Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.6.2
3.6.2 Vorleistung of Vorleistungspflicht en opschorting
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950299:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/25; Klomp 2019a, aant. 3; Klomp 2019c, aant. 1.1; Klomp 2019d, p. 184-185; Dammingh & Klomp 2014, p. 33 en Klomp 2010, vraag 5.
Zie § 3.2.
Wolters, Opschortingsrechten (Mon. BW nr. B32b) 2022/25; Klomp 2019c, aant. 1.1; Logmans 2011, p. 50 en Hof Arnhem-Leeuwarden 17 september 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:7567, r.o. 5.5. Zie ook Valk 2022b, aant. 2, sub a. Zie voorts Klomp 2019a, aant. 3; Klomp 2019d, p. 184-185 en Klomp 2010, vraag 5, waarbij hij wel opmerkt dat de schuldenaar dan ‘geen behoefte’ heeft aan een opschortingsrecht, omdat die zich ‘kan’ beroepen op het feit dat de schuldeiser eerst dient te presteren. Zie anders Dammingh & Klomp 2014, p. 33.
Vgl. de door Dammingh & Klomp 2014, p. 34 gegeven voorbeelden dat het in restaurants gebruikelijk is dat de gast eerst bestelt en consumeert alvorens te betalen en dat het tegenovergestelde doorgaans het geval is voor de klant die een bestelling in een webshop plaatst. De respectievelijk restauranthouder en de klant hebben een Vorleistungspflicht.
Zie § 3.6.5 over de opbouw van het verweer van de schuldenaar.
Zie § 3.6.3.
Hierin is ook de reden gelegen dat ik de Vorleistungspflicht behandel in deze paragraaf over de opeisbare verbintenis in plaats van in de paragraaf over een opeisbare vordering (§ 3.4.3), omdat ik denk dat deze plicht tot eerst presteren in het geval van het algemene opschortingsrecht specifiek geformuleerd kan worden, nu deze betrekking heeft op de schuldeiser als bedoeld in art. 6:52 lid 1 BW. Zie over art. 6:80 BW § 3.5.2.
De verplichting dat een van de partijen eerst zelf dient te presteren, wordt ook wel Vorleistung of Vorleistungspflicht genoemd.1 In een opschortingsgeval kan zowel de schuldenaar als zijn wederpartij gehouden zijn eerst zelf te presteren, omdat partijen elkaars schuldeiser en schuldenaar zijn.2
In § 3.4.3 kwam de situatie aan de orde waarin een opeisbare vordering ontbreekt vanwege het niet vervullen van de voorwaarde dat de schuldenaar eerst zelf moet presteren. In dat kader heb ik het voorbeeld behandeld van de aannemer die eerst het werk moet realiseren, alvorens zijn vordering tot betaling van de prijs voor dat werk opeisbaar wordt. De aannemer die tot nakoming van zijn verbintenis tot realisatie van het werk wordt aangesproken, is de schuldenaar als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW. Wenst hij deze verbintenis op te schorten, dan zal hij een opeisbare vordering moeten hebben op zijn opdrachtgever, die de wederpartij of schuldeiser als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW is. Het ontbreekt de aannemer echter aan een opeisbare vordering, omdat de opeisbaarheid van de vordering tot betaling van de prijs voor het werk afhankelijk is van de realisatie van dat werk. De aannemer is dus niet opschortingsbevoegd. Aan de opeisbaarheid van de verbintenis van de aannemer tot realisatie van het werk doet het niet af. Schematisch kan dit als volgt worden weergegeven:
Dit geval verschilt van het in deze paragraaf te behandelen geval waarin de verbintenis van de schuldenaar niet opeisbaar is, omdat de wederpartij eerst zelf moet presteren. Deze gevallen betreffen elkaars spiegelbeeld. Het perspectief verandert, omdat de aannemer de wederpartij of schuldeiser als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW wordt en de opdrachtgever de schuldenaar als bedoeld in dit artikel wordt. Nu is het niet meer de aannemer die tot realisatie van het werk wordt aangesproken, maar de opdrachtgever die door de aannemer tot betaling wordt aangesproken:
Bij dit geval zou de vraag kunnen rijzen of de opdrachtgever, die als laatste mag presteren, bevoegd is de nakoming van zijn verbintenis tot betaling van de aanneemsom op te schorten in verband met zijn opeisbare vordering op zijn aannemer tot realisatie van dat werk. Ik denk echter dat die vraag zonder belang is.
Aangenomen wordt wel dat de partij die als laatste mag presteren een eventueel opschortingsrecht heeft, omdat die wel een opeisbare vordering heeft.3 Dat is denk ik niet juist. De wederpartij heeft een Vorleistungspflicht.4 De schuldenaar kan zich tegen de van hem verlangde nakoming verweren met een beroep op de Vorleistungspflicht. In het voorbeeld kan de opdrachtgever zich verweren door zich te beroepen op de niet-opeisbaarheid van zijn betalingsverbintenis, omdat de opeisbaarheid juist afhankelijk is van eerst de nakoming van de vordering door de aannemer. Zou de schuldenaar evenwel een onvoorwaardelijk beroep doen op artikel 6:52 lid 1 BW, dan impliceert dat opeisbaarheid van zijn verbintenis en hij zou dat daarmee zelfs kunnen erkennen, terwijl dat juist is waar het in een dergelijk geval aan schort.5
Wanneer de Vorleistungspflicht op de wederpartij of de schuldeiser als bedoeld in artikel 6:52 lid 1 BW rust, kan de schuldenaar daaraan een verweer tegen verlangde nakoming ontlenen en zal die daaraan moeten ontlenen.6 Rust de plicht tot eerst presteren op de schuldenaar, dan ontbreekt het hem aan een opeisbare vordering en is hij dáárom niet opschortingsbevoegd, behoudens de toepasselijkheid van artikel 6:80 BW en artikel 6:263 BW.7