Einde inhoudsopgave
De grenzen voorbij (NJV 2019-1) 2019/2.3
2.3 Het grondgebied van de mensheid
dr. L.J.M. Boer LL.M, prof. dr. W.G. Werner, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
dr. L.J.M. Boer LL.M, prof. dr. W.G. Werner
- JCDI
JCDI:ADS380017:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Internationaal publiekrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Jeppe Strandsbjerg, ‘The Cartographic Constitution of Global Politics’, paper voor de workshop ‘Constructions of Globality’ Danish Institute for International Studies, 17-18 June 2013, p. 8.
Robert David Sach, Human Territoriality: Its Theory and History, Cambridge University Press: 1986, p. 132.
Zoals Carl Schmitt opmerkte: “The antithesis of land and sea as an anthithesis of diverse spatial orders is a modern phenomenon. It governed the structure of European international law only after the 17th and 18th centuries, i.e., only after the oceans had opened up and the first global image of the earth had emerged”. Carl Schmitt, The Nomos of the Earth in the International Law of the Jus Publicum Europeaeum, Telos Press: 2003, p. 54.
Franciscus de Vitoria, De Indis et de Iure Belli Relectiones, Carnegie Institution of Washington: 1917 [1539], deel III.
Hugo Grotius, The Freedom of the Seas. Or the right which belongs to the Dutch to take part in the East Indian Trade, Oxford University Press: 1916 [1609], p. 327.
Voor een discussie zie Tanja Aalberts en Thomas Gammeltoft-Hansen, ·Sovereignty at Sea: Law and Politics of Saving Lives on Mare Liberum’, 17 Journal of International Relations and Develoment (2014), p. 439-468.
Emer de Vattel, Le droit des gens, ou Principes de la loi naturelle, vol. 1, 1758, 170 (beschikbaar via https://oll.libertyfund.org/titles/vattel-le- droit-des-gens-ou-principes-de-la-loi-naturelle-vol-1).
Voor een analyse zie: Irini Papanicolopulu, The Duty to Rescue at Sea, in Peacetime and War: A General Overview, 98 International Review of the Red Cross 2 (2016), p. 491-514.
Zie hiervoor onder andere de artikelen van de International Law Commission inzake het recht van de zee: Yearbook of the International Law Commission, vol. 2 (1956), p. 281.
Verdrag van de Verenigde Naties Inzake het Recht van de Zee en de Overeenkomst inzake de Toepassing van Deel XI van dat Verdrag, Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen L 179/3.
Papanicolopulu, 2016, p. 493, 494. De vindplaatsen van de verdragen zijn respectievelijk: International Convention for the Safety of Life at Sea, 1184 UNTS 278, 1 November 1974; International Convention on Maritime Search and Rescue, 1405 UNTS 118, 27 April 1979; International Convention on Salvage, 1953 UNTS 165, 28 April 1989.
Aalberts en Gammeltoft-Hansen, 2014, p. 449.
We kwamen deze kaarten onder andere op het spoor via een artikel van Molly Sauter, ‘Show Me on the Map Where They Hacked You: Cyberwar and the Geospatial Internet Doctrine’, 47 Case Western Reserve Journal of International Law 63 (2015). Zie ook Boer, Spoofed Presence, p. 131-132.
De opkomst van de territoriaal begrensde staat deed echter nog een andere vraag rijzen: hoe moet het grondgebied van soevereine staten worden afgebakend tegenover gebieden zoals de volle zee? Een mogelijke oplossing zou zijn geweest om alle gebieden op aarde toe te wijzen aan soevereine staten – zoals werd geclaimd in het Verdrag van Tordesillas (1494). Dit verdrag, waarin Spanje en Portugal met pauselijke zegen de niet-Europese wereld onderling trachtten te verdelen, was niet toevallig gebaseerd op een geheel andere conceptie van grondgebied dan toentertijd gebruikelijk in Europa. Waar Europese gebieden nog vooral werden begrepen als series unieke plaatsen met overlappende jurisdicties, werd de ‘Nieuwe Wereld’ beschouwd als een vrije ruimte die kon worden geduid in termen van abstracte geometrische categorieën. Zoals Jeppe Strandsbjerg betoogt: “[I]t was already decided that Brazil would belong to the crown of Portugal even prior to its ‘discovery’ in 1500, and it was thus the Treaty based on a cartographic reality of the world that came to decide ‘the reality on the ground’ and not the other way around”.1 Hiermee werd het Verdrag van Tordesillas baanbrekend omdat: “for the first time in history an abstract geometric system had been used to define a vast – global – area of control”.2
Deze benadering van gebieden zoals de volle zee werd echter niet geaccepteerd in het moderne volkenrecht. Onder invloed van denkers zoals Vitoria en Grotius werd de volle zee in plaats daarvan geconceptualiseerd als een vrije ruimte, die toebehoort aan de mensheid als geheel. De volle zee werd niet beschouwd als terra nullius dat in beginsel kan worden toegeëigend, maar als een open, vrije ruimte die zich verzet tegen claims van eigendom of soevereiniteit.3 Een van de gronden die voor deze conceptualisering werd aangevoerd, was het in het natuurrecht gefundeerde ius communicationis. Dit natuurrecht hield onder andere in dat politieke gemeenschappen verplicht waren om de vrijheid van reizen, evangeliseren en handel te respecteren. Ook hield het in dat politieke gemeenschappen die deze rechten dwarsbomen, een natuurlijk recht schenden dat toebehoort aan de mensheid als geheel. Wanneer andere middelen niet effectief blijken, zouden dergelijke gemeenschappen via een rechtvaardige oorlog gedisciplineerd mogen worden4 en zelfs worden beschouwd als vijanden van de mensheid (hostes humani generis).5
Het idee dat bepaalde gebieden vrijelijk toebehoren aan de mensheid als geheel, is tot op de huidige dag onderdeel van het volkenrecht. Toch is er een belangrijk verschil met de manier waarop Vitoria en Grotius dachten over de volle zee en het ius communicationis. In het huidige volkenrecht worden veel gebieden die toebehoren aan de mensheid (ook) beschouwd als ruimtes die bescherming behoeven, en als gebieden wier opbrengsten eerlijk dienen te worden verdeeld tussen de staten. Met andere woorden: gebieden die toebehoren aan de mensheid als geheel worden niet alleen geconceptualiseerd als vrij, maar (ook) als gebieden ten behoeve waarvan staten gezamenlijk inspanningen dienen te verrichten. Neem bijvoorbeeld het Ruimteverdrag (Outer Space Treaty, 1967). De eerste artikelen definiëren de ruimte als een gebied dat behoort aan de mensheid als geheel (‘providence of mankind’) en verbiedt dientengevolge “national appropriation through sovereignty claims by means of use or occupation, or by any other means” (artikel 2). De ruimte wordt geconceptualiseerd als een zone die staten vrijelijk kunnen gebruiken en exploreren; een conceptualisering van gebied die lijkt op de manier waarop Vitioria en Grotius spraken over de volle zee. Echter, deze vrijheidsrechten worden tegelijkertijd aangevuld door andere bepalingen uit het verdrag. Deze bepalingen zetten uiteen dat staten hun vrijheid moeten gebruiken ten behoeve van alle andere staten: “The exploration and use of outer space, including the moon and other celestial bodies, shall be carried out for the benefit and in the interests of all countries, irrespective of their degree of economic or scientific development …” (artikel 1). Andere bepalingen leggen staten verplichtingen op ter bescherming van het milieu en waarborging van de rechten van andere staten (bijvoorbeeld artikel 9). Het voorbeeld van het Ruimteverdrag laat zien dat in het huidige volkenrecht de toewijzing van gebieden aan de mensheid (soms) gepaard gaat met noties van solidariteit, zorg en voorzorg. Het grondgebied van de mensheid als geheel is niet langer uitsluitend een vrij gebied, maar ook een gebied dat onderwerp is van gedeelde zorg van de mensheid als geheel.
Zo blijft ook bij de bescherming van de (vrijheid van) gemeenschappelijke ruimten een belangrijke rol weggelegd voor staten. Een goed voorbeeld hiervan kan worden gevonden in de plicht tot het redden van levens op de volle zee. Deze plicht werd al erkend in onder andere Grotius’ Mare Liberum6 en Vattel’s Droit des Gens7 alsmede in verschillende verdragen sinds het begin van de twintigste eeuw.8 De plicht tot het redden van levens op volle zee werd in 1958 neergelegd in het VN Verdrag inzake het Recht van de Zee (UNCLOS). Artikel 98 van het Verdrag uit 1982, dat ook kan worden beschouwd als een regel van internationaal gewoonterecht,9 stelt het volgende:
“1. Iedere staat dient de kapitein van een schip dat zijn vlag voert ertoe te verplichten dat hij, voorzover hij zulks kan doen zonder ernstig gevaar voor het schip, de bemanning of de passagiers: a) hulp verleent aan een ieder die hij op zee in levensgevaar aantreft; b) met de grootst mogelijke spoed personen die in nood verkeren te hulp komt, indien hem is medegedeeld dat zij hulp behoeven, voorzover een dergelijke handel- wijze redelijkerwijze van hem verwacht kan worden; c) na een aanvaring hulp verleent aan het andere schip, zijn bemanning en passagiers en, indien mogelijk, het andere schip de naam van zijn eigen schip, de haven waar het is geregistreerd en de dichtsbijzijnde haven waar het zal aanlopen, mededeelt.
2. Iedere kuststaat bevordert de oprichting, het functioneren en het onderhoud van een voor zijn taak berekende en doeltreffende opsporings- en reddingsdienst ten behoeve van de veiligheid op en boven de zee en dient, waar de omstandigheden zulks nodig maken, hiertoe met zijn buurstaten regionale overeenkomsten voor wederzijdse samenwerking te sluiten.”10
Artikel 98 bevat een plicht voor twee betrokken staten: de vlaggenstaat en de kuststaat. De laatste staat is gehouden tot een aanzienlijke inspanningsplicht, die nader is gespecificeerd in een aantal verdere verdragen zoals de Convention for the Safety of Life at Sea, de International Convention on Maritime Search and Rescue en de International Convention on Salvage.11 Zoals Aalberts en Gammeltoft-Hansen hebben betoogd, is de plicht tot het redden van levens op volle zee sinds de jaren zeventig van een relatief onomstreden kwestie tot een zaak van groot politiek belang geworden. Deze ontwikkeling werd in gang gezet door de stijging van het aantal migranten op zee dat een beroep deed op asiel bij de staat die de reddingsoperatie uitvoerde. Dit leidde tot een situatie waarin verschillende staten verantwoordelijkheid voor de betreffende migranten probeerden af te schuiven op andere staten.12 Om de positie van migranten op zee te beschermen, werden in 2004 verschillende amendementen aan het Verdrag inzake veiligheid op zee toegevoegd, die tot doel hebben de geredde personen op een veilige plek van boord te kunnen laten gaan, zonder daarbij staten een plicht op te leggen om personen tot hun grondgebied toe te laten. Deze amendementen traden in 2006 in werking, maar binden uiteraard alleen de partijen die deze hebben geaccepteerd. Een van de staten die de amendementen niet hebben geaccepteerd, is Malta. Voor dit preadvies is het interessant om op te merken dat deze amendementen ook hebben geleid tot een nieuwe vorm van territoriale verdeling van de volle zee, waarbij aan staten een primaire verantwoordelijkheid werd toebedeeld om er voor zorg te dragen dat staten hun handelingen coördineren en dat zij samenwerken teneinde een veilige plek te vinden waar geredde personen van boord kunnen gaan. Wat in de geschriften van Grotius nog werd verbeeld als een open, lege ruimte, wordt in het verdrag van 2004 weergegeven als een ruimte die strikt is opgedeeld in verschillende zones.
In de volgende paragraaf illustreren we de op de vorige pagina’s uiteengezette noties van territoir aan de hand van het volkenrechtelijk debat over cyberspace. Zoals gezegd wordt wel gedacht dat cyberspace een fundamenteel probleem vormt voor de toepassing van het volkenrecht vanwege het ‘virtuele’ karakter van de ruimte. Cyberspace, zo gaat de redenering, is in wezen een ongrijpbare plek die zich niet laat vangen in bestaande noties van territoriale jurisdictie. Aan de andere kant van het spectrum zijn er juristen die stellen dat cyberspace gewoon gereguleerd kan worden aan de hand van bestaande volkenrechtelijke normen. Zij stellen dat er ‘niks nieuws’ onder de zon is: cyberspace is business as usual. Aan de hand van drie verschillende manieren om cyberspace – letterlijk – in kaart te brengen laten we zien hoe deze pogingen om deze ruimte volkenrechtelijk te duiden, vorm krijgen.13