Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/1.5:1.5 Begrippen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/1.5
1.5 Begrippen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Een goed voorbeeld is het woord ‘onderzoek’ in de Wegenverkeerswet (WVW). Er is pas sprake van alcoholonderzoek in de zin van artikel 163 WVW als aan alle procedurele voorschriften is voldaan.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Doordat wetenschappers uit diverse disciplines reflecteren op het recht en op vragen van bewijs in meer algemene zin, wordt op het domein van het strafrechtelijk bewijs een veelheid van begrippen gehanteerd. Zo gebruiken artsen en statistici (begrijpelijkerwijs) andere termen wanneer zij spreken over vragen van strafrechtelijk bewijs, dan wetenschappers die bijvoorbeeld vanuit epistemologisch of rechtspsychologisch perspectief reflecteren op het bewijs(recht). Juristen hebben een eigen begrippenkader, waarvan vaak niet duidelijk is hoe bepaalde begrippen zich precies verhouden tot - op het eerste gezicht vergelijkbare - begrippen uit andere disciplines. Het verschil in terminologie bemoeilijkt het zicht op de inhoud en komt de communicatie tussen juristen en personen die vanuit andere disciplines een bijdrage leveren aan de discussie en theorievorming omtrent het strafrechtelijk bewijs niet ten goede. Voor dit onderzoek is van belang om de voor het thema relevante begrippen te verhelderen, met het oog op normering van het gebruik van getuigenverklaringen voor de bewijsbeslissing. Het normeren van bepaalde onderdelen van de totstandkoming en waardering van getuigenverklaringen is alleen mogelijk als duidelijk is wat daar precies onder valt.
Bij de keuze en invulling van de verschillende begrippen is getracht zoveel mogelijk aan te sluiten bij terminologie van de wet en de begrippen die de Hoge Raad hanteert in relatie tot het bewijs en het gebruik van getuigenverklaringen. Aan de keuze voor het hanteren van de juridische terminologie zitten evenwel haken en ogen. In de eerste plaats is dit het geval omdat juristen vaak (normatief) geladen termen gebruiken die op lezers uit andere disciplines soms vreemd en wellicht zelf enigszins naïef overkomen. Denk in dit verband aan termen als ‘waarheidsvinding’ en ‘feitenvaststelling’ die bij wetenschappers uit andere disciplines steevast vragen oproepen (valt ‘de’ waarheid dan te vinden en kunnen feiten wel worden ‘vastgesteld’?). In de tweede plaats is dit het geval omdat een aantal centrale begrippen op het terrein van het bewijsrecht, zoals bewijswaarde en redengevendheid, in de Nederlandse doctrine niet helder is geconceptualiseerd waardoor voor de invulling van deze begrippen toch weer wordt gekeken naar vergelijkbare begrippen in andere disciplines of in andere rechtsstelsels waar de theorievorming omtrent bewijs sterker is ontwikkeld.
Een complicerende factor is dat juristen soms termen gebruiken die buiten het juridisch domein een andere betekenis hebben. Zo betekent het begrip betrouwbaarheid in de sociaalwetenschappelijke context iets anders dan in de juridische context. Soortgelijke problemen doen zich ook voor in vergelijking met het dagelijks taalgebruik. Kenmerkend voor de juridische begrippen op het terrein van strafvordering is dat deze zijn ‘geformaliseerd’ ten opzichte van het normale spraakgebruik.1 Zo was het begrip ‘getuige’ lange tijd gereserveerd voor personen die op het onderzoek ter terechtzitting (formeel moment) een verklaring aflegden, terwijl dit woord in het dagelijks taalgebruik een veel bredere betekenis heeft. In de rechtspraak en de literatuur wordt het juridisch getuigenbegrip echter niet altijd helder onderscheiden van het algemeen gangbare begrip ‘getuige’.
De begripsverwarring die als gevolg van de diversiteit van de gehanteerde begrippen op de loer ligt, is mede aanleiding om in verschillende hoofdstukken afzonderlijk aandacht te besteden aan de te hanteren terminologie en de uitleg ervan. Dit onderzoek behelst vanzelfsprekend geen volledig dogmatische studie naar deze begrippen, maar beperkt zich tot die begrippen die voor de normering van de getuigenverklaring in de context van het bewijs relevant zijn. Nader onderzoek naar de begrippen legt echter wel beperkingen en zwaktes bloot ten aanzien van de wijze waarop in het Nederlandse strafproces met vragen van bewijs en in het bijzonder getuigenverklaringen wordt omgegaan.