond wel in het systeem van de wet. Bij diverse delicten wordt het misbruik van een kwetsbare positie als strafverzwarend element aangemerkt.23
Verder heeft de minister onder de verhoogde strafbedreiging opgenomen de mensenhandel waarbij gebruik is gemaakt van geweld. Ook op dit punt hanteert de minister een ruimer bereik dan de EU Richtlijn mensenhandel verlangt. De richtlijn stelt een minimum maximum gevangenisstraf van 10 jaar indien de mensenhandel gepaard is gegaan met ‘ernstige geweldpleging’.24 Zoals reeds opgemerkt voldoet het gronddelict in Nederland al aan dit strafmaximum. De wetsbepaling gaat nog verder door de term ernstig te schrappen en álle geweld als strafverzwarend aan te merken. De toevoeging van geweld als strafverzwarende omstandigheid past echter wel in het systeem van ons Wetboek van Strafrecht. In diverse delictsomschrijvingen zijn zowel de toepassing van geweld als het gevolg zwaar lichamelijk letsel aan een zwaardere strafbedreiging onderhevig dan de grondvorm.25
De verruiming van strafverzwaringsgronden leidt tot een opmerkelijk resultaat: indien geweld is toegepast of misbruik is gemaakt van een kwetsbare situatie kan een zwaardere straf worden opgelegd. Het is niet goed uit te leggen waarom slechts bij díe beïnvloedingsmiddelen zwaarder gestraft zou moeten worden en niet als bijvoorbeeld sprake is van bedreiging of mislei- ding. Bovendien heeft de Nederlandse rechter nu al de mogelijkheid een forse gevangenisstraf van 12 jaar op te leggen enkel ten aanzien van het gronddelict. Deze strafmaat komt al tegemoet aan de EU Richtlijn mensenhandel. Een strafverhoging was in dat opzicht niet noodzakelijk. Weliswaar passen de diverse strafverzwaringsgronden op zichzelf in het huidige systeem van onze wet. De uitwerking van de gronden bij het delict mensenhandel is niet optimaal. Het zorgt ervoor dat de strafverzwarende omstandigheid eerder regel wordt dan uitzondering. Hoofdstuk 5 komt hier op terug.
Tot slot wordt onder vernummering van het zesde lid tot zevende lid, een nieuw lid 6 ingevoerd, luidende:
‘Onder kwetsbare positie wordt mede begrepen een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.’26
De minister geeft aan dat de nationaal rapporteur mensenhandel weliswaar in haar advies heeft opgemerkt dat de uitleg van het begrip kwetsbare positie thans in de rechtspleging geen onduidelijkheden oplevert, maar stelt – omwille van een eenduidige implementatie – niettemin voor deze definitie op te nemen in artikel 273f Sr. De minister erkent dat in de rechtspraak reeds ruime uitleg wordt gegeven aan de begrippen ‘misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht’ en ‘misbruik van een kwetsbare positie’. De toevoeging van de term ‘mede inbegrepen’ in het nieuwe lid dient er dan ook voor te zorgen dat geen nauwere betekenis wordt gegeven dan nu het geval is. De richtlijn dient als ondergrens.27 De uitleg in het voorgestelde lid hoort mijns inziens beter thuis in de memorie van toelichting dan in de wet zelf. Bovendien is van de andere dwangmiddelen ook geen definitie opgenomen in het wetsartikel.28 Uit de toelichting van de minister volgt heel duidelijk dat de invoering van het extra lid níet noodzakelijk is. Immers in de rechtspraktijk wordt reeds ruimere uitleg gegeven aan het begrip ‘kwetsbare positie’ dan waar de richtlijn toe verplicht. Ook hier had kunnen worden volstaan met de constatering dat Nederland materieel gezien aan de EU Richtlijn mensenhandel voldoet. De letterlijke overname maakt de delictsomschrijving nog uitgebreider en daardoor complexer.