Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/III.3.5
III.3.5 Subjectieve kanttekeningen
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178681:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie HR 20 september 2002, NJ 2002/610, m.nt. Du Perron (ING/Muller q.q.), rov. 4.3 en HR 20 februari 2004, NJ 2005/493, m.nt. Du Perron (DSM/Fox), rov. 4.3.
HR 25 november 2016, NJ 2017/114, m.nt. Tjong Tjin Tai (FNV/Condor), rov. 3.5.
HR 22 oktober 2010, NJ 2011/111, m.nt. Verstijlen (Kamsteeg/Lisser), rov. 4.2.3 en HR 8 juli 2016, NJ 2016/325 (Melber/De Goede), rov. 4.2.3.
MüKoBGB/Engelhardt 2017, § 23 WEG Rn. 30, die als zodanig aanmerkt besluiten die voor de rechtsopvolgers van de appartementseigenaren zonder belang zijn.
Zie Hof ’s-Gravenhage 2 mei 1986, NJ 1987/424 (Postduivenvereniging De Eendracht), rov. 6 resp. Rb. Amsterdam 15 mei 1996, JOR 1996/71, m.nt. Van den Ingh (Thomas Rap), rov. 11.
Dat geldt met name ‘echte’ derden. Vgl. § IV.7.2.
De zonet aangevoerde argumenten pleiten voor de cao-norm, maar laten onverlet dat onder omstandigheden een meer subjectieve uitleg aangewezen is. De rechtspositie van derden en de rechtszekerheid wegen mijns inziens niet zo zwaar, dat de uitleg van een besluit steeds naar objectieve maatstaven moet plaatsvinden. Wat de uitwerking naar derden betreft kan niet gezegd worden dat elk besluit ‘naar zijn aard’ bedoeld is om de rechten van ‘een groot aantal derden’ vast te leggen. Niet elk besluit voldoet aan het strenge criterium dat de Hoge Raad voor de toepasselijkheid van de cao-norm aanlegt.1 En ook de rechtszekerheid is geen in steen gehouwen grootheid. De cao- norm is daarom niet meer dan een uitgangspunt. De rechter zal, als hij een besluit moet uitleggen, de omstandigheden van het geval in ogenschouw moeten nemen. Die omstandigheden kunnen aanleiding geven om het besluit in kwestie te ‘haviltexen’, dat wil zeggen niet alleen te kijken naar de taalkundige betekenis in de schriftelijke stukken maar ook naar de zin die betrokkenen daaraan over en weer hebben gegeven. Niet elk besluit is dus hetzelfde. Dit sluit aan bij de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin terugkomt dat voor elke rechtshandeling en voor elk onderdeel daarvan per geval de uitlegmaatstaf moet worden bepaald. Zo geldt voor een cao niet altijd de cao-norm.2 En ook obligatoire bedingen in een als regel objectief uit te leggen goederenrechtelijke vestigingsakte vallen onder Haviltex.3
Aan welke ‘omstandigheden’ kan worden gedacht? Allereerst kan het vaststaan of aannemelijk zijn dat een besluit weinig anderen raakt dan degenen die eraan hebben meegewerkt. Een besluit kan op één enkele betrokkene betrekking hebben of in tijd een beperkte werking hebben. In het Duitse VvE-recht wordt wel van ‘Einzelfallbeschlüsse’ gesproken.4 Voorbeelden zijn een toelatingsbesluit in een vereniging en een bezoldigingsbesluit in een NV of BV. Zulke besluiten werken in de regel jegens enkelen en kunnen daarom subjectief worden uitgelegd. Overigens doet hun eenzijdige karakter er mijns inziens niet aan af dat relevant is hoe de geadresseerde van het besluit het besluit redelijkerwijs heeft mogen opvatten.
Verder kunnen de verhoudingen binnen de rechtspersoon van sterk besloten aard zijn. Het typisch voorbeeld is een joint-venture waarin een ontslagbesluit wordt genomen. Als dat besluit uitleg behoeft, komt het aan op de bedoeling die de partners in de joint venture daarmee hadden. Voor een objectieve uitleg is geen grond. Besluiten in zulke rechtspersonen richten zich naar hun aard slechts tot enkele betrokkenen, en het is aannemelijk dat ze geen uitstraling naar (toekomstige) derden hebben. De rechtszekerheid speelt in dergelijk besloten kringen geen rol. De rechter kan in de uitleg alle gegevens betrekken en moet kijken naar de gemeenschappelijke bedoeling die ‘partijen’ met het besluit hadden.
Hoe dan ook ligt het in de rede om bepaalde besluiten juist wel objectief uit te leggen. Ik denk dan vooreerst, zoals bij de totstandkoming (§ 2.3), aan besluiten met zwaarwegende consequenties. Tot een royement moet wel zeker uitdrukkelijk en op niet mis te verstane wijze worden besloten, zoals ook een emissie van aandelen – zeker als die tot grote verwatering leidt – een expliciet en duidelijk besluit behoeft.5 Iets soortgelijks geldt voor derden die zich geconfronteerd zien met een extern werkend besluit. Er zal snel reden zijn zulke besluiten objectief uit te leggen, omdat derden geen kennis konden nemen van de interne besluitvormingsprocessen binnen de rechtspersoon.6 Ten aanzien van derden moet onduidelijkheid van een besluit voorts voor rekening komen van de rechtspersoon, hetgeen een de derde welgevallige uitleg kan inhouden. Ten slotte moet de rechter het ‘hineininterpretieren’ van besluiten waar mogelijk vermijden. Als een specifiek geraakte niet kon voorzien dat een besluit een zekere inhoud had, als gevolg waarvan hij niet tijdig de vernietiging heeft gevorderd, geeft het geen pas het besluit aldus uit te leggen dat die betrokkene de vervaltermijn tegen zich krijgt geworpen.