Vgl. JIN-noot punt 6 onder HR 11 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:162, NJ 2022/76, PJ 2022/16 m.nt. E. Lutjens, JIN 2022/61 m.nt. W.C.M. Donner-Broersma (ASR/X): “Er zijn tal van werkgevers – waaronder werkgevers die zijn aangesloten bij de cao – die een recht op onvoorwaardelijke indexatie met betrekking tot reeds opgebouwde pensioenaanspraken hebben gewijzigd in een voorwaardelijk recht op indexatie zonder dat een collectieve waardeoverdracht heeft plaatsgevonden. Indien de Hoge Raad oordeelt dat een dergelijke wijziging inderdaad strijdig is met art. 20 Pensioenwet, dan kan dat zeer grote financiële consequenties met zich meebrengen. Het is dan ook wachten op het verlossende oordeel van de Hoge Raad hieromtrent.” (Onderstreping A-G)
HR, 24-06-2022, nr. 21/00370
ECLI:NL:PHR:2022:617
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
24-06-2022
- Zaaknummer
21/00370
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2022:617, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑06‑2022
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑06‑2021
Beroepschrift, Hoge Raad, 05‑03‑2021
Conclusie 24‑06‑2022
Inhoudsindicatie
Pensioenrecht. Procesrecht. Art. 19 Pw/art. 7:613 BW en art. 20 Pw. Wijzigingsbeding in arbeidsovereenkomst en (t.b.v. werkgever) in pensioenreglement. Wijziging van onvoorwaardelijke toeslag voor deelnemers. Financieringsafspraken in uitvoeringsovereenkomst. Zwaarwichtig belang. HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1869, NJ 2021/84 (Fair Play I). Art. 23 Rv. Art. 843a Rv.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 21/00370
Zitting 24 juni 2022
CONCLUSIE
G.R.B. van Peursem
In de zaak
Stichting Autoriteit Financiële Markten
(“AFM”)
adv. F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim
tegen
1. [verweerder 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3]
(samen: “ [verweerders] ”)
adv. H.J.W. Alt
Deze zaak – en de parallelle zaak 21/00366 – gaat in de kern over wijzigingen in de pensioenovereenkomst tussen AFM en haar werknemers. Een aantal werknemers verzet zich tegen die wijzigingen. Het hof oordeelde dat een deel van de pensioenregeling eenzijdig kon worden gewijzigd door AFM, maar een ander deel niet. Hoewel de uitkomst in materiële zin op het belangrijkste punt van het niet kunnen wijzigen waar sprake is van opgebouwde pensioenrechten in de vorm van onvoorwaardelijke toeslag voor deelnemers in verband met art. 20 Pensioenwet (hierna: Pw) juist voorkomt en het ook dienstig is dat te benadrukken voor het vervolg van deze zaak (en andere zaken, omdat deze problematiek een duidelijk zaaksoverschrijdend karakter heeft en men in pensioenland uitkijkt naar een Hoge Raad oordeel hierover1.), treft een aantal klachten in het principale en incidentele cassatieberoep in mijn analyse (niettemin) doel. Dit betreft in het principale beroep onderdelen 1.2, 1.3, 2.3, 2.4.1, 2.7 en 3.3 (par. 4 van deze conclusie). In het incidentele beroep slagen de onvoorwaardelijke onderdelen 2.1-Ig en h, 2.2-IIb t/m e en in zoverre de voortbouwklacht uit 2.3 voor zover deze zien op de in rov. 3.14 en het dictum afgewezen incidentele inzage (par. 3) en verder de klachten uit onderdeel 2.0 en delen van onderdeel 2.2-Id en in zoverre de voortbouwklacht in onderdeel 2.3 (par. 5).
AFM komt in het principale cassatieberoep met drie onderdelen op tegen het arrest. Het eerste onderdeel bevat klachten gericht tegen het oordeel dat AFM een aantal afspraken niet kon wijzigen gelet op art. 20 Pw. In mijn ogen kon AFM de onvoorwaardelijke toeslag voor deelnemers niet wijzigen, maar de klacht over het oordeel over de voorwaardelijke toeslag voor gewezen deelnemers en gepensioneerden slaagt wel. Het tweede onderdeel komt erop neer dat het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 niet kon oordelen dat vier wijzingen in de uitvoeringsovereenkomst niet ten opzichte van [verweerders] als deelnemers konden worden doorgevoerd. Ik meen dat een deel van de klachten in dit onderdeel slaagt, samengevat omdat art. 20 Pw niet de wijziging van financieringsafspraken in de uitvoeringsovereenkomst belet. Met het derde onderdeel richt AFM zich op het dictum, waarin het hof volgens AFM niet de delen kon uitspreken die betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst. Daarmee lijkt het hof inderdaad in strijd met art. 23 Rv buiten het petitum van [verweerders] te zijn getreden.
[verweerders] hebben (grotendeels onvoorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. Het betreft in de eerste plaats slagende klachten dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden bij het oordeel over het wijzigingsbeding in het pensioenreglement. Na aanvankelijke aarzeling kom ik tot verwerping van de klachten over het oordeel dat AFM een beroep kan doen op het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst ondanks het toegespitste wijzigingsbeding in de pensioenovereenkomst. Wel slagen onvoorwaardelijk voorgestelde klachten over het summiere oordeel van het hof over de incidentele inzagevordering ex art. 843a Rv.
Ook de andere incidentele klachten zijn deels terecht voorgesteld: door de individuele belangen van [verweerders] niet mede bepalend te laten zijn voor de vraag hoe gewichtig het belang van AFM bij wijziging van de pensioenovereenkomst was, is de rechtspraak uit het Fair Play I-arrest2.uit 2019 miskend.
1.Feiten3.
1.1 AFM houdt als gedragstoezichthouder toezicht op de financiële markten: sparen, beleggen, verzekeren en lenen.
1.2 [verweerders] zijn op basis van een arbeidsovereenkomst werkzaam voor AFM, in de functie van senior toezichthouder. [verweerder 1] , geboren [geboortedatum] 1967, is in dienst sinds 1 september 2006, [verweerder 2] , geboren [geboortedatum] 1982, is in dienst sinds 1 maart 2013 en [verweerder 3] , geboren op [geboortedatum] 1972, is in dienst sinds 15 maart 2013.
1.3 In art. 4 van de arbeidsovereenkomst van [verweerders] is bepaald dat [verweerders] deelnemen aan de collectieve pensioenregeling. De voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het Pensioenreglement, dat onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids (hierna: de pensioenregeling).
1.4 In art. 8 van de arbeidsovereenkomst van [verweerders] is, voor zover van belang, het volgende bepaald:
“1. De Werknemer heeft kennis genomen van het bepaalde in de Personeelsgids en verklaart daarmee akkoord te gaan. De inhoud van de Personeelsgids wordt geacht onderdeel van deze arbeidsovereenkomst uit te maken.”
1.5 In art. 10 van de arbeidsovereenkomst van [verweerders] is het volgende bepaald:
“1. De Werkgever kan één of meer artikelen van deze arbeidsovereenkomst eenzijdig wijzigen, indien hij daarbij een zwaarwichtig belang heeft.
2. (….).
3. De Werknemer aanvaardt dat de voorwaarden respectievelijk regelingen genoemd in artikel 8 van deze overeenkomst van tijd tot tijd kunnen wijzigen, in welk geval de gewijzigde voorwaarden van toepassing zullen zijn.”
1.6 In art. 25 van de pensioenregeling, zoals die gold tot 1 januari 2016 (hierna Pensioenregeling 2014), is het volgende wijzigingsbeding opgenomen:
“1. Indien in de toekomst de bestaande sociale wetten worden gewijzigd of andere maatregelen met betrekking tot ouderdomspensioen, partnerpensioen en wezenpensioen worden ingevoerd, heeft de werkgever zich het recht voorbehouden om, indien en voor zover dat door de wet wordt afgedwongen, de pensioenregeling aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden.
2. Indien uit de wijziging van de pensioenregeling als bedoeld in het eerste lid een vermindering van de pensioenaanspraken voortvloeit, dan zal deze niet meer bedragen dan het bedrag voortvloeiende uit de nieuwe wettelijke voorziening dan wel het bedrag waarmee een reeds bestaande wettelijke voorziening wordt verhoogd, met dien verstande dat deze vermindering slechts dan op de opgebouwde pensioenaanspraken betrekking mag hebben indien en voor zover de nieuwe wettelijke voorziening daarop betrekking heeft en de Pw vermindering van aanspraken toelaat. Opgebouwde pensioenaanspraken worden niet verminderd tenzij dat door de wet wordt afgedwongen. Daarnaast kunnen verminderingen wel plaatsvinden indien de financiële toestand van de stichting daartoe dwingt.
3. Ingeval van een vermindering van aanspraken als bedoeld in lid 2, zullen de hiervoor eventueel geldende wettelijke beperkingen en voorwaarden in acht worden genomen. De vermindering moet plaatsvinden binnen een jaar na de datum van invoeren of verhoging van de wettelijke voorziening.
4. Aan de deelnemers wordt opgave gedaan van de gewijzigde pensioenbedragen. Aanspraken op pensioen, verkregen door eigen bijdragen van deelnemers, zijn onaantastbaar.
5. Wanneer de werkgever het voornemen heeft gebruik te maken van het recht om de premiebetaling te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden zoals bepaald in artikel 12 Pw, deelt hij dit onverwijld schriftelijk mee aan het bestuur en aan degenen wier aanspraak op pensioen of recht op pensioen daardoor wordt getroffen. Het bestuur past dit reglement vervolgens aan aan de gewijzigde omstandigheden. De opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten kunnen in dat geval uit hoofde van de omstandigheid zoals beschreven in dit lid niet worden gewijzigd.”
1.7 Van april 2015 tot en met december 2015 heeft het bestuur van AFM met de ondernemingsraad (OR) en de pensioencommissie van de OR overlegd over de voorgenomen wijziging van de arbeidsvoorwaarden, in het bijzonder de pensioenregeling.
1.8 Met een e‑mail van 30 april 2015 heeft de Projectleider Herijking Arbeidsvoorwaarden AFM aan de pensioencommissie van de OR een memo gestuurd met als titel “Pensioenlasten in relatie tot begroting”. Daarin wordt de noodzaak tot het herzien van de pensioenafspraken vanuit het begrotingsperspectief uitgelegd.
1.9 Met een memo van 15 juni 2015 heeft de OR van AFM het eerste voorstel Herijking arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2016 ontvangen. Over de vernieuwing van de pensioenregeling heeft AFM onder meer het volgende geschreven:
“Vernieuwing van de pensioenregeling heeft vooral prioriteit in verband met de acute financieringsproblematiek en de onbeheersbaarheid van de kosten van de pensioenregeling. Autonome effecten zoals de ontwikkeling van de rente of nieuwe sterftetafels leiden binnen de huidige pensioenregeling en financieringsafspraken tot een zeer ongewenste volatiliteit in de begroting. Daarnaast vormt de marktconformiteit van de huidige regeling aanleiding om de pensioenregeling te vernieuwen. (…) Vanuit de bijzondere positie van de AFM als toezichthouder is een marktconforme pensioenregeling en premie belangrijk. (…) De huidige regeling loopt daardoor steeds meer uit de pas en wordt steeds minder marktconform. Voor de AFM is daarenboven vooral de huidige kostenvolatiliteit van de pensioenpremie en het effect daarvan op de begroting zeer ongewenst. De huidige regeling wordt gefinancierd door middel van een zuiver kostendekkende premie. Deze is sterk afhankelijk van externe invloeden. Daarnaast komen de kosten van de aanvullende opslagen ter verbetering van de dekkingsgraad van het pensioenfonds en de effecten van aanpassingen in de overlevingstafels volledig voor rekening van de AFM. Samengevat liggen de meeste risico’s ten aanzien van de financiering van de regeling op dit moment bij de werkgever. De huidige praktijk bij andere organisaties is dat deze risico’s voor een groot deel komen te liggen bij de werknemer.”
1.10 Towers Watson (hierna TW) heeft, na kennisneming van de voorstellen van AFM en een Asset Liability Management studie (ALM) van Mercer van 2 juli 2015, op 20 juli 2015 aan de OR geadviseerd over de vraag of (1) de voorgestelde pensioenregeling marktconform is en (2) of de door de werkgever voorgestelde compensatie redelijk is. Aan de hand van de kenmerken van de regeling heeft TW vastgesteld dat de nieuwe pensioenregeling marktconform is, met uitzondering van het voorgestelde nabestaandenpensioen op risicobasis en met de kanttekening dat de voorgestelde werknemersbijdrage (6% van het gemaximeerde pensioensalaris) aan de hoge kant lijkt. Voor de gemiddelde AFM-werknemer van 40 jaar met een salaris van € 70.000,- zouden de kosten voor de pensioenregeling dalen van 33,3% van het salaris in 2015 naar 23,4% van het salaris in 2016. Van die daling van 9,9% zou 2% zijn toe te rekenen aan de overgang van opbouw nabestaandenpensioen naar risico nabestaandenpensioen. De resterende 7,9% is toe te rekenen aan de lagere indexatieverwachting. Daarbij speelt een belangrijke rol wat het effect zal zijn op de reeds opgebouwde pensioenaanspraken.
1.11 Met een memo van 8 september 2015 heeft de OR van AFM een aanvulling ontvangen op het op 14 augustus (niet voor de pensioenregeling) aangepaste voorstel Herijking arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2016. Over de vernieuwing van de pensioenregeling heeft AFM onder meer het volgende geschreven:
“Het is voor de AFM van groot belang dat de pensioenregeling wordt vernieuwd in verband met:
- Bestuurbaar en beheersbaar maken van de oplopende kosten voor pensioen door een vaste pensioenpremie vanaf 1-1-2016;
- Beëindigen van boven marktconforme elementen zoals onvoorwaardelijke indexatie en herstelopslag ten behoeve van de externe uitlegbaarheid [met verwijzing naar de brief van het Ministerie van Financiën van 27 augustus 2015 over financiering van pensioenen, zie hierna 1.12, A-G];
- Voorkomen van een overschrijding van de begroting 2015 als gevolg van de hogere voorziening herstelopslag door het nFTK [nieuwe Financiële Toezicht Kader, A-G] bij ongewijzigd beleid.
Het bestuur is van mening dat de voorgenomen nieuwe regeling marktconform is, qua systematiek en hoogte pensioenpremie; dit wordt door externe deskundigen bevestigd. Voor de individuele medewerker houdt het voorstel tot vernieuwing van de pensioenregeling een substantiële versobering in ten opzichte van zijn huidige pensioenregeling en resultaat.(…) De huidige financiële positie van het PFAFM, de nieuwe UFR [Ultimate Forward Rate, A-G] en de strengere rekenregels (nFTK) zorgen ervoor dat overgang van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke indexatie [voor deelnemers, A-G] aanzienlijk is. In een 15-jaars periode daalt het indexatieperspectief van 2% in de huidige naar 0,5% in voorgestelde regeling.”
1.12 In een brief van het Ministerie van Financiën van 27 augustus 2015 aan de voorzitter van AFM, inzake Financiering pensioenen AFM, staat onder meer het volgende geschreven:
“Op 26 juni 2015 spraken wij elkaar over de kostenbeheersing en financiering van de arbeidsvoorwaarden en in het bijzonder de pensioenregeling van de AFM. Tevens is gesproken over de verdere professionalisering van de AFM. Daarbij kwam aan de orde dat de uitgaven van de AFM voor de pensioenregeling dit jaar wederom hoger zijn dan begroot. Gezamenlijk is geconcludeerd is dat u dit jaar de hogere uitgaven zelf binnen uw begroting zult dekken maar dat voor opvolgende begrotingen een dergelijke overschrijding niet meer acceptabel is. In het verleden is al vaker sprake geweest van hogere uitgaven aan pensioenverplichtingen dan was begroot. Dit heeft onder meer geleid tot de brieven van de minister van 23 maart 2011 en 26 maart 2013 (bijlage). Daarin is aan de orde gekomen dat de AFM er bij de invulling van secundaire arbeidsvoorwaarden rekening mee moet houden dat zij wordt gefinancierd door de sector. Daarnaast vervult de AFM een publieke taak. Bovengemiddeld gunstige voorwaarden zijn in dat licht niet op zijn plaats. Na de laatste brief heeft op 31 oktober 2014 nog een gesprek over aanpassing van de pensioenregeling plaatsgevonden met de heer Korte, en is het onderwerp in het voorjaarsoverleg van 2 maart 2015 aan de orde gekomen. Het belang en de urgentie van versobering is daarbij telkens door Financiën benadrukt. In het licht van deze contacten is het niet langer acceptabel dat zich in de toekomst tekorten voordoen vanwege de arbeidsvoorwaarden en pensioenverplichtingen in het bijzonder. De AFM heeft inmiddels een aantal stappen gezet om tot versobering van de arbeidsvoorwaarden, inclusief de pensioenvoorwaarden te komen. Tot op heden zijn er echter onvoldoende concrete resultaten. Voor de beoordeling van de begroting van 2016 is noodzakelijk dat duidelijk wordt welke versoberingen zullen worden doorgevoerd, op welke termijn en welke besparingen dat zal opleveren. Dit is een harde voorwaarde om de begroting voor 2016 te kunnen goedkeuren.”
1.13 Bij brief van 25 november 2015, met als bijlage II “Overzicht Herijking arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2016 incl. detailuitwerking versie 16-11-2015”, heeft het bestuur van AFM aan de OR een voorgenomen besluit met instemmingsverzoek voorgelegd. De voorgenomen wijzigingen in de pensioenregeling houden het volgende in:
“7. Pensioenregeling systematiek
• Huidig beleid
DB middelloon
Opbouwpercentage 1,875%
Franchise € 12.642
Actuariële premie ongedempt vermeerderd met opslag indexatie, solvabiliteit herstelopslag en uitvoeringskosten
• Argumentatie
Vernieuwing van de pensioenregeling is voor de AFM noodzakelijk in verband met de acute financieringsproblematiek en de toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling. Autonome effecten zoals de ontwikkeling van de rente of nieuwe sterftetafels leiden binnen de huidige pensioenregeling en financieringsafspraken tot een ongewenste volatiliteit in de begroting. Daarnaast is de regeling niet meer marktconform.
• Wijziging
De nieuwe pensioenregeling wordt per 1-1-2016 gebaseerd op het CDC principe (Collective Defined Contribution).
Werkgever en medewerker spreken gezamenlijk een vast (of maximum) premieniveau af, uitgedrukt in een percentage van de salarissom: vaste pensioenpremie van 25% van de ongemaximeerde loonsom. Deze premie wordt in het pensioenfonds gestort.
Het pensioenfonds berekent jaarlijks de kostendekkende premie. Indien de vaste premie hoger is dan de kostendekkende premie, wordt de geambieerde opbouw uit de pensioenregeling ingekocht. Een eventueel overschot wordt aangewend voor beperking / voorkoming korting jaaropbouw, korting pensioenaanspraken (actieven en gewezen deelnemers) en indexatie van de actieven.
Berekening kostendekkende premie: gedempte premie op basis van reëel verwacht rendement.
Indien de kostendekkende premie hoger is dan de overeengekomen vaste premie, dan wordt de geambieerde pensioenopbouw in dat betreffende jaar zodanig verlaagd dat de kostendekkende premie gelijk is aan de overeengekomen vaste premie.
8. Werknemersbijdrage
• Huidig beleid
In 2015 betaalt de medewerker een eigen bijdrage van maximaal 5% van de ongemaximeerde loonsom. De AFM betaalt alle overige kosten.
• Wijziging
In de nieuwe regeling wordt de eigen bijdrage verhoogd naar 6% van de gemaximeerde loonsom gedurende 2016 tot en met 2020.
Vanaf 2021 stapsgewijs (lineair) in 5 jaar naar verhouding 30-70 werknemers-werkgeverspremie van de kostendekkende premie.
• Compensatie-overgangsregeling
Gedurende de eerste 5 jaar bedraagt de eigen bijdrage voor de medewerker in dienst op 31-12-2015 5% van de gemaximeerde loonsom tot 2021.
9. Indexatie
• Huidig beleid
Onvoorwaardelijke indexatie voor actieven (100% loonindex).
• Wijziging
In de CDC-systematiek wordt de indexatie voorwaardelijk voor actieven en o.b.v. loonindex.
• Compensatie - overgangsregeling
Voor de medewerker in dienst op 31-12-2015 wordt het huidig indexatiebeleid gecontinueerd (onvoorwaardelijk) tot een maximum van 1,5% loonindexatie per jaar gedurende de periode van 2016 tot en met 2025.
11. Herstelopslag
• Huidige beleid
Onderdeel van de huidige financieringsafspraken is een herstelopslag van 10% op de premie ten behoeve van een verdere verbetering van de dekkingsgraad tot het niveau van het vereist eigen vermogen wordt bereikt. Dit zou onder het oude FTK in 2017 het geval zijn.
• Wijziging
Herstelopslag wordt per 1-1-2016 niet meer opgenomen in de financieringsafspraken. De vrijval van de (resterende) voorziening komt ter beschikking aan PFAFM in de vorm van een eenmalige afstorting. (Bestuur/OR: afspraak maken over afstorting).
12. Inrichting premie-indexatiedepot
• Nieuw
Bestuur/OR: inrichting en voorwaarden depot inzet bespreking OR en bestuur
13. Evaluatie
• Wijziging
Parameters pensioenregeling staan 5 jaar vast. Bestuur en OR evalueren de financieringsafspraken na 5 jaar met inachtneming van de compensatie-overgangsregeling voor medewerkers in dienst op 31-12-2015 m.b.t. de onvoorwaardelijke indexatiegarantie (zie verder onder punt 9).
14. Uitvoeringskosten
• Wijziging
De uitvoeringskosten komen tot een maximum van 700K jaarlijks ten laste van de vaste premie. Eventuele meerkosten komen voor rekening van de werkgever. De maximum hoogte van de uitvoeringskosten wordt jaarlijks geïndexeerd o.b.v. prijsindexatie.”
1.14
Op 18 december 2015 hebben het bestuur van AFM en de OR een pensioenakkoord ondertekend. De afspraken uit dit pensioenakkoord treden in de plaats van de afspraken die zijn vastgelegd in het Pensioenreglement 2014 en zullen op zo kort mogelijke termijn nader worden uitgewerkt en vastgelegd in een “Pensioenovereenkomst”.
1.15
Bij brief van 21 december 2015 heeft de OR ingestemd met de verzochte wijziging in de arbeidsvoorwaarden in de pensioenregeling. Voor zover van belang staat in de brief van de OR het volgende vermeld:
“(...) De OR benadrukt dat hij instemt op basis van de informatie die hij op collectief niveau heeft verkregen. De OR sluit niet uit - al heeft hij daar ook verder geen nadere informatie over - dat de nu gemaakte collectieve afspraken in bepaalde individuele gevallen onevenredig nadelig voor een individuele werknemer uitwerken. De OR gaat ervan uit dat indien zich dergelijke individuele gevallen voordoen, de AFM zich constructief zal opstellen en zal pogen om in goed onderling overleg tot een oplossing te komen die recht doet aan de specifieke individuele situatie van de betreffende werknemer. (...)
De OR stelt als ontbindende voorwaarde aan de instemming dat de bezwaartermijn voor de individuele medewerkers minimaal 5 weken bedraagt, gerekend vanaf de dagtekening van de individuele wijzigingsbrief die de medewerkers van de AFM gaan ontvangen. (….)
Een tweede voorwaarde aan de instemming is dat medewerkers ruim voor het aflopen van de bezwaartermijn op individueel niveau inzicht kunnen krijgen in de gevolgen van de wijziging van de pensioenregeling. (...)”
1.16
In de wijzigingsbrief van 22 december 2015 van AFM die aan de werknemers is gestuurd, onder wie [verweerders] , waarbij als bijlage is gevoegd het in 1.13 genoemde “Overzicht herijking arbeidsvoorwaarden per 1 januari 2016 incl. detailuitwerking versie 16-11-2015”, staat onder meer het volgende vermeld:
“Pensioenregeling per 1-1-2016
Vernieuwing van de pensioenregeling had vooral prioriteit in verband met de acute financieringsproblematiek en de onbeheersbaarheid van de kosten van de pensioenregeling. Autonome effecten zoals de ontwikkeling van de rente of nieuwe sterftetafels leiden binnen de huidige pensioenregeling en financieringsafspraken tot een zeer ongewenste volatiliteit in de begroting. Daarnaast vormde de marktconformiteit van de huidige regeling aanleiding om de pensioenregeling te vernieuwen.”
In de brief is verder een samenvatting van de wijzigingen opgesomd.
1.17
Per 1 januari 2016 is de pensioenovereenkomst gewijzigd. AFM heeft met het pensioenfonds ter uitvoering van die nieuwe pensioenovereenkomst een Uitvoeringsovereenkomst 2016 gesloten. Samen worden die overeenkomsten hierna aangeduid als pensioenregeling, al dan niet met de toevoeging 2016.
1.18
[verweerders] hebben individueel bij de bezwaarcommissie bezwaar gemaakt tegen de wijziging van de pensioenregeling.
1.19
Bij brief van 17 juni 2017 heeft de bezwaarcommissie geoordeeld dat geen sprake is van wijzigingen die in de specifieke situatie van [verweerders] zodanig onredelijk of onbillijk zijn dat op basis daarvan (onderdelen van) de pensioenregeling 2014 in stand zou moeten blijven, dan wel een andere compensatie overgangsmaatregel zou moeten worden getroffen.
2.Procesverloop4.
2.1
[verweerders] hebben in eerste aanleg gevorderd AFM te veroordelen tot (i) ongewijzigde voortzetting van de pensioenregeling conform het Pensioenreglement 2014, op straffe van verbeurte van een dwangsom; (ii) betaling van de verschuldigde bedragen conform het Pensioenreglement 2014 die nodig zijn om de achterstand in het pensioen van [verweerders] ongedaan te maken; (iii) betaling aan [verweerders] van de wettelijke verhoging ex art. 7:625 BW en de wettelijke rente over de nog te betalen (achterstallige) pensioenpremie; (iv) betaling aan [verweerders] van de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten. AFM heeft verweer gevoerd.
2.2
De kantonrechter heeft de vorderingen van [verweerders] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft AFM een zwaarwichtig belang om tot wijziging van de pensioenregeling te komen. De door [verweerders] gestelde onredelijke uitkomst van de financiële opzet voor hen levert naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende grond op om vast te stellen dat het zwaarwichtige belang van AFM bij wijziging van de pensioenregeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid zou moeten wijken voor het belang van [verweerders] bij ongewijzigde voortzetting van de regeling. De kantonrechter heeft in dat verband onder andere het volgende overwogen. De met de wijziging van de arbeidsvoorwaarden en de pensioenregeling te bereiken kostenbesparing was gegeven de te verwachten weigering van de minister van Financiën om de begroting van AFM voor 2016 goed te keuren noodzakelijk voor het voortbestaan van AFM. Er is voldoende gebleken dat minder bezwarende maatregelen ontoereikend zijn om de noodzakelijke kostenbesparing te bereiken. Dat het belang van [verweerders] door de wijziging van de pensioenregeling wordt geschaad staat wel vast, maar ook ten behoeve van [verweerders] zijn overgangsmaatregelen getroffen: zo zal hun eigen bijdrage tot tenminste 1 januari 2021 niet hoger zijn dan vóór indiensttreding van [verweerders] is afgesproken bij de eerdere per 1 januari 2006 ingevoerde wijziging van de AFM pensioenregeling en blijft de onvoorwaardelijke indexatiegarantie tijdens het dienstverband gedurende 10 jaar gehandhaafd (gemaximeerd op 1,5%) voor rekening van AFM (bovenop de vaste premie van 25%). Ten slotte heeft AFM een extra eenmalige storting van € 1,7 miljoen verricht aan het pensioenfonds en neemt AFM de uitvoeringskosten boven € 700.000,- voor haar rekening, waardoor het pensioenresultaat van de deelnemers niet onder bovenmatige uitvoeringskosten lijdt. Het effect van die maatregelen is dat niet alle risico’s in de pensioenregeling volledig worden overgeheveld van AFM naar [verweerders] , zoals [verweerders] stellen. [verweerders] kunnen volgens de kantonrechter ook geen argumenten voor hun stellingen ontlenen aan resultaten van de ALM-studie van Mercer van 11 december 2015, de daarop gebaseerde maatman‑berekeningen van december 2015 en januari 2016 en de op basis daarvan aan [verweerders] namens AFM door de AWVN verstrekte berekening van de individuele gevolgen van de wijziging, met onzekerheden zijn omgeven zodat onvoldoende duidelijk kan worden vastgesteld wat de omvang van het nadeel exact is. Er is dus volgens de kantonrechter onvoldoende grond om vast te stellen dat [verweerders] onredelijk zwaar worden getroffen door de wijziging, of dat sprake is van een onevenredig nadeel.
2.3
[verweerders] hebben zich in hoger beroep tegen deze beslissing gekeerd en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen onder aanvoering van twee grieven aangevallen. Met de eerste grief betogen [verweerders] dat artikel 7:613 BW niet van toepassing is en AFM dus niet de bevoegdheid had om de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen. Met grief 2 betogen [verweerders] dat, indien wel getoetst zou moeten worden aan art. 7:613 BW, de wijziging van pensioenregeling 2014 naar pensioenregeling 2016 niet is toegestaan binnen de grenzen van art. 7:613 BW. Het hof overwoog in het bestreden arrest, voor zover in cassatie nog relevant, het volgende:
3.3 […] [ [verweerders] ] voeren daartoe, kort samengevat, aan dat er geen sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het aangetoonde nadeel van [verweerders] daarvoor moet wijken. Bovendien betogen [verweerders] dat een gedeelte van de wijzigingen voor [verweerders] nadeel oplevert met betrekking tot hun vóór 1 januari opgebouwde pensioenaanspraken, hetgeen nietig is op grond van artikel 20 PW, zodat een gedeelte van de wijzigingen niet geldig is, en daarom, voor zo veel nodig, ongedaan dient te worden gemaakt.
3.4 De toelichting van [verweerders] op grief 1 luidt, kort samengevat, als volgt. De kantonrechter heeft overwogen dat, hoewel de door AFM beoogde wijzigingen niet vallen onder de daartoe opgestelde omschrijvingen van artikel 25 van het Pensioenreglement (dat volgens [verweerders] gebaseerd is op artikel 19 Pw), AFM wel een beroep kan doen op het algemene wijzigingsbeding van artikel 7:613 BW zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst. [verweerders] voeren daartegen aan dat een eenzijdig wijzigingsbeding zoals opgenomen in een arbeidsovereenkomst niet zomaar kan worden getransporteerd naar een pensioenovereenkomst. Aangezien partijen wel een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 Pw zijn overeengekomen, is de maatstaf die zou gelden bij de beoordeling of een eenzijdige wijziging geoorloofd was indien geen eenzijdig wijzigingsbeding zou zijn overeengekomen, niet relevant.
Naar het oordeel van het hof faalt dit betoog van [verweerders] Het pensioenwijzigingsbeding van artikel 19 Pw is geënt op artikel 7:613 BW. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 19 Pw blijkt dat de tekst van artikel 19 Pw is aangepast om aan te sluiten bij die van artikel 7:613 BW. Een materieel verschil in de toetsingsmaatstaf van artikel 19 Pw en van artikel 7:613 BW is daarmee niet aanwezig. De omstandigheid dat in de pensioenovereenkomst een of meer wijzigingsbedingen zijn opgenomen betekent niet zonder meer daarmee de mogelijkheid tot het eenzijdig wijzigen van de arbeidsvoorwaarde pensioen als bedoeld in artikel 19 PW, respectievelijk 7:613 BW terzijde is gesteld. Daarvan kan alleen sprake zijn als in de pensioenovereenkomst ondubbelzinnig een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW is opgenomen. In het onderhavige geval bevat artikel 25 Pensioenreglement 2014, waar [verweerders] zich op beroepen, een aantal standaard bedingen die naar het oordeel van het hof alle zijn gebaseerd op de in artikel 12 PW geregelde bevoegdheid van AFM zich bij het sluiten of bij een wijziging van de pensioenovereenkomst het recht voor te behouden de premiebetaling, voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage van AFM, te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden. Van een beding als bedoeld in artikel 19 PW is dus geen sprake. Niet in geschil tussen partijen is dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding inhoudt voor een of meer artikelen van de arbeidsovereenkomst. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst is opname in de pensioenregeling geregeld met verwijzing naar het Pensioenreglement dat onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids […]. Artikel 8 van de arbeidsovereenkomst incorporeert de Personeelsgids waarvan de inhoud geacht wordt onderdeel uit te maken van de arbeidsvoorwaarden. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldaan aan de eis van artikel 19 PW dat AFM zich de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid schriftelijk in de pensioenovereenkomst heeft voorbehouden. Het feit dat artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst alleen refereert aan het zwaarwichtig belang van AFM bij de eenzijdige wijziging en niet tevens vermeldt dat sprake moet zijn van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, maakt niet dat het onderhavige beding niet te kwalificeren is als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW, respectievelijk artikel 19 PW1. [voetnoot 1 luidt: “In het hierna volgende noemt het hof alleen artikel 7:613 BW, maar bedoelt dan ook artikel 19 PW”, A-G] De conclusie is dat de eerste grief faalt en dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst AFM de bevoegdheid geeft om de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen, als bedoeld in artikel 7:613 BW, mits er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het belang van de werknemers dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
3.5 Grief 2 bevat twee onderdelen. In het eerste onderdeel betogen [verweerders] dat, ook indien getoetst wordt aan de criteria van artikel 7:613 BW, er geen sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang aan de zijde van AFM dat het belang van [verweerders] daarvoor zou moeten wijken. In het tweede onderdeel betogen [verweerders] dat waar sprake is van de wijziging van een onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke indexatie, deze wijziging in strijd is met artikel 20 Pw, en daarmee nietig.
3.6 Het hof behandelt eerst het tweede onderdeel van grief 2. Dit onderdeel slaagt. Artikel 20 PW bepaalt dat, in geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst, de voor de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd, behoudens het bepaalde in de artikelen 76, 78, 83 en 134 PW. Artikel 1 PW definieert “pensioenaanspraak” als het recht op een niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening. Volgens artikel 95 PW is een toeslag alleen voorwaardelijk indien in de pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement, de opgaven op grond van (….) alsmede in de overige, persoonlijke, informatieverstrekking over de toeslagverlening door de pensioenuitvoerder een voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de toeslag op basis van de algemene (niet‑incidentele) loonontwikkeling bij AFM over het voorafgaande boekjaar in artikel 9 lid 3 van Pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is. Net als de jaarlijkse inkoop van ouderdomspensioen eindigt deze toeslagverlening bij einde van het dienstverband en betaalt AFM jaarlijks een koopsom voor de inkoop van de toeslag. Artikel 1 van Pensioenreglement 2014 definieert de deelnemer als de werknemer, die ingevolge artikel 2 lid 1 deelneemt aan deze pensioenregeling. Volgens artikel 2 lid 3 van Pensioenreglement 2014 eindigt het deelnemerschap bij overlijden, door ingang van het ouderdomspensioen of op de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, anders dan door overlijden of pensionering. De tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken worden niet gewijzigd, als bedoeld in artikel 20 PW, indien en zo lang (i) artikel 9 lid 3 van Pensioenreglement 2014 van toepassing blijft op de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken zolang [verweerders] in dienst blijven van AFM en dus nog deelnemer is, en (ii) zijn pensioenaanspraken vanaf uitdiensttreding of pensionering worden aangepast op basis van de voorwaardelijke toeslagregeling van artikel 22 van Pensioenreglement 2014. Daarvan zou in het onderhavige geval, gegeven de niet toepasselijkheid van de artikelen 76, 78 en 134 PW, alleen geen sprake zijn in het geval van een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83 lid 1, onder c, PW door pensioenfonds AFM op verzoek van AFM, die er toe strekt in verband met de collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst de waarde van pensioenaanspraken en pensioenrechten aan te wenden bij pensioenfonds AFM overeenkomstig de gewijzigde pensioenovereenkomst. Voor een rechtsgeldige overdracht zou noodzakelijk zijn dat [verweerders] [A-G: hier ontbreekt kennelijk het woordje ‘geen’, mede gelet op het vrijwel gelijkluidende arrest van 3 november 2020 in de verwante zaak gepubliceerd onder ECLI:NL:GHAMS:2020:2929] individueel bezwaar kenbaar hebben gemaakt tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen daartoe schriftelijk zouden zijn geïnformeerd. De werknemers zijn niet schriftelijk geïnformeerd over een voornemen tot waardeoverdracht. De conclusie daarvan is dat de gewijzigde toeslagregeling in artikel 22 van Pensioenreglement 2016, als sprake zou zijn van een rechtsgeldige wijziging, alleen van toepassing is op de pensioenaanspraken van [verweerders] opgebouwd vanaf 1 januari 2016, bij gebrek aan interne waardeoverdracht. Het hof zal daarom met toepassing van artikel 20 PW voor recht verklaren dat zo lang het dienstverband van [verweerders] met AFM voortduurt de toeslagregeling in artikel 9 lid 3 van Pensioenreglement 2014 op hun tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, inclusief de verhogingen daarvan uit hoofde van toeslagen als deelnemers, van toepassing blijft en dat vanaf hun uitdiensttreding bij AFM de voorwaardelijke toeslagregeling van artikel 22 Pensioenreglement 2014 van toepassing zal zijn op alle uit hoofde van de pensioenregeling 2014 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, behoudens het bepaalde in de artikelen 76, 78, 83 en 134 PW. AFM zal worden veroordeeld tot nakoming jegens [verweerders] van de Pensioenovereenkomst 2014 met inachtneming van de verklaring voor recht, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, te rekenen vanaf vier weken na de dag dat dit arrest wordt betekend tot aan de dag van deugdelijke nakoming.
3.7 Het hof komt vervolgens toe aan bespreking van het eerste onderdeel van grief 2, gericht op de toepassing van artikel 7:613 BW door de kantonrechter. […]
3.8 Naar het oordeel van het hof moet bij de beoordeling van het zwaarwichtig belang van AFM bij het verlagen van zijn pensioenlast in toekomstige begrotingen tot 25% van de ongemaximeerde loonsom en het daar tegenover staande belang van de werknemers worden beoordeeld (1) wat de impact is van wijzigingen die van invloed zijn op alle opgebouwde pensioenaanspraken van de werknemers (in de PW gedefinieerd als deelnemers) en gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden en (2) wat de impact is van de wijziging van de pensioenovereenkomst op de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers. Het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst geldt naar het oordeel van het hof niet per definitie voor wijzigingen die ook gelden voor gewezen deelnemers en gepensioneerden.
3.9 Het hof behandelt daarom eerst de onderdelen van het eerste onderdeel van de tweede grief gericht tegen de wijzigingen in het pensioenakkoord die van invloed zijn op alle tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van de werknemers en de gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden. Dit onderdeel slaagt. […]
3.10
Het eenzijdig wijzigingsbeding geldt naar het oordeel van het hof slechts voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers en niet, zoals in het onderhavige geval, voor wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst tussen AFM en haar pensioenfonds die effect hebben op de door gewezen deelnemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Tussen partijen is niet in geschil dat eenzijdige beëindiging van (1) de herstelpremieverplichting van 10% van de jaarlijkse pensioenpremie, (2) de verplichting om bij te dragen aan kostenoverschrijdingen boven € 700.000,- en (3) de verplichting om bij te storten bij wijzigingen in de grondslagen anders dan de rekenrente, betrekking heeft op opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. De wijziging in 2015 van het nFTK en de UFR leidde als gevolg van de bestaande contractuele afspraken met pensioenfonds AFM tot een extra herstelpremie van € 0,1 miljoen (zonder UFR) of € 0,2 miljoen (met UFR) in 2015 en volgende jaren. Onder de aanname dat de herstelpremieopslagverplichting niet eind 2017 zou eindigen maar pas in 2023 (omdat pas dan het VEV weer gedekt zou zijn door vermogen) verwachtte AFM nog eenmalig een extra dotatie aan haar balansvoorziening te moeten doen van € 6 miljoen (zonder UFR) of € 6,8 miljoen (met UFR). Per saldo zouden de ex-ante (zonder nFTK wijzigingen) begrote netto pensioenlasten van € 7,2 miljoen uitkomen op € 14,6 miljoen (zonder UFR) of € 16,2 miljoen (met UFR), derhalve een ruime verdubbeling van de begrote pensioenkosten in 2015. Het hof concludeert dat hier sprake is van een eenmalige last die het directe gevolg is van de wijziging van het nFTK op de in 2015 bestaande verplichting van AFM tegenover het pensioenfonds AFM en dus los staat van de kosten voor toekomstige pensioenopbouw. Gegeven het feit dat de voorgestelde pensioenovereenkomst gebaseerd is op een beschikbare premie heeft de eenzijdige beëindiging van de herstelpremieopslag, de gegarandeerde bijdrage aan kostenoverschrijdingen boven € 700.000,- en de afschaffing van de verplichting om bij te storten bij wijzigingen in de grondslagen anders dan de rekenrente, in feite alleen effect op de tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van alle (gewezen) deelnemers en pensioenrechten van gepensioneerden en vergroot de kans op korten of verlaagt de kans op prijsindexatie van die in het verleden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. Dat AFM een zwaarwichtig belang heeft bij deze wijzigingen in de Uitvoeringsovereenkomst 2014 gegeven de brief van het Ministerie van Financiën speelt in deze procedure over de wijziging van de pensioenovereenkomst geen rol en zou door AFM moeten zijn aangekaart in een voorstel aan alle gerechtigden met vóór 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten om hun aanspraken en rechten in te brengen in een nieuwe pensioenregeling met toepassing van artikel 83 Pensioenwet. Slechts wie al dan niet stilzwijgend instemt met de nieuwe pensioenregeling en geen bezwaar maakt tegen de voorgenomen waardeoverdracht naar die nieuwe regeling is daaraan gebonden. Maar dan moeten de procedureregels wel worden gevolgd, inclusief het vragen van een goedkeuring van DNB. In het uiterste geval zou AFM in rechte een beroep kunnen doen op artikel 6:248 BW om tot een eenzijdige wijziging te komen van de Uitvoeringsovereenkomst 2014. Van een beroep op artikel 6:248 BW is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep gebleken. Voor wijziging van deze verplichtingen van AFM is de medewerking nodig van alle gerechtigden op pensioen opgebouwd vóór 2016 en kan geen beroep worden gedaan op artikel 7:613 BW respectievelijk artikel 19 PW. Die oudere pensioenovereenkomsten en de ter uitvoering daarvan gesloten uitvoeringsovereenkomsten blijven in beginsel in stand. Zoals het hof al heeft geoordeeld in 3.6 kunnen wijzigingen van de pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan
gesloten (gewijzigde) uitvoeringsovereenkomst alleen worden toegepast op reeds opgebouwde pensioenaanspraken door een (interne) waardeoverdracht. Daarvan is niet gebleken. Het hof is dan ook van oordeel dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 in stand is gebleven, zij het beperkt tot alle tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en met dien verstande dat de herstelpremie gekoppeld blijft aan de pensioenpremie die AFM betaalt voor toekomstige pensioenopbouw en eindigt in 2023 of eerder als het vereist eigen vermogen in relatie tot de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken door waarden is gedekt. De hierop betrekking hebbende verklaring voor recht zal worden toegewezen en AFM zal worden veroordeeld op straffe van een dwangsom aan de verzochte veroordeling uitvoering te geven.
3.11
[verweerders] wijzen er vervolgens op dat ook de in het pensioenakkoord overeengekomen aanwending van de collectief beschikbare premie, volgens de methodiek van de gedempte kostendekkende premie, nadelig is voor alle gerechtigden, omdat een lage premie-inleg maakt dat een pensioenfonds voor het herstel van haar financiële positie afhankelijk wordt van beleggingsresultaten. Zo blijkt uit een overzicht in het jaarverslag 2016 van het pensioenfonds dat de zuivere kostendekkende premie over 2016 € 11.726.000,- bedroeg, de gedempte kostendekkende premie bedroeg € 10.536.000,- en de in het pensioenakkoord overeengekomen minimum premiebodem bedroeg € 10.668.000,-. Op de inkoop van pensioen voor de werknemers wordt dus in 2016 een verlies geleden van € 1.058.000,. Het pensioenfonds treft daarvoor volgens [verweerders] geen verwijt, maar wel AFM, omdat AFM dit in de pensioenovereenkomst met haar werknemers is overeengekomen. AFM verweert zich met de stelling dat een werknemer van deze premiesystematiek juist voordeel heeft, ten koste van slapers en gepensioneerden. Immers, indien bij gegeven hoogte van de vaste premie van een conservatievere premiesystematiek zou worden uitgegaan, dan zou er eerder een korting op de opbouw van nieuwe aanspraken plaatsvinden, terwijl de dekkingsgraad van het fonds daarvan zou profiteren. Anders gezegd, hoe conservatiever de premiesystematiek binnen de CDC-regeling wordt vastgesteld, hoe groter het risico is dat de reglementaire opbouw niet kan plaatsvinden. [verweerders] profiteren zo volgens AFM van een zo volledig mogelijke opbouw. AFM erkent blijkens het voorgaande uitdrukkelijk dat de met het pensioenfonds gemaakte afspraak om de beschikbare premie aan te wenden voor inkoop van pensioen op basis van de regels voor een gedempte premie in plaats van een zuiver kostendekkende premie ten nadele strekt van de gewezen deelnemers en gepensioneerden. Ook voor dat onderdeel van het pensioenakkoord geldt dat eenzijdig wijzigen niet mogelijk is met een beroep op 7:613 BW. Bij de verdere beoordeling neemt het hof dit als uitgangspunt.
3.12 Het hof behandelt, ten slotte, het onderdeel van de tweede grief gericht tegen de wijziging van de pensioenovereenkomst. Dit onderdeel slaagt niet. Het hof volgt AFM dat zij er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met de werknemers zou worden aangepast om de door het Ministerie van Financiën geëiste toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling te bewerkstelligen.
[…]
Nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over hun tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, acht het hof voldoende reden om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld. Het hof komt op basis van alle over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging. De door [verweerders] aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat [verweerders] niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hen van toepassing zou moeten zijn.
3.13
Het voorgaande brengt met zich dat het hof de incidentele vordering op de voet van artikel 843a Rv zal afwijzen, enerzijds omdat het hof zich voldoende geïnformeerd acht en anderzijds omdat de gevraagde informatie naar het oordeel van het hof als bijlage II is aangehecht aan het pensioenakkoord.
3.14
De conclusie is dat grief 2 gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de thans primair onder I en II ingestelde vordering gedeeltelijk, en de subsidiair onder III en IV ingestelde vordering geheel toewijzen. Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal AFM worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de eenzijdige wijziging door AFM van de Pensioenregeling 2014 naar de Pensioenregeling 2016, niet rechtsgeldig is geweest voor zover die wijziging betrekking heeft op de premiesystematiek op basis van premiedemping, op de maximering van de bijdrage van AFM in de uitvoeringskosten en op de beëindiging van de onvoorwaardelijke indexatie van de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, en daarmee in zoverre geen rechtsgevolg heeft gehad;
verklaart voor recht dat de wijziging van Pensioenovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de onvoorwaardelijke indexatie van tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken;
verklaart voor recht dat de wijziging van de Uitvoeringsovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de herstelpremieopslag van 10% van de premie, de vergoeding van de werkelijke uitvoeringskosten die zijn toe te rekenen aan de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en de verplichting om de extra last voor het pensioenfonds als gevolg van grondslagwijzigingen (anders dan ten gevolge van wijzigingen in de rekenrente) te vergoeden die zijn toe te rekenen aan de voor 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken;
veroordeelt AFM tot nakoming van de Pensioenovereenkomst 2014, de Pensioenovereenkomst 2016, de Uitvoeringsovereenkomst 2014 en de Uitvoeringsovereenkomst 2016 met inachtneming van deze verklaringen voor recht op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, te rekenen vanaf vier weken na betekening van dit arrest en met een maximum van € 50.000,-;
veroordeelt AFM in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg aan de zijde van [verweerders] begroot op € 175,31 aan verschotten en € 1.500,- voor salaris en in hoger beroep tot op heden op € 416,01 aan verschotten en € 3.222,- voor salaris;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.”
2.4
AFM heeft tijdig cassatie ingesteld. [verweerders] hebben verweer gevoerd en incidenteel cassatieberoep ingesteld, waarop AFM op haar beurt verweer heeft gevoerd. AFM en [verweerders] hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten, waarop is gerepliceerd en gedupliceerd.
3. Bespreking subonderdelen 2.1 en 2.2-II en 2.3 (deels) van het incidenteel cassatiemiddel
3.1
Ik zie aanleiding te starten met de bespreking van subonderdeel 2.1 van het incidenteel cassatiemiddel. [verweerders] richten daarin (onvoorwaardelijke) klachten tegen rov. 3.4 waarin het hof overweegt dat art. 25 van het pensioenreglement geen wijzigingsbeding als bedoeld in art. 19 Pw is, maar dat deze bepaling (volledig) is gebaseerd op art. 12 Pw. Het hof concludeert verder dat art. 10 van de arbeidsovereenkomst AFM de bevoegdheid geeft om de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen. In essentie klagen [verweerders] in subonderdelen 2.1-Ia t/m 2.1-If dat dit onjuist en onbegrijpelijk is, omdat een eenzijdig wijzigingsbeding in een arbeidsovereenkomst niet automatisch een wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw is, zeker in een geval als dit waarin een (geclausuleerd) wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw is opgenomen in art. 25 van het pensioenreglement 2014 waar de litigieuze wijzigingen niet onder vallen. In het verlengde hiervan klagen [verweerders] in subonderdeel 2.1-Ig dat het hof buiten het partijdebat is getreden door voorbij te gaan aan een eensluidende uitleg van art. 25 van het pensioenreglement 2014 door partijen en in subonderdeel 2.1-Ih dat de uitleg van het hof dat deze bepaling uit het pensioenreglement is gebaseerd op art. 12 Pw onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Ik start met deze laatste twee subonderdelen. Het gaat bij deze klachten om de volgende passage uit rov. 3.4:
“[…] In het onderhavige geval bevat artikel 25 Pensioenreglement 2014, waar [verweerders] zich op beroepen, een aantal standaard bedingen die naar het oordeel van het hof alle zijn gebaseerd op de in artikel 12 PW geregelde bevoegdheid van AFM zich bij het sluiten of bij een wijziging van de pensioenovereenkomst het recht voor te behouden de premiebetaling, voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage van AFM, te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden. Van een beding als bedoeld in artikel 19 PW is dus geen sprake. […]”
3.2
Over art. 25 van het pensioenreglement 2014 (zie het citaat in 1.6) en de verhouding tot het eenzijdige wijzigingsbeding uit de arbeidsovereenkomst hebben partijen onder meer het volgende gezegd:
Inleidende dagvaarding ( [verweerders] ):
“41. Artikel 25 van de pensioenregeling 2014, overgelegd als productie 10, bevat een wijzigingsregeling. Hierin staat een aantal specifieke gevallen genoemd waarin de pensioenregeling kan worden gewijzigd. De redenen die AFM noemt voor de wijziging, zijnde de acute financieringsproblematiek en de toekomstige beheersbaarheid van de pensioenregeling, staan hier niet onder vermeld. Als zodanig geldt dat er geen sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 19 PW.”
Conclusie van antwoord (AFM):
“20. Eisers betogen dat er geen sprake is van een op deze zaak toepasbaar eenzijdig wijzigingsbeding. In dat kader wordt verwezen naar artikel 25 van de pensioenregeling 2014, productie 10 bij dagvaarding, waarin een aantal specifieke gevallen wordt genoemd waarin de pensioenregeling kan worden gewijzigd. Het klopt op zich dat de redenen die de AFM voor de wijziging heeft aangevoerd, de acute financieringsproblematiek en de toekomstige beheersbaarheid van de pensioenregeling, daar niet worden vermeld. Evenwel is er sprake van een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst van eisers. (…) In artikel 10 van de arbeidsovereenkomst staat vermeld dat de werkgever een of meer artikelen van de arbeidsovereenkomst eenzijdig kan wijzigen indien hij daar een zwaarwichtig belang bij heeft. Dit is een rechtsgeldig eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW. Hiermee is de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid van de pensioenregeling een gegeven. Immers, de pensioenregeling wordt aangegeven in artikel 4 van de arbeidsovereenkomst. Dit artikel verwijst voor wat betreft het pensioen naar de voorwaarden opgenomen in het pensioenreglement dat onderdeel uitmaakt van de personeelsgids. Pensioen is een arbeidsvoorwaarde en de arbeidsovereenkomst bepaalt dat ingeval van een zwaarwichtig belang de arbeidsvoorwaarden eenzijdig gewijzigd mogen worden. Dat het pensioenreglement een specifiek wijzigingsbeding kent doet daar niet aan af. Leidend te dezen is de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van de pensioenovereenkomst, gesloten tussen werkgever en werknemer en deze bevat zoals gesteld een eenzijdig wijzigingsbeding. Voor de materiële rechtsgevolgen is ook niet van belang of een wijziging van de pensioenovereenkomst wordt getoetst aan artikel 19 PW of artikel 7:613 BW. Vgl. Asser/Lutjens 7-XI 2016/503.
(…)
22. Zelfs indien er geen sprake mocht zijn van een rechtsgeldig overeengekomen eenzijdig wijzigingsbeding, dan nog kan er sprake zijn van een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid. De AFM verwijst naar HR 11 juli 2008, NJ 2011/185 ( […] /Mammoet), waaruit blijkt dat onder omstandigheden van de werknemer in redelijkheid gevergd kan worden dat hij met een redelijk voorstel van de werkgever strekkende tot een wijziging van de arbeidsvoorwaarden instemt. Dit geldt uiteraard ook voor de arbeidsvoorwaarde pensioen.”
Conclusie van repliek ( [verweerders] ):
“2. Eisers stellen vast dat de AFM in punt 20 van de conclusie van antwoord erkent dat de redenen voor de wijziging die de AFM heeft aangevoerd niet worden genoemd in artikel 25 van de pensioenregeling 2014. De AFM erkent dus hetgeen hierover namens eisers werd gesteld in nummer 41 van de dagvaarding. (…)
4. Eisers zijn van oordeel, ook na het lezen van de conclusie van antwoord, dat de eenzijdige wijziging van de pensioenregeling die de AFM met ingang van 1 januari 2016 heeft doorgevoerd niet rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. De wijzigingsbedingen opgenomen in de pensioenregeling 2014 bieden geen mogelijkheid onder de gegeven omstandigheden – vermeende acute financieringsproblematiek en onbeheersbaarheid van de pensioenlasten – eenzijdig te wijzigen. Nu het pensioenreglement een specifieke bepaling kent, kan hieraan bij het wijzigen van deze regeling niet voorbij worden gegaan door gebruik te maken van het algemene eenzijdig wijzigingsbeding als opgenomen in artikel 10 van de arbeidsovereenkomsten. Het beding in de pensioenregeling is specifiek opgesteld voor het wijzigen van de pensioenregeling en heeft als zodanig voorrang op het beding in de arbeidsovereenkomst.
5. Nu geen sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding zal aan de hand van de criteria genoemd in het arrest […] /Mammoet moeten worden getoetst of eenzijdige wijziging is geoorloofd Eisers menen dat er geen gewichtige omstandigheden zijn: van acute financieringsproblematiek en onbeheersbaarheid van de kosten als door de AFM gesteld is geen sprake. Zie hiervoor punt 17 en verder. De oude pensioenregeling was bovendien marktconform. Zie hiervoor punt 32 en verder, Voorts geldt dat de voorgestelde nieuwe pensioenregeling van de AFM niet redelijk is.
(…)
7. Zelfs als de AFM wel een terecht beroep zou kunnen doen op het eenzijdig wijzigingsbeding als opgenomen in de arbeidsovereenkomst, dan geldt dat de AFM geen zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van eisers bij voortzetting van de pensioenregeling voor dat belang moet wijken. Ook in dat geval had de AFM de pensioenregeling niet eenzijdig mogen wijzigen.
(…)
12. Het pensioenreglement 2014 bevat in artikel 25 een eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 19 Pw. Deze bepaling geeft de AFM de mogelijkheid de pensioenregeling in een beperkt aantal situaties aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Artikel 25 bepaalt: […]
13. De eenzijdige wijzigingsmogelijkheid van de AFM is dus beperkt tot aanpassing van de regeling in verband met wijziging van sociale wetten of andere maatregelen met betrekking tot de genoemde onderwerpen. Deze situatie doet zich hier niet voor. Als zodanig kan van deze mogelijkheid geen gebruik worden gemaakt.
14. Dat de AFM zich bij wijziging van de pensioenregeling niet kan beroepen op de eenzijdige wijzigingsmogelijkheid als opgenomen in het pensioenreglement wordt door haar in punt 20 van de conclusie van antwoord onderkend. De AFM stelt zich vervolgens op het standpunt dat zij voor het wijzigen van het pensioenreglement ook gebruik kan maken van het eenzijdig wijzigingsbeding als opgenomen in artikel 10 van de arbeidsovereenkomsten van eisers. Dat standpunt kan geen stand houden. Het beding in de pensioenregeling kan niet zomaar opzij worden gezet door een algemeen wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst. Dit wijzigingsbeding is specifiek opgesteld voor wijzigingen van deze regeling en heeft dan ook voorrang op de algemene bepaling in de arbeidsovereenkomst. Zou dit anders zijn, dan zou een dergelijk eenzijdig wijzigingsbeding in de pensioenregeling zinloos zijn.”
Conclusie van dupliek (AFM)5.:
“Eenzijdig wijzigingsbeding
(…)
4. De AFM blijft bij haar standpunt dat de eenzijdige wijziging wel degelijk doorgevoerd kon worden op basis van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding.
5. Een wijzigingsbeding in een pensioenreglement heeft ook een andere strekking. Het pensioenreglement regelt immers (primair) de verhouding tussen de pensioenuitvoerder en de deelnemer. Dit blijkt ook uit de definitie van pensioenreglement in artikel 1 Pw: (…). Het pensioenreglement wordt dus niet opgesteld door de werkgever maar door de pensioenuitvoerder.
6. Dat in artikel 25 van het pensioenreglement 2014 wordt gerefereerd aan een door de werkgever gemaakt “voorbehoud de pensioenregeling aan te passen indien en voor zover dat door de wet wordt afgedwongen” doet daar niet aan af. De formulering in het pensioenreglement is ook de gebruikelijke formulering en laat onverlet dat er, in aanvulling daarop, ook sprake kan zijn van een eenzijdige wijzigingsbevoegdheid opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst.
7. Het gaat bij de onderhavige wijziging om een wijziging in de tussen de werkgever en werknemer gemaakte afspraak, derhalve de pensioenovereenkomst, en de wijzigingsbevoegdheid vloeit daarbij voort uit de afspraak tussen werkgever en werknemer zoals gemaakt in de arbeidsovereenkomst.
8. De conclusie is derhalve dat er wel degelijk een beroep kan worden gedaan op het eenzijdig wijzigingsbeding, in welk kader uiteraard tussen partijen niet ter discussie staat dat er sprake moet zijn van een zwaarwichtig belang van de zijde van de AFM.”
Memorie van grieven ( [verweerders] ):
“35. Bekeken moet derhalve worden of AFM met [verweerders] in de pensioenovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW is overeengekomen. Dat is het geval, en wel in artikel 25 lid 1 Pensioenreglement. Partijen hebben de inhoud van het eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW, in artikel 25 lid 1 Pensioenreglement contractueel nader ingekaderd. In artikel 25 lid 1 Pensioenreglement is benoemd in welke gevallen de werkgever de pensioenovereenkomst eenzijdig mag wijzigen.
(…)
38. Partijen zijn overeengekomen dat indien een situatie als omschreven in artikel 25 lid 1 pensioenreglement zich voordoet, AFM de bevoegdheid heeft om de pensioenovereenkomst met [verweerders] eenzijdig te wijzigen. Indien zich niet een situatie als omschreven in artikel 25 lid 1 Pensioenreglement [voordoet], heeft AFM die bevoegdheid niet.
39. Het bovenstaande volgt uit een uitleg naar objectieve maatstaven van het Pensioenreglement. Een pensioenreglement moet naar objectieve maatstaven worden uitgelegd, omdat een pensioenreglement naar zijn aard bestemd is om de rechtspositie van een groot aantal derden te regelen, terwijl die derden – waaronder [verweerders] – niet betrokken zijn geweest bij de aanloop naar de totstandkoming van de tekst van het pensioenreglement. (vt. 10 verwijst naar HR 29 februari 2004, LJN AO1427, NJ 2005/493 (DSM/Fox)).
40. Omdat partijen wel een eenzijdig wijzigingsbeding in de pensioenovereenkomst zijn overeengekomen, is de maatstaf die zou gelden bij de beoordeling of een eenzijdige wijziging geoorloofd was indien geen eenzijdig wijzigingsbeding zou zijn overeengekomen, niet relevant.
41. De conclusie is daarmee dat de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst door AFM per 1 januari 2016 strijdig was met artikel 25 lid 1 Pensioenreglement. Daarmee heeft deze eenzijdige wijziging geen rechtsgevolg gehad. De vordering van [verweerders] in hoger beroep moet worden toegewezen.”
Memorie van antwoord (AFM)
1. In deze procedure gaat het in de kern om de vraag of de AFM bevoegd was de pensioenovereenkomst met [verweerders] eenzijdig te wijzigen op grond van het in de arbeidsovereenkomst met [verweerders] opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding in de zin van artikel 7:613 BW. [verweerders] is (naar de kantonrechter oordeelde: ten onrechte) van mening dat de AFM de pensioenovereenkomst niet eenzijdig mocht wijzigen. Het standpunt van de AFM is dat zij op grond van de betreffende bepaling in de arbeidsovereenkomst wel gerechtigd was de pensioenovereenkomst te wijzigen.
2. De memorie van grieven komt de facto neer op twee stellingen:
3. a. ten onrechte heeft de kantonrechter het beroep van de AFM op het eenzijdig wijzigingsbeding van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst gehonoreerd, zulks niettegenstaande het feit dat de pensioenregeling een specifiek wijzigingsbeding (artikel 25) kent in de zin van artikel 19 PW (…).
II. GRIEF 1
14. Grief 1 heeft betrekking op de rechtsoverwegingen 6 t/m 11 van het vonnis van de kantonrechter (…). Deze rechtsoverwegingen komen er, kortweg gezegd, op neer dat het eenzijdig wijzigingsbeding in artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst ook van toepassing is op een eenzijdige wijziging van de pensioenregeling. Het bepaalde in het pensioenreglement met betrekking tot een eenzijdige wijziging van de pensioenregeling staat daar niet aan in de weg.
15. De AFM handhaaft haar standpunt dat zij de eenzijdige wijziging in de pensioenregeling en opzichte van [verweerders] wel degelijk kon doorvoeren op grond van het in de arbeidsovereenkomst opgenomen eenzijdig wijzigingsbeding. Dat artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst spreekt over een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst en niet over een wijziging van de pensioenovereenkomst (zoals [verweerders] betoogt in nr. 29 van de memorie van grieven) maakt dit niet anders. De arbeidsovereenkomst verwijst in artikel 4 immers expliciet naar de pensioenregeling. Zoals bij conclusie van antwoord gesteld heeft pensioen te gelden als een arbeidsvoorwaarde die onderdeel vormt van de arbeidsovereenkomst.
16. De verwijzing in nr. 31 naar het ECN-arrest van de Hoge Raad uit 2013 snijdt geen hout. Het ECN-arrest betreft de positie van een ex-werknemer en ziet op het vraagstuk van de uitgewerkte rechtsverhouding. Het arrest als zodanig zegt niets over de rechtsvraag welk eenzijdig wijzigingsbeding voorrang heeft indien er sprake is van zowel een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst als een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in het pensioenreglement. De AFM herhaalt hier de verwijzing naar Asser/Lutjens 7-XI 2016/503 zoals weergegeven in nr. 17 van de conclusie van antwoord [bedoeld is cva 20, A-G]. Het eenzijdig wijzigingsbeding uit artikel 19 PW is derhalve geënt op artikel 7:613 BW. Artikel 7:613 BW geeft de grondslag voor een eenzijdige wijziging van in de arbeidsovereenkomst opgenomen arbeidsvoorwaarden. Eén van die arbeidsvoorwaarden is in casu pensioen, opgenomen in de arbeidsovereenkomst. Indien, zoals in casu het geval is, reeds een artikel 7:613-beding is overeengekomen in de arbeidsovereenkomst heeft artikel 19 PW in de relatie tussen werkgever en werknemer geen zelfstandige betekenis. Slechts voor de personele werkingssfeer is dan artikel 19 PW van belang want de begrippen werkgever en werknemer in de Pensioenwet zijn ruimer. Om die reden wordt een artikel 7:613 BW-beding ook opgenomen in de individuele arbeidsovereenkomst of een arbeidsvoorwaardenreglement dat verwijst naar de individuele arbeidsovereenkomst terwijl een artikel 19 PW-beding wordt opgenomen in het pensioenreglement.
17. Hetgeen onder nr. 39 van de memorie van grieven wordt gesteld met betrekking tot de uitlegregels die gelden bij een pensioenreglement gaat ook niet op. Het gaat hier niet om de uitleg van het pensioenreglement maar de uitleg van de arbeidsovereenkomst. Dit is een rechtstreekse overeenkomst tussen werkgever en werknemer en daar gelden de normale uitlegregels en dus niet de cao-uitlegmethode. Die methode geldt immers alleen voor geschriften en verhoudingen waarvan de aard meebrengt dat bij de uitleg in beginsel objectieve maatstaven centraal dienen te staan. Voor de interpretatie van de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid opgenomen in de arbeidsovereenkomst gelden de normale interpretatieregels.
18. Toepassing van de normale interpretatieregels kan tot geen andere conclusie leiden dan dat de AFM zich, rechtsgeldig, de bevoegdheid heeft voorbehouden om de arbeidsvoorwaarden, waaronder nadrukkelijk ook begrepen de pensioenregeling, eenzijdig te wijzigen, uiteraard slechts indien en voor zover zij daarbij een zwaarwichtig belang heeft.” (Onderstreping A-G)
Pleitnota [verweerders]
“4. Met de eerste grief tegen het vonnis van de kantonrechter hebben appellanten betoogd dat AFM niet de bevoegdheid had om de pensioenregeling eenzijdig te wijzigen. In artikel 25 van Pensioenreglement 2014 (productie 3 bij dagvaarding) is een ingekaderd eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen. In lid 1 staat dat de werkgever de pensioenregeling mag wijzigen indien de – kort gezegd – bestaande sociale wetten worden gewijzigd of andere overheidsmaatregelen met betrekking tot pensioen worden genomen. Buiten discussie is dat een wijzigingsgrond als genoemd in artikel 25 zich niet heeft voorgedaan.
5. AFM zegt: dan beroepen we ons op het eenzijdig wijzigingsbeding uit de arbeidsovereenkomst. Die redenering zou op kunnen gaan indien artikel 25 Pensioenreglement 2014 er niet zou zijn. Maar dat artikel is er nu juist wel. Indien de redenering van AFM juist zou zijn, zou artikel 25 Pensioenreglement 2014 geen enkele toegevoegde waarde hebben naast artikel 10 arbeidsovereenkomst.”
Pleitnota AFM:
“3. Partijen zijn het erover eens dat sprake is van een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in het pensioenreglement gebaseerd op art. 19 Pensioenwet en een eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst op basis van art. 7:613 BW. Partijen verschillen echter van mening over de vraag of de AFM zich kan beroepen op het, ongeclausuleerde, eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst of (slechts) kan beroepen op het geclausuleerde wijzigingsbeding opgenomen in het pensioenreglement.
4. In eerste instantie heeft de AFM al met kracht van argumenten aangevoerd dat het eenzijdig wijzigingsbeding in artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst ook van toepassing is ingeval van een wijziging van de pensioenovereenkomst. Het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig overeengekomen. In nr. 16 van de memorie van antwoord wordt verwezen naar een passage in Asser/Lutjens. Deze verwijzing is inmiddels niet meer correct in verband met een nieuwe editie van Asser/Lutjens 7-XI 2019. De juiste verwijzing moet nu zijn Asser/Lutjens 7-XI 2019/554. Inhoudelijk blijft de verwijzing dezelfde. In de woorden van Asser/Lutjens: “Een zelfstandige betekenis van artikel 19 PW naast artikel 7:613 BW is hierdoor materieel niet aanwezig.”. Wel is de personele werking van artikel 19 PW ruimer omdat het begrip werkgever en werknemer in de Pensioenwet ruimer is maar dat is hier niet relevant. Voor de materieelrechtelijke gevolgen is het echter van geen belang of de wijziging in de pensioenovereenkomst wordt getoetst aan artikel 19 PW of, als een arbeidsvoorwaarde, aan artikel 613 BW
5. Het gegeven dat het wijzigingsbeding opgenomen in het pensioenreglement geclausuleerd is betekent niet dat de AFM geen beroep toekomt op het ongeclausuleerde wijzigingsbeding opgenomen in de arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst, met daarin opgenomen de pensioenovereenkomst en het wijzigingsbeding, is leidend en op geen enkele wijze heeft de AFM de schijn gewekt dat zij haar eenzijdige wijzigingsbevoegdheid (nader) heeft willen clausuleren. In dat kader is ook van belang dat in artikel 10 lid 3 van de arbeidsovereenkomsten met zoveel woorden wordt bepaald: ‘De Werknemer aanvaardt dat de voorwaarden respectievelijk regelingen genoemd in artikel 8 van deze overeenkomst van tijd tot tijd kunnen wijzigen in welk geval de gewijzigde voorwaarden van toepassing zijn.’ Er is dus in het eenzijdig wijziging beding uit de arbeidsovereenkomst nadrukkelijk ook gewezen op de mogelijkheid van eenzijdige wijziging van de onderwerpen genoemd in artikel 8, de Personeelsgids, en artikel 4 bepaalt dat het pensioenreglement onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids. (…) [H]et vorenstaande (…) spreekt temeer nu het wijzigingsbeding gebaseerd op artikel 19 PW is neergelegd in het pensioenreglement dat de rechtsverhouding regelt tussen de pensioenuitvoerder en de werknemer. Vergelijk de definitie van pensioenreglement in artikel 1 PW.”
3.3
Uit het hiervoor weergegeven partijdebat in feitelijke instanties komt naar voren dat partijen er uiteindelijk althans hierover eens waren, dat art. 25 pensioenreglement 2014 een eenzijdig wijzigingsbeding is in de zin van art. 19 Pw (zij het dat dat wat AFM betreft niet het hele verhaal is en zij betwist dat deze regeling vóór zou gaan op de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid die zij zich heeft voorbehouden in de arbeidsovereenkomst, terwijl [verweerders] wel exclusiviteit van art. 25 pensioenreglement bepleiten). De vraag is allereerst of het hof buiten het partijdebat is getreden door in rov. 3.4 te overwegen dat art. 25 pensioenreglement 2014 geen eenzijdig wijzigingsbeding is als bedoeld in art. 19 Pw, maar een premiebetalingsvoorbehoud en (daarmee) een beding als bedoeld in art. 12 Pw. Hoewel dit niet de kern van de zaak is, lijkt mij deze klacht wel doel te treffen.
3.4
Onderscheiden moet hier worden tussen uitleg en kwalificatie. Uitleg van een overeenkomst is het vaststellen van de betekenis van de door de contractanten afgelegde verklaringen en dus van de daardoor ontstane rechtsgevolgen6.. De inhoud van de overeenkomst wordt zo vastgesteld. Vervolgens kan worden beoordeeld of (een beding in) de overeenkomst kwalificeert als een beding bedoeld in een wettelijke bepaling7..
3.5
In dit geval heeft het hof art. 25 pensioenreglement 2014 zo uitgelegd dat het geen wijzigingsbeding betreft, maar een betalingsvoorbehoud. Het hof kwalificeert dit beding vervolgens als een voorbehoud volgens art. 12 Pw.
3.6
Met de gegeven uitleg is het hof buiten het debat (en daarmee de rechtsstrijd, art. 24 Rv) van partijen getreden. Indien partijen het over een bepaalde uitleg eens zijn, kan de rechter niet zijn eigen afwijkende uitleg aan een beding geven8.. Doet de rechter dat wel, dan treedt hij buiten de rechtsstrijd. Zoals wij zagen, waren partijen het er uiteindelijk op zich over eens dat art. 25 pensioenreglement 2014 een eenzijdig wijzigingsbeding is – en dus geen betalingsvoorbehoud. Dat is iets wezenlijk anders, zoals ook in de parlementaire geschiedenis tot uitdrukking is gebracht9.. De klacht in subonderdeel 2.1-Ig treft volgens mij dan ook doel10.. Bovendien hebben partijen in hoger beroep de volgende overweging van de kantonrechter niet inhoudelijk bestreden11.zodat het hof daarvan had moeten uitgaan12.:
“7. Partijen zijn het erover eens dat de redenen die tot wijziging van de pensioenregeling hebben geleid, niet zijn te kwalificeren als (een van) de gevallen als genoemd in het wijzigingsbeding in artikel 25 van de pensioenregeling. Artikel 25 vindt zijn grondslag in artikel 19 Pensioenwet.”
Daar komt bij dat partijen het erover eens waren dat het wijzigingsbeding kwalificeert als een beding in de zin van art. 19 Pw. Ook indien partijen het eens zijn over de kwalificatie, treedt de rechter in beginsel buiten de rechtsstrijd wanneer een eigen kwalificatie wordt gegeven (tenzij sprake is van een op grond van de ten processe vaststaande feiten gegeven zuiver rechtsoordeel dat sprake is van een andere kwalificatie)13..
3.7
Dit brengt ook mee dat het oordeel van het hof dat deze bepaling gebaseerd zou zijn op art. 12 Pw ontoereikend is gemotiveerd, zoals subonderdeel 2.1-Ih terecht aanvoert. Gebruikmaking van een betalingsvoorbehoud betekent niet dat een pensioenovereenkomst niet eenzijdig gewijzigd kan worden, althans is dat zonder nadere motivering, die niet is gegeven, niet in te zien.
3.8
Zodoende staat in deze procedure vast dat art. 25 pensioenreglement 2014 een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in art. 19 Pw is. In het licht hiervan bespreek ik de overige klachten in subonderdeel 2.1-I (subonderdelen 2.1-Ia t/m 2.1-If), die erop neerkomen dat art. 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst (een beding als bedoeld in art. 7:613 BW) niet automatisch ook een wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw is, wanneer al een wijzigingsbeding is opgenomen in het pensioenreglement (zie 3.1). Ik meen uiteindelijk dat deze klachten niet slagen.
3.9
De definitie van pensioenovereenkomst14.impliceert dat voor de totstandkoming daarvan een arbeidsovereenkomst (of publiekrechtelijke aanstelling) nodig is15.. Pensioen dat voor werknemers als onderdeel van de arbeidsovereenkomst wordt overeengekomen is een arbeidsvoorwaarde en heeft een beloningskarakter16.. Zonder arbeidsovereenkomst is er in beginsel dus geen pensioenovereenkomst. Het pensioenrecht is, iets breder getrokken, sterk verbonden met het arbeidsrecht17.. Toch wordt de pensioenovereenkomst niet in het BW, maar als benoemde overeenkomst in de Pw geregeld. Hierdoor zijn tal van eigen regels voor de pensioenovereenkomst van toepassing18.. Een belangrijke doelstelling van de Pw is het waarborgen van wat is afgesproken over pensioen19..
3.10
Een pensioenovereenkomst is al rechtsgeldig wanneer deze alleen maar een verwijzing inhoudt naar een pensioenreglement. De inhoud van de pensioenovereenkomst wordt dan bepaald door het pensioenreglement dat geacht kan worden in de pensioenovereenkomst te zijn geïncorporeerd20.. Dat is in onze zaak aan de orde. AFM en [verweerders] zijn in art. 4 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat [verweerders] deelnemen aan de collectieve pensioenregeling en dat de voorwaarden van deze regeling zijn opgenomen in het pensioenreglement, dat onderdeel uitmaakt van de personeelsgids21.. Dat in onze zaak sprake is van een pensioenovereenkomst en wat die overeenkomst op grond van het pensioenreglement inhoudt, is in confesso. Dit volgt ook impliciet uit rov. 3.4 waaruit blijkt dat art. 25 pensioenreglement 2014 deel uitmaakt van de pensioenovereenkomst. Anders dan [verweerders] betogen (procesinleiding 2.1-If), hoefde het hof dit niet nog expliciet vast te stellen voordat het kon toekomen aan de vraag of in de pensioenovereenkomst een wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw is opgenomen. Dit wetsartikel houdt een specifieke regeling in voor eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst en luidt als volgt:
“Artikel 19. Wijziging pensioenovereenkomst
Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”
3.11
De wetgever heeft art. 19 Pw geënt op art. 7:613 BW22.en de tekst van art. 19 Pw is hiermee in lijn gebracht23.. De rechtspraak over ‘zwaarwichtig belang’ in art. 7:613 BW is volgens de regering dan ook van betekenis voor art. 19 Pw24.. Het wetsartikel beschermt de werknemer zodoende, wederom in lijn met art. 7:613 BW25., tegen eenzijdige wijziging door de werkgever met een drempel: dat moet schriftelijk zijn overeengekomen26..
3.12
Het hof overweegt – onbestreden in cassatie – direct vóór de passage waarover [verweerders] met succes klagen (zie citaat in 3.1) het volgende:
“[…] De omstandigheid dat in de pensioenovereenkomst een of meer wijzigingsbedingen zijn opgenomen betekent niet zonder meer dat daarmee de mogelijkheid tot het eenzijdig wijzigen van de arbeidsvoorwaarde pensioen als bedoeld in art. 19 PW, respectievelijk 7:613 BW terzijde is gesteld. Daarvan kan alleen sprake zijn als in de pensioenovereenkomst ondubbelzinnig een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW is opgenomen. […]”
3.13
Met [verweerders] (procesinleiding 2.1-Ic) meen ik dat met het woord ‘ondubbelzinnig’ door het hof moet zijn bedoeld het schriftelijkheidsvereiste uit art. 19 Pw. Het hof gaat er dus van uit dat er sprake kan zijn van samenloop van wijzigingsbedingen uit de pensioenovereenkomst en de arbeidsovereenkomst. Hierover is op zich niet geklaagd in cassatie en dit uitgangspunt komt juist voor.
3.14
Het pensioenrecht voorziet met art. 19 Pw in een eigen regeling voor eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst en ook het arbeidsrecht voorziet in art. 7:613 BW in een regeling voor een eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden die voorkomen in de arbeidsovereenkomst. Omdat pensioen een arbeidsvoorwaarde is, brengt dit mee dat wanneer zowel de pensioenovereenkomst als de arbeidsovereenkomst een eenzijdige wijzigingsbepaling bevatten, er sprake kan zijn van samenloop. Er zijn dan meer regels in beginsel naast elkaar van toepassing op één en hetzelfde feitencomplex.
3.15
Het is juist dat, zoals het hof in rov. 3.4 overweegt, art. 19 Pw en art. 7:613 BW dezelfde materiële toetsingsnorm (‘zwaarwichtig belang’) bevatten. In zoverre is bij toetsing van wijzigingen aan deze overeenstemmende wetsartikelen dezelfde uitkomst te verwachten27.. Voor zowel art. 19 Pw als art. 7:613 BW geldt een schriftelijkheidsvereiste. De formulering van art. 19 Pw is zo dat het wijzigingsbeding ‘in de pensioenovereenkomst’ moet zijn opgenomen. De wetgever is hierover duidelijk: “Een dergelijk beding is evenwel alleen rechtsgeldig indien het schriftelijk is gemaakt en in de pensioenovereenkomst is opgenomen […]”28.. De tekst van art. 7:613 BW stelt niet de eis dat het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst moet zijn opgenomen. Dat staat enigszins op gespannen voet met de toelichting op het amendement waarmee dit vereiste in de wet is gekomen29.. Daarin staat dat het schriftelijkheidsvereiste de rechtszekerheid en kenbaarheid dient en als formeel vereiste moet worden gesteld dat het beding schriftelijk en in de arbeidsovereenkomst zelf is overeengekomen30.. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat om aan het schriftelijkheidsvereiste te voldoen een arbeidsrechtelijk wijzigingsbeding ook kan worden opgenomen in een ander document dan de arbeidsovereenkomst zelf, voor zover dat beding dan geldt voor de voorwaarden in dat andere document31..
3.16
In ons geval is voor beide wijzigingsbedingen aan het schriftelijkheidsvereiste voldaan in art. 25 van het pensioenreglement (dat de inhoud van de pensioenovereenkomst weergeeft) en in art. 10 van de arbeidsovereenkomst. Het wijzigingsbeding in het pensioenreglement is geclausuleerd (dat wil zeggen: alleen onder de genoemde omstandigheden van kort gezegd wijziging van sociale wetgeving is wijziging van de pensioenovereenkomst mogelijk32.) en het wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst is ongeclausuleerd.
3.17
Bij eerste beschouwing lijkt deze clausulering in het pensioenreglement uit te wijzen dat wijziging van de pensioenovereenkomst door AFM in andere omstandigheden dan genoemd in deze bepaling niet mogelijk is en dus voor die wijzigingen geen schriftelijk beding voorhanden is in de pensioenovereenkomst. Maar de vraag dringt zich meteen op of hier exclusiviteit bedoeld is in die zin, dat deze bepaling de wijzigingsbevoegdheid uit de arbeidsovereenkomst zou uitsluiten als het gaat om de arbeidsvoorwaarde pensioen. Ik denk uiteindelijk niet dat dat zo moet worden gezien en kom daartoe als volgt.
3.18
Aanvankelijk leek mij daar wel iets voor te zeggen en zodoende een soort arbeidsvoorwaardelijke variant op te gaan van het adagium lex specialis derogat legi generali Castermans en Krans33.zetten in hun monografie over samenloop uiteen dat de verhouding tussen een bijzondere en algemene regel niet automatisch exclusieve werking voor de bijzondere regel meebrengt in het moderne privaatrecht in Nederland. Integendeel. Dat moet bij iedere rechtsregel afzonderlijk worden nagegaan. Vertrouwd geraakt met de lex specialis regel, is dat enigszins verrassend. Ik ben geen literatuur of rechtspraak tegen gekomen waarin de verhouding art. 19 Pw en art. 7:613 BW voorrang voor de eerste bepaling wordt bepleit of waarin dat al is uitgemaakt. Te bepleiten valt op zich dat uit de aard van art. 19 Pw voortvloeit dat deze eenzijdige wijzigingsbevoegdheid in geval van de arbeidsvoorwaarde pensioen voorrang verdient, omdat anders de strekking van de Pw geweld aan zou worden gedaan34.. Een zich opdringende gedachte is of in deze zaak niet zowel art. 25 pensioenreglement als art. 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst voor wat betreft de arbeidsvoorwaarde pensioen gezien kunnen worden als een wijzigingsbeding in de zin van art. 19 Pw die vervolgens naast elkaar van toepassing zijn. De wijzigingsbevoegdheid in het pensioenreglement is heel specifiek toegesneden op wijzigingen die noodzakelijk worden wegens gewijzigde sociale wetgeving, dus als het ware extern opgelegd. Zoals AFM blijkens het weergegeven partijdebat heeft betoogd, heeft zij niet de schijn gewekt dat zij met deze specifiek op wijziging door veranderde sociale wetgeving ingegeven specifieke wijzigingsbevoegdheid afstand heeft willen doen van haar uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst voorbehouden eenzijdige wijzigingsbevoegdheid van arbeidsvoorwaarden in meer algemene zin, waaronder expliciet kenbaar de ook de in de Personeelsgids opgenomen pensioenverbintenissen. Te betogen valt dat zo’n “duaal” stelsel het er voor werknemers niet overzichtelijker op maakt, maar op zich “bijten” deze twee wijzigingsbevoegdheden elkaar inhoudelijk niet en is cumulatie in die zin niet bezwaarlijk te noemen: voor wijzigingen die nodig worden vanwege gewijzigde sociale wetgeving kan worden teruggevallen op art. 25 pensioenreglement, voor andere wijzigingen waar de AFM in deze zaak op leunt op het art. 7:613 BW beding uit de arbeidsovereenkomst. Dan kwalificeert art. 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst ook deels als een art. 19 Pw bepaling (vgl. in die zin ook het hof in rov. 3.4) – naast art. 25 van het pensioenreglement. Dat is ook qua inhoudelijke toetsing niet bezwaarlijk, omdat we gezien hebben dat de onderliggende toetsingsmaatstaf (zwaarwichtig belang voor werkgever) uitdrukkelijk gelijk is getrokken. Dat een art. 19 Pw eenzijdig wijzigingsbeding schriftelijk ‘in’ de pensioenovereenkomst moet staan, lijkt mij hier ook al geen hinderpaal, want die pensioenovereenkomst ligt vast in de arbeidsovereenkomst door incorporatie en in die arbeidsovereenkomst is het wijzigingsbeding schriftelijk neergelegd.
3.19
Ik acht dit ook maatschappelijk de meest wenselijke uitkomst. De vergrijzingsproblematiek zet al enige tijd pensioenstelsels in Nederland onder zodanige druk, dat deze in de loop der jaren steeds verder versoberd moesten worden om te voorkomen dat deze onbetaalbaar zouden worden. De meeste pensioenstelsels veranderden van eindloonregeling via middelloonregeling naar nog verder versoberde stelsels en het in Nederland bereikte pensioenakkoord dat nu in wetgeving wordt uitgewerkt is de belichaming van deze tendens. Dit is uiteindelijk in het belang van alle werknemers en (toekomstige) gepensioneerden. Er zijn daar wel duidelijke grenzen aan gesteld, zoals art. 20 Pw met betrekking tot bepaalde opgebouwde pensioenaanspraken. Het komt mij voor dat AFM in deze procedure duidelijk heeft gemaakt dat zij haar pensioenregeling (vergaand) diende te versoberen onder druk van deze maatschappelijke ontwikkelingen en het ministerie van financiën dat dreigde met het onthouden van goedkeuring van haar begroting bij gebreke van versobering en zich er vervolgens van heeft verzekerd dat de OR met de voorgenomen versoberingswijzigingen heeft ingestemd uiteindelijk. Zij dacht zich duidelijk een wijzigingsbevoegdheid voor dit soort situaties te hebben voorbehouden in haar arbeidsovereenkomsten. Het gaat in die omstandigheden te ver om een pensioenreglementsbepaling die duidelijk is toegesneden op wijzigingen die uit anderen hoofde noodzakelijk worden doordat sociale wetgeving verandert in zo’n geval exclusief te verklaren, zodat wijzigingen ingegeven door noodzakelijke pensioenversobering met het oog op betaalbaarheid van het stelsel en gelet op wat er in de markt gebeurt, alleen vanwege die in het pensioenreglement opgenomen specifieke regeling voor veranderde sociale wetgeving dan niet meer mogelijk zou zijn, ondanks het art. 7:613 BW beding in de arbeidsovereenkomsten die klaarblijkelijk ook zien op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Dat spreekt bij nader inzien niet aan, omdat het maatschappelijk met het oog op stelselbetaalbaar- en houdbaarheid noodzakelijke of wenselijke wijzigingen in pensioenstelsels frustreert.
3.20
Dit betekent dat ik de hier tezamen besproken subonderdelen 2.1-Ia t/m f niet zie opgaan. Vanzelfsprekend geldt het omgekeerde, indien niet van cumulatie moet worden uitgegaan, maar van exclusiviteit van art. 25 pensioenreglement ten opzichte van art. 10 lid 1 arbeidsovereenkomst.
3.21
Het slagen van de klachten in subonderdeel 2.1g en h betekent niet dat de voortbouwklacht in subonderdeel 2.1-II in zoverre slaagt. Anders dan het subonderdeel aanvoert, is uit de voorgaande bespreking duidelijk dat in mijn ogen wel sprake is van een geldig eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in art. 19 Pw – beter gezegd: van een tweeledig en elkaar aanvullend wijzigingsbeding in de vorm van art. 25 pensioenreglement en art. 10 lid 1 arbeidsovereenkomst. Daar ketst dit onderdeel op af.
Subonderdeel 2.2-II van het incidenteel cassatieberoep
3.22
In dit subonderdeel bestrijden [verweerders] rov. 3.13, waarin het hof overweegt:
“Het voorgaande brengt met zich dat het hof de incidentele vordering op de voet van artikel 843a Rv zal afwijzen, enerzijds omdat het hof zich voldoende geïnformeerd acht en anderzijds omdat de gevraagde informatie naar het oordeel van het hof als bijlage II is aangehecht aan het pensioenakkoord.”
3.23
Het oordeel van het hof steunt op twee pijlers (‘enerzijds, anderzijds’). Beide pijlers worden bestreden in het subonderdeel, te beginnen met de vaststelling van het hof dat de gevraagde informatie als bijlage II is aangehecht aan het pensioenakkoord. In subonderdeel 2.2-IIa klagen [verweerders] dat het hof art. 24 Rv en art. 149 Rv heeft miskend, buiten het debat van partijen is getreden en zich schuldig heeft gemaakt aan verboden aanvulling van feiten. AFM heeft niet betoogd dat de gevraagde informatie daar te vinden is.
3.24
Deze klacht faalt omdat bijlage II bij het pensioenakkoord door [verweerders] is overgelegd als onderdeel van prod. 2 bij dagvaarding. Het hof kon bij de beoordeling van de stellingen van [verweerders] putten uit deze te zijner kennis gekomen feiten (art. 149 lid 1 Rv) en het stond het hof in beginsel vrij uit de gedingstukken bepaalde conclusies te trekken zonder de feiten ongeoorloofd aan te vullen35..
3.25
De klacht in subonderdeel 2.2-IIb houdt in dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd, omdat niet duidelijk is waarop het hof nu precies het oog heeft met de aanduiding ‘de gevraagde informatie’, onder meer omdat de verzochte aanvangshaalbaarheidstoets niet was aangehecht als bijlage II aan het pensioenakkoord. Deze klacht slaagt.
3.26
In het petitum van de memorie van grieven vorderen [verweerders] in het incident “AFM te veroordelen om een afschrift over te leggen van de aanvangshaalbaarheidstoets zoals die door Pensioenfonds AFM is uitgevoerd voorafgaand aan (dan wel naar aanleiding van) de wijziging van Pensioenregeling 2014 naar Pensioenregeling 2016 (…)”. Het gevraagde document is dus de aanvangshaalbaarheidstoets (zie ook MvG 94-105 en plta hb 27). Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom het hof kennelijk de resultaten van deze toets op één lijn stelt met de toets zelf. Het hof had tenminste dienen aan te geven waarom bijlage II gelijk valt te stellen met het door [verweerders] gevraagde. Dat is hier temeer te verlangen, nu [verweerders] het pensioenakkoord met bijlage II zelf als prod. 2 bij de inleidende dagvaarding in het geding hebben gebracht. Niet valt immers in te zien waarom [verweerders] in die situatie een vordering ex art. 843a Rv zouden willen instellen om ditzelfde document van AFM te verkrijgen. De niet gemotiveerde uitleg van het hof is in dit licht onbegrijpelijk.
3.27
Met de rechtsklacht in subonderdeel 2.2-IIc keren [verweerders] zich tegen de tweede pijler onder het hofoordeel. Het hof kon volgens [verweerders] niet de vordering ex art. 843a Rv afwijzen door te overwegen dat het hof zich voldoende geïnformeerd acht.
3.28
Ook deze klacht slaagt. Het enkele feit dat het hof zich voldoende geïnformeerd acht, betekent nog niet dat de inzagevordering kan worden afgewezen. Er moet worden onderscheiden tussen art. 22 Rv en art. 843a Rv. Art. 22 Rv is een discretionaire bevoegdheid van de rechter om partijen te bevelen bepaalde op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen (of te bevelen bepaalde stellingen toe te lichten). Dit bevel kan de rechter bijvoorbeeld geven als hij zich onvoldoende voorgelicht acht. Anders dan art. 22 Rv is art. 843a Rv voor partijen geschreven36.. Art. 843a Rv geeft een partij recht op inzage indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan en de daaraan gestelde beperkingen niet aan inzage in de weg staan. De rechter moet de vordering dan toewijzen37.. Weliswaar verzochten [verweerders] subsidiair om toepassing van art. 22 Rv (MvG 104-105), maar dit betekent niet dat het hof de primaire vordering op grond van art. 843a Rv kan afdoen alsof het een discretionaire bevoegdheid van het hof betreft. Een toetsing aan art. 843a Rv heeft kennelijk niet plaatsgevonden, althans onvoldoende kenbaar.
3.29
In zoverre slaagt ook de klacht in subonderdeel 2.2-IId waarin [verweerders] stellen dat het hof onvoldoende heeft onderbouwd waarom ook het verzoek ex art. 843a Rv afgewezen zou moeten worden, indien en voor zover het oordeel van het hof (‘voldoende geïnformeerd’) uitsluitend zou zien op het door [verweerders] subsidiair gedane verzoek.
3.30
Ook de klacht in subonderdeel 2.2-IIe slaagt in het kielzog van de vorige klachten, omdat in dit licht en zonder motivering niet valt in te zien waarom ‘het voorgaande’ meebrengt dat de vordering ex art. 843a Rv zou moeten worden afgewezen.
3.31
De voortbouwklacht in subonderdeel 2.3 slaagt daarmee voor zover rov. 3.14 en het dictum zien op de afwijzing van de incidentele inzagevordering.
3.32
Resumerend slagen van het onvoorwaardelijke deel van het incidentele cassatiemiddel de volgende onderdelen: 2.1-Ig en h, 2.2-IIb t/m e en 2.3 voor zover rov. 3.14 en het dictum zien op afwijzing van de incidenteel gevorderde inzage.
4. Bespreking van het principaal cassatiemiddel
4.1
Het principaal cassatiemiddel bestaat uit drie onderdelen, onderverdeeld in subonderdelen. Het eerste onderdeel bevat rechts- en motiveringsklachten gericht tegen rov. 3.6 waarin het hof oordeelt dat AFM de door [verweerders] opgebouwde pensioenaanspraken niet kon wijzigen gelet op art. 20 Pw. Het tweede onderdeel komt erop neer dat het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 niet kon oordelen dat vier wijzingen in de uitvoeringsovereenkomst niet ten opzichte van [verweerders] als deelnemers konden worden doorgevoerd. Met het derde onderdeel richt AFM zich tegen het dictum, waarin het hof volgens AFM niet de delen kon uitspreken die betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst.
Onderdeel 1
4.2
Het onderdeel start met een inleidend subonderdeel 1.1 dat geen klacht bevat. In subonderdeel 1.1.1 klaagt AFM dat het hof in rov. 3.6 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de in art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 bedoelde toeslagverlening (eindigend bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst) onvoorwaardelijk is, in de zin dat deze kan worden gekwalificeerd als een pensioenaanspraak waarop art. 20 Pw van toepassing is. Deze klacht bespreek ik tezamen met subonderdeel 1.1.3 waarin AFM betoogt dat het hofoordeel in rov. 3.6 onbegrijpelijk is dat niet in geschil is dat in art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is, omdat (A.) de AFM heeft gesteld dat de toeslag een voorwaardelijk element bevat en omdat (B.) de AFM de onvoorwaardelijkheid heeft bestreden door te wijzen op de slotzin van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014.
4.3
Op 1 januari 2007 trad de Pw in werking38.. Paragraaf 2.3 van de Pw (‘Wijziging pensioenovereenkomst’) bestaat uit art. 19 en art. 20 die als volgt luiden:
“Artikel 19. Wijziging pensioenovereenkomst
Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.
Artikel 20. Gevolgen wijziging van een pensioenovereenkomst
In geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst worden de voor de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet gewijzigd, behoudens het bepaalde in de artikelen 76, 78, 83 en 134.”
4.4
In dit onderdeel staat art. 20 Pw centraal. Dit is een dwingendrechtelijk wijzigingsverbod39.: in beginsel kunnen opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd door aanpassing van de pensioenovereenkomst. Voor een goed begrip van dit artikel zullen eerst de daarin voorkomende en in art. 1 Pw gedefinieerde begrippen moeten worden geïdentificeerd:
- De pensioenovereenkomst: hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen.
- Aanspraakgerechtigde: persoon die begunstigde is voor een nog niet ingegaan pensioen.
- Pensioenaanspraak: het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening.
Art. 20 Pw blijft overigens bestaan in het voorstel voor de Wet toekomst pensioenen, met als wijzigingen dat ‘voor de aanspraakgerechtigden’ vervalt en ‘opgebouwde pensioenaanspraken’ wordt vervangen door ‘opgebouwde pensioenaanspraken en de pensioenrechten’40..
4.5
In onze zaak is niet in geschil dat tussen [verweerders] en de AFM een pensioenovereenkomst is gesloten en dat [verweerders] aanspraakgerechtigden zijn. De pensioenovereenkomst houdt in dit geval een verwijzing in naar het pensioenreglement waarin de inhoud van de overeenkomst staat41.. Partijen verschillen van mening over de vraag of art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 kwalificeert als een pensioenaanspraak (i.d.z.v. art. 20 Pw). Dit is een bepaling over toeslagverlening (ook wel: indexering42.) en luidt – in zijn context weergegeven – als volgt:
“Artikel 9. Ouderdomspensioen
Hoogte jaarlijkse inkoop
1. Voor ieder deelnemersjaar wordt op grond van de pensioenrichtdatum een aanspraak op een jaarlijks ouderdomspensioen toegekend ter grootte van 1,875% van de pensioengrondslag in het desbetreffende deelnemersjaar.
Ploegendienst
2. (…)
Toeslagverlening
3. Op de pensioenaanspraken voor deelnemers wordt jaarlijks (per 1 januari) een toeslag verleend op basis van de algemene (niet-incidentele) loonontwikkeling bij de werkgever over het voorgaande kalenderjaar. Voor deze toeslagverlening is geen reserve gevormd, maar deze wordt door de werkgever voldaan. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenaanspraken worden aangepast.
Samenloop Ouderdomspensioen en loondoorbetaling of wettelijke uitkering ZW/WIA
4. (…)”
4.6
De in de bepaling gebruikte term ‘deelnemer’ is gedefinieerd in art. 1 van het pensioenreglement 2014, dat verwijst naar art. 2 lid 1 van dat reglement dat – in zijn context weergegeven – als volgt luidt:
“Artikel 2. Deelnemerschap
1. Deelnemer in de zin van dit pensioenreglement is de door de werkgever aangemelde werknemer met wie een pensioen is overeengekomen waarvan de uitvoering is ondergebracht bij de stichting en die
a. op 31 december 2013 in dienst was en dat aansluitend vanaf 1 januari 2014 is gebleven; of
b. op of na 1 januari 2014 in dienst is getreden.
Aanvang deelnemerschap
2. Het deelnemerschap vangt aan op de dag waarop de werknemer indienst [sic] treedt.
Einde deelnemerschap
3. Het deelnemerschap eindigt:
a. bij overlijden van de deelnemer
b. door het ingaan van het ouderdomspensioen
c. op de datum waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, anders dan door overlijden of pensionering.
Voortzetting deelnemerschap
4. (…)
5. (…)”
4.7
Het is in onze zaak niet in geschil dat [verweerders] deelnemers zijn.
4.8
Uit de definitie in de Pw van ‘pensioenaanspraak’ (zie 4.4: recht op nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagverlening) kan worden afgeleid dat een overeengekomen onvoorwaardelijke toeslagverlening (anders dan een voorwaardelijke) als pensioenaanspraak kwalificeert. Dat wordt in de wetgeschiedenis uitdrukkelijk bevestigd43.:
“[…] Het begrip pensioenaanspraak ziet ook op de aanspraak op onvoorwaardelijke toeslagen, maar niet op voorwaardelijk overeengekomen toeslagverlening.”
4.9
Het hof oordeelde in rov. 3.6 dat tussen partijen niet in geschil is dat de toeslag van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is. AFM klaagt in cassatie (subonderdeel 1.1.3) dat dit onbegrijpelijk is, onder verwijzing naar MvA 42 en plta hb 13. AFM heeft zich daar consequent op het standpunt gesteld dat sprake is van een ‘onvoorwaardelijke toeslag met een voorwaardelijk element’44.. Het is dan niet onbegrijpelijk dat het hof aanneemt dat (ook) de AFM kennelijk vindt dat de toeslag onvoorwaardelijk (“geen voorwaardelijke toeslag”) is. De tekst van de bepaling leert ook dat op pensioenaanspraken voor deelnemers jaarlijks een toeslag ‘wordt verleend.’ Dit geldt temeer omdat AFM deze formulering kennelijk ontleent aan de wetsgeschiedenis45.of de literatuur46., waaruit duidelijk volgt dat een dergelijke toeslag – ondanks het ‘voorwaardelijke element’ – een onvoorwaardelijke toeslag is. Daar komt nog bij dat dit ‘voorwaardelijk element’ geen voorwaarde in de zin van de wet is. Het Nederlands vermogensrecht gaat ervan uit dat een rechtshandeling onder een tijdsbepaling of een voorwaarde kan worden verricht, tenzij uit de wet of uit de aard van de rechtshandeling anders voortvloeit (art. 3:38 lid 1 BW). Een verbintenis is voorwaardelijk wanneer bij rechtshandeling haar werking van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk is gesteld (art. 6:21 BW)47.. Ook de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende verbintenissen worden door deze algemene bepalingen beheerst48.. De voorwaardelijkheid van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 zit daarin, aldus de AFM, dat de toeslag afhankelijk is van het hebben en houden van de status ‘deelnemer’. Dat is onjuist, omdat het einde van het deelnemerschap een zekere toekomstige gebeurtenis is (mede gelet op art. 2 lid 3 pensioenreglement 2014)49.. Het veranderen van de status van deelnemerschap kan niet uitblijven. De vraag is alleen: wanneer eindigt het deelnemerschap50.? Daarmee is van voorwaardelijkheid geen sprake51.. Bovendien kan dit geen voorwaarde worden genoemd, omdat aan de rechtsgevolgen of werking van de verbintenis over de toeslag voor de deelnemer niets verandert bij wijziging van zijn deelnemerstatus52.. De toeslag en het karakter van de toeslag voor de periode dat iemand deelnemer was, blijft hetzelfde. Dat er andere afspraken over toeslagen bestaan voor de periode dat iemand geen deelnemer meer is (maar gewezen deelnemer of gepensioneerde), doet daaraan niet af53..
4.10
Voor de volledigheid wijs ik nog op (betrekkelijk) recent verschenen bijdragen over art. 20 Pw, waarin (ook) de in deze zaak gevoerde discussie uitgebreid aan bod komt54..
4.11
Ook het feit dat AFM heeft gewezen op de laatste zin van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 (plta hb, p. 7, midden en p-v pleidooi hb, p. 2) maakt het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk. Deze zin luidt: “Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenaanspraken worden aangepast.” De (werking van de) verbintenis over toeslagverlening tussen [verweerders] en AFM is van deze beslissing van het bestuur van het pensioenfonds niet afhankelijk. Het is meer een uitwerkingsbepaling. Een toeslag is een verhoging van de pensioenaanspraak of het pensioenrecht55.. De toeslag in onze zaak wordt jaarlijks verleend ‘op de pensioenaanspraken voor deelnemers’, aldus het derde lid. Aanspraken voor wat betreft het ouderdomspensioen (het onderwerp van art. 9 pensioenreglement 2014) worden toegekend volgens de regeling in het eerste lid. Een vermindering van verworven56.pensioenaanspraken door het pensioenfonds is onder voorwaarden toegestaan op grond van art. 134 Pw (zie de uitdrukkelijke uitzondering art. 20 Pw)57.. Deze aanpassingsmogelijkheid is volgens mij bedoeld met de hier besproken zin uit het pensioenreglement. Ook met deze mogelijkheid tot eventuele vermindering van de pensioenaanspraken (‘korting’) blijft de onvoorwaardelijke toeslag op basis van de loonontwikkeling van het voorafgaande jaar verleend over de pensioenaanspraken in stand en daarmee wordt deze toeslag niet ineens voorwaardelijk. Het hof heeft dit volgens mij niet miskend en een dergelijk oordeel is ook niet onbegrijpelijk te noemen. In dit kader herinner ik eraan dat de rechter niet verplicht is steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken58.. Een stelling kan ook impliciet worden verworpen59.. Dat is hier volgens mij gebeurd. Het hof overweegt in rov. 3.6: “Tussen partijen is niet in geschil dat de toeslag op basis van de algemene (niet-incidentele) loonontwikkeling bij AFM over het voorafgaande boekjaar in artikel 9 lid 3 van Pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is.” Een vergelijking met art. 22 lid 1 en lid 2 pensioenreglement 2014 (‘Vaststelling hoogte toeslagverlening en voorwaardelijkheidsverklaring’) geeft overigens een aanwijzing dat de beslissing van het bestuur wellicht niet eens ziet op toeslagverlening, maar alleen op de aanspraken waarover toeslag wordt verleend60.. Dezelfde zin is daar opgenomen terwijl het op die plaats gaat om een voorwaardelijke toeslagverlening. Zoals wij zagen is een voorwaardelijke toeslagverlening geen pensioenaanspraak en daarover beslist het bestuur dus niet.
4.12
De klachten in subonderdelen 1.1.1 en 1.1.3 ketsen hierop af. Het oordeel van het hof dat de toeslagverlening in art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 niet voorwaardelijk is, is niet rechtens onjuist en niet onbegrijpelijk.
4.13
Met subonderdeel 1.1.2 bestrijdt AFM rov. 3.6 voor zover het hof mocht hebben geoordeeld dat sprake is van een onvoorwaardelijke toeslag omdat (en zo lang) [verweerders] in dienst zijn bij de jaarlijkse toekenning van de toeslag en dus voldoet aan de voorwaarde van het zijn van ‘deelnemer’. In mijn ogen heeft het hof dit niet overwogen, zodat dit subonderdeel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4.14
Feitelijke grondslag ontbreekt ook in subonderdeel 1.1.4. Daarin klaagt AFM dat voor zover het hof, mede gelet op de verwijzing in rov. 3.6 naar art. 95 Pw en het daar opgenomen vereiste van een voorwaardelijkheidsverklaring, heeft geoordeeld dat in dit geval niet aan dat vereiste is voldaan, het hof in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag heeft aangevuld en/of in strijd met art. 19 Rv en art. 6 EVRM een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven. Dit valt niet in het bestreden arrest te lezen. Verder ontbreekt ook belang bij de klachten in dit subonderdeel indien de voorgaande subonderdelen geen doel treffen. De daar bestreden delen van rov. 3.6 zijn (tezamen met de niet bestreden delen) zelfstandig dragend voor het oordeel van het hof dat geen sprake is van een voorwaardelijke toeslag en de toeslag gelet op art. 20 Pw niet kon worden gewijzigd.
4.15
Subonderdeel 1.2 richt zich ook tegen rov. 3.6. AFM klaagt dat het hof niet kon oordelen dat het met toepassing van art. 20 Pw voor recht zal verklaren dat vanaf de uitdiensttreding van [verweerders] de voorwaardelijke toeslagregeling van art. 22 pensioenreglement 2014 van toepassing zal zijn op alle uit hoofde van de pensioenregeling 2014 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, behoudens het bepaalde in art. 76, 78, 83 en 134 Pw. Hiermee heeft het hof, aldus de AFM, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd.
4.16
Deze klacht is terecht voorgesteld. Zoals AFM stelt, heeft het hof de toeslagregeling van art. 22 pensioenreglement 2014 gekwalificeerd als voorwaardelijk. Die toeslagregeling is – samengevat – van toepassing vanaf uitdiensttreding van [verweerders] Omdat vaststaat dat sprake is van een voorwaardelijke toeslag, is art. 20 Pw niet van toepassing. Zoals wij onder ogen hebben gezien in 4.4 is een voorwaardelijke toeslag geen pensioenaanspraak gelet op de definitie van dit laatste begrip in art. 1 Pw. Het hof kon dus niet ‘onder toepassing van art. 20 Pw’, dat alleen ziet op pensioenaanspraken, oordelen dat deze toeslagregeling (kort gezegd: voor gewezen deelnemers en gepensioneerden) niet gewijzigd mocht worden. Hieraan doet niet af dat zolang [verweerders] in dienst blijven (en dus deelnemer zijn) zij kunnen profiteren van de onvoorwaardelijke toeslag op hun tot 1 januari 2016 opgebouwde aanspraken.
4.17
Omdat de klacht in subonderdeel 1.2 slaagt, treft ook de voortbouwklacht van AFM in subonderdeel 1.3 gericht tegen het dictum doel, voor zover de geslaagde klacht in het vorige subonderdeel de grond vormt voor de veroordeling tot nakoming van de pensioenovereenkomst 2014 en daarin de voortdurende gelding van art. 22 pensioenreglement 2014 besloten ligt. Een verklaring voor recht over de voorwaardelijke toeslagregeling, zoals aangekondigd in rov. 3.6, is in het dictum niet terug te vinden.
Onderdeel 2
4.18
Dit onderdeel start met een samenvatting van rov. 3.7 t/m rov. 3.11. AFM vervolgt haar betoog in subonderdeel 2.1 met de vaststelling dat [verweerders] als werknemers in dienst zijn van AFM en (dus) geen gewezen werknemers of gepensioneerden zijn.
De eerste klacht is dat het hof in rov. 3.8 t/m rov. 3.11 heeft miskend dat bij de beoordeling van de rechtsverhouding tussen AFM en [verweerders] geen betekenis toekomt aan de omstandigheden dat (i) de door AFM voorgestane wijzigingen nadelige effecten kunnen hebben voor opgebouwde pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden en (ii) dat het wijzigingsbeding niet ten aanzien van deze categorie van belanghebbenden kan worden ingeroepen.
De tweede klacht is dat indien één of meer wijzigingen niet inroepbaar zijn tegenover (één of meer) gewezen werknemers of gepensioneerden, dit rechtens nog niet maakt dat die wijzigingen evenzeer niet geldig/inroepbaar zijn tegenover [verweerders] als werknemers.
De derde klacht is dat indien (één of meer) wijzigingen niet inroepbaar zijn tegenover (één of meer) gewezen werknemers en gepensioneerden dit rechtens nog niet maakt dat die wijzigingen evenzeer niet geldig/inroepbaar zijn tegenover [verweerders] als werknemers, en dat het hof dan ook nader had moeten motiveren waarom die ongeldigheid/niet-inroepbaarheid ook geldt in de rechtsverhouding tussen AFM en [verweerders]
4.19
Deze klachten slagen niet omdat deze uitgaan van een onjuiste lezing van de bestreden beslissing. Het hofoordeel laat zich puntsgewijs als volgt weergeven:
- het uitgangpunt is dat het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst niet per definitie geldt voor wijzigingen die ook gelden voor gewezen deelnemers en gepensioneerden (rov. 3.8 (slotzin));
- gelet op dit uitgangspunt wordt gestart met de beoordeling van wijzigingen die betrekking hebben op alle tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van werknemers en gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden (rov. 3.9);
- het eenzijdig wijzigingsbeding tussen AFM en [verweerders] geldt slechts voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers en niet, zoals in het onderhavige geval, voor wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst tussen AFM en haar pensioenfonds die effect hebben op de door gewezen deelnemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten (rov. 3.10 eerste volzin);
- in het licht hiervan kunnen de door het hof in rov. 3.10 en rov. 3.11 genoemde wijzigingen niet doorgevoerd worden met een beroep op het eenzijdig wijzigingsbeding en (dus) niet worden getoetst aan de maatstaf van art. 7:613 BW of art. 19 Pw (zwaarwichtig belang bij wijziging).
- wijzigingen van de pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan gesloten (gewijzigde) uitvoeringsovereenkomst kunnen, zoals in rov. 3.6 geoordeeld, alleen worden doorgevoerd op reeds opgebouwde pensioenaanspraken door een (interne) waardeoverdracht.
4.20
Het hofoordeel is gegeven tegen de achtergrond van het wijzigingsverbod van art. 20 Pw. Dit blijkt uit de focus van het hof op ‘opgebouwde pensioenaanspraken’ in combinatie met de verwijzing in rov. 3.10 naar rov. 3.661.. Het wijzigingsverbod ziet op opgebouwde pensioenaanspraken en – naar moet worden aangenomen62.– pensioenrechten. De pensioenaanspraak is het recht op een nog niet ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagen; het pensioenrecht is het recht op een ingegaan pensioen, uitgezonderd overeengekomen voorwaardelijke toeslagen63.. Art. 20 PW verzet zich tegen een wijziging van opgebouwde aanspraken. Volgens Lutjens kan niet worden aangenomen dat pas na financiering van opbouw van pensioenaanspraken kan worden gesproken64.. Voor de pensioenaanspraken geldt dat deze zijn opgebouwd nadat aan de reglementaire voorwaarden voor opbouw is voldaan (meestal zal dit betekenen dat de voor de opbouw vereiste dienst- of deelnemingstijd is vervuld). Het hof kijkt in rov. 4.8-4.11 naar wijzigingen die invloed hebben op opgebouwde aanspraken en opgebouwde rechten en daarmee naar deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden. Omdat deze opgebouwde aanspraken en rechten gelet op art. 20 Pw niet kunnen worden gewijzigd, betekent dit dat een wijzigingsbeding ten aanzien van de besproken wijzigingen zonder werking is, aldus het hof. Anders dan AFM meent, redeneert het hof dus niet vanuit ‘gewezen deelnemers en gepensioneerden’ om vervolgens het oordeel door te trekken naar deelnemers [verweerders] Het redeneert vanuit ‘opgebouwde aanspraken’, opgebouwd bij AFM door wie dan ook.
4.21
Subonderdeel 2.2 is een inleiding op de klachten in subonderdelen 2.2.1 en 2.2.2. Uit de klacht in subonderdeel 2.2.1 blijkt dat ook AFM inziet dat het hof zich baseert op het wijzigingsverbod van art. 20 Pw. AFM klaagt dat het hof in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vorderingen van [verweerders] heeft aangevuld, althans het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing heeft gegeven, onder meer omdat het beroep op art. 20 Pw door [verweerders] in appel is beperkt tot specifiek en uitsluitend de wijziging van onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke indexatie. Ten aanzien van de andere door AFM voorgestane wijzigingen heeft [verweerders] , aldus AFM, uitsluitend betoogd dat een belangenafweging ex art. 7:613 BW ertoe leidt dat zijn belangen zwaarder moeten wegen dan de belangen van AFM.
4.22
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat het de rechter niet vrijstaat zijn beslissing te baseren op rechtsgronden65.of verweren die weliswaar zouden kunnen worden afgeleid uit in het geding gebleken feiten en omstandigheden, maar die door de desbetreffende partij niet aan haar vordering of verweer ten grondslag zijn gelegd. Daardoor wordt de wederpartij immers tekortgedaan in haar recht zich daartegen naar behoren te kunnen verdedigen66.. Dit is in essentie de rechtspraak waar AFM zich op beroept.
4.23
Zoals AFM terecht stelt, blijkt uit de gedingstukken niet (voldoende) dat [verweerders] zich op het wijzigingsverbod van art. 20 Pw heeft beroepen ten aanzien van de wijzigingen aan de orde in rov. 3.9 t/m rov. 3.11. De vraag is of het hof dat dan zelf kon concluderen. We stuiten hier op de klassieke moeilijkheid dat het de rechter enerzijds verboden is de feitelijke grondslag aan te vullen (art. 24 Rv), maar dat hij anderzijds verplicht is de rechtsgronden aan te vullen (art. 25 Rv)67.. Deze verplichting tot aanvulling van rechtsgronden ziet op de door de rechter ambtshalve aan zijn beslissing ten grondslag gelegde rechtsregels68.. Voor het ambtshalve aanvullen van rechtsgronden (art. 25 Rv) door de rechter69.is volgens de Hoge Raad noodzakelijk, maar ook voldoende, dat een partij zodanige feitelijke stellingen aan haar vordering ten grondslag legt dat deze – eventueel in onderling verband en samenhang bezien, mits voor zowel de rechter als de wederpartij duidelijk genoeg is dat de desbetreffende stellingen (mede) in die samenhang of dat verband ten grondslag worden gelegd aan de vordering – toewijzing van de vordering kunnen rechtvaardigen op de door de rechter bij te brengen rechtsgrond70.. Bij de beoordeling of voldoende duidelijk is dat een partij bepaalde feiten en omstandigheden aan een vordering, verzoek of verweer ten grondslag heeft gelegd, komt het aan op een uitleg van stellingen in de gedingstukken71.. In cassatie kan slechts worden getoetst of de uitleg die de rechter bij het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden aan die stellingen heeft gegeven begrijpelijk is72..
4.24
AFM miskent dat het hof niet de feitelijke grondslag, maar de rechtsgronden heeft aangevuld. Het hof plakte het juiste etiket op de samengestelde feitelijke grondslag73.die [verweerders] en AFM respectievelijk aan hun vorderingen en verweren met betrekking tot de door het hof besproken wijzigingen ten grondslag hebben gelegd. Deze grondslag is te vinden in MvG 134-137 en MvA 45-46 (voor rov. 4.9-4.10) en in MvG 138 e.v. en MvA 47 (voor rov. 4.11). Gelet hierop faalt de klacht over schending van art. 24 Rv. Ook schending van het beginsel van hoor en wederhoor of (specifieker) een verrassingsbeslissing lijkt mij niet aan de orde. Hiervan is slechts sprake indien de rechter partijen niet of onvoldoende hoort over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan zijn beslissing en partijen aldus verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening hoefden te houden74.. De hiervoor genoemde vindplaatsen in de processtukken in hoger beroep, pleitnota hb [verweerders] 13-18 en p-v pleidooi hb. p. 5, midden (vragen met antwoorden van H. Korte, pensioenjurist van AFM, over opgebouwde aanspraken en de nieuwe regeling) laten zien dat debat heeft plaatsgevonden over de wezenlijke elementen die ten grondslag liggen aan de bestreden overwegingen van het hof. Gelet hierop faalt de klacht gebaseerd op art. 19 Rv en art. 6 EVRM en is de uitleg van de stellingen in de gedingstukken bovendien niet onbegrijpelijk te noemen.
4.25
In subonderdeel 2.2.2 betoogt AFM verder nog dat het hof de gedingstukken van [verweerders] en in het bijzonder grief 2 onbegrijpelijk heeft uitgelegd. AFM wijst daarbij, naast een generieke verwijzing naar rov. 3.8 t/m 3.11, op rov. 3.9 (eerste volzin) en rov. 3.3 (laatste volzin).
4.26
Uitleg van gedingstukken – en dus ook van grieven – is feitelijk in cassatie75.. Als grieven worden aangemerkt alle gronden die de appellant aanvoert ten betoge dat de bestreden uitspraak behoort te worden vernietigd. Die gronden moeten wel behoorlijk in het geding naar voren zijn gebracht, zodat zij voldoende kenbaar zijn voor de rechter en voor de wederpartij, welke laatste immers moet kunnen weten waartegen zij zich in de procedure in hoger beroep heeft te verweren76.. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt mee dat de rechter zich moet hoeden voor een uitleg waar de tegenpartij niet op bedacht hoefde te zijn77.. Zoals in 4.24 uiteengezet, is geen sprake van strijd met het beginsel van hoor en wederhoor omdat debat heeft plaatsgevonden over de elementen die het hof aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. Het enkele feit dat AFM – naar eigen zeggen – niet heeft zien aankomen dat het hof op basis van het betoog van [verweerders] (en het verdere debat) art. 20 Pw zou toepassen, doet hieraan niet af. De uitleg van de grief van [verweerders] wordt daardoor niet onbegrijpelijk, mede omdat aanvulling van rechtsgronden komt ná deze uitleg78..
4.27
De uitleg van grief 2 is ook niet onbegrijpelijk omdat deze – zoals AFM betoogt – onverenigbaar zou zijn met de tot wijziging van de indexatie beperkte uitleg van rov. 3.5. In deze overweging staat dat grief 2 uiteenvalt in twee onderdelen, waarvan het tweede onderdeel ziet op indexatie. In rov. 3.6 bespreekt het hof dit tweede onderdeel, alvorens het vanaf rov. 3.7 het eerste onderdeel behandelt. Uit rov. 3.9 (eerste volzin) blijkt dat het hof het eerste onderdeel van grief 2 verder splitst en eerst de wijzigingen bespreekt die van invloed zijn op alle tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van de werknemers en de gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden. Gezien deze opdeling van grief 2 is de uitleg daarvan in het bestreden arrest niet onverenigbaar en/of onbegrijpelijk te noemen. Subonderdeel 2.2.2 treft zodoende geen doel.
4.28
In subonderdeel 2.3 klaagt AFM dat het hof in rov. 3.10 en rov. 3.11 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat de daar vermelde omstandigheden niet maken dat sprake is van een wijziging van een opgebouwde pensioenaanspraak, zodat art. 20 Pw geen (analoge) toepassing kan vinden. De vermelde ‘omstandigheden’ zijn de volgende:
- In rov. 3.10 noemt het hof de eenzijdige beëindiging door AFM van:
o de herstelpremieverplichting van 10% van de jaarlijkse pensioenpremie;
o de verplichting bij te dragen aan kostenoverschrijdingen boven EUR 700.000; en
o de verplichting bij te storten bij wijzigingen in de grondslagen anders dan de rekenrente.
- In rov. 3.11 overweegt het hof dat – volgens de stellingen van AFM – de met het pensioenfonds gemaakte afspraak over het aanwenden van de collectief beschikbare premie, volgens de methodiek van de gedempte kostendekkende premie, nadelig is voor gewezen deelnemers en gepensioneerden.
4.29
De wijzigingen betreffen afspraken over financiering die in de uitvoeringsovereenkomst tussen AFM en AFM pensioenfonds staan. Dat is (dus) niet de pensioenovereenkomst tussen [verweerders] en AFM. Het is deze pensioenovereenkomst tussen werkgever en werknemer die de basis vormt voor de zogeheten driepartijenverhouding bij arbeidsgerelateerd pensioen (oftewel: aanvullend pensioen of de tweede pensioenpijler). Dit is een wederkerige overeenkomst: de werknemer neemt de verbintenis op zich om arbeid te verrichten, waartegenover de werkgever (onder andere) pensioen toezegt. Art. 23 Pw schrijft voor dat de werkgever de pensioenovereenkomst onderbrengt bij een pensioenuitvoerder. Hiertoe moet de werkgever een uitvoeringsovereenkomst aangaan met een pensioenuitvoerder. Ook dit is een wederkerige overeenkomst: de werkgever is verplicht premie te betalen en de pensioenuitvoerder neemt uitkeringsverplichtingen jegens de pensioengerechtigden op zich. De werknemer komt als begunstigde in relatie te staan tot de pensioenuitvoerder. In het stelsel van de Pw is deze verhouding geregeld in het pensioenreglement; de pensioenuitvoerder stelt dit reglement op (art. 35 Pw). Het reglement moet in overeenstemming zijn met de pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst79.. De driehoek is hiermee compleet. De rechtsverhoudingen binnen de pensioendriehoek zijn in werkelijkheid complexer dan lijntjes tussen partijen80., maar een visuele weergave van de zogenoemde pensioendriehoek is de volgende81.:
[De ontbrekende afbeelding wordt zo spoedig mogelijk toegevoegd.]
4.30
AFM klaagt dat de vermelde omstandigheden niet maken dat sprake is van wijziging van een pensioenaanspraak en licht verder toe dat het begrip pensioenaanspraak niet de (wijze van) financiering van het door het pensioenfonds uit te keren pensioen omvat. Dit standpunt van AFM lijkt mij juist. Zoals wij zagen is de verplichting van AFM om te zorgen voor volledige onderbrenging van de pensioenovereenkomst bij een uitvoerder door het sluiten van de uitvoeringsovereenkomst. Volledige onderbrenging betekent dat de werknemer de aanspraken en rechten die hij aan de pensioenovereenkomst ontleent volledig via de pensioenuitvoerder verkrijgt82.. Een wijziging van de pensioenovereenkomst kan door de onderbrengingsplicht meebrengen dat een wijziging in de uitvoeringsovereenkomst noodzakelijk is om aan de uitvoering en de volledige onderbrenging te blijven voldoen83.. Bedacht moet worden dat de uitvoeringsovereenkomst echter méér omvat dan alleen overgenomen afspraken uit de pensioenovereenkomst84.. De verplichting tot het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst neemt niet weg dat zowel de werkgever als de pensioenuitvoerder hun eigen verantwoordelijkheden behouden ten aanzien van de inhoud, uitvoering en – hier van belang – financiering van de pensioenovereenkomst85..
4.31
Art. 20 Pw voorkomt – kort gezegd – dat wijziging van de pensioenovereenkomst de tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken aantast (zie hiervóór in 4.3-4.4). Het wetsartikel heeft dus betrekking op de aan de uitvoeringsovereenkomst voorafgaande afspraken binnen de rechtsverhouding werknemer - werkgever waaraan pensioenaanspraken worden ontleend. Daaruit volgt wat ondergebracht moet worden. Zoals PJ-annotator Huijg van het hofarrest opmerkt, gaat het bij ‘opgebouwde aanspraken’ volgens art. 20 Pw niet om wat ‘achter de coulissen’ plaatsvindt tussen werkgever en uitvoerder, zoals (de wijze van) financiering86.. Daarmee strookt dat niet kan worden aangenomen dat pas na (voltooide) financiering van opbouw van pensioenaanspraken kan worden gesproken (zie hiervóór in 4.2087.). Gelet hierop belet art. 20 Pw niet de wijziging van financieringsafspraken in de uitvoeringsovereenkomst. Die wijziging raakt, zoals AFM terecht opmerkt, niet de pensioenaanspraken van [verweerders] (d.w.z. het recht op een nog niet ingegaan pensioen dat aan de pensioenovereenkomst wordt ontleend). De klacht slaagt.
4.32
Gelet hierop slaagt ook de eerste klacht in subonderdeel 2.4.1 (volgend op de inleiding in subonderdeel 2.4) die erop neerkomt dat het hof de wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst niet kon toetsen aan art. 20 Pw of een daaraan analogische norm.
4.33
Met de tweede klacht van dit subonderdeel komt AFM in het geweer tegen de overweging in rov. 3.10, onder verwijzing naar rov. 3.6 dat wijzigingen van de pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan gesloten (gewijzigde) uitvoeringsovereenkomst alleen worden toegepast op reeds opgebouwde pensioenaanspraken door een (interne) waardeoverdracht. AFM wijst erop dat dat het pensioenfonds een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever te wijzigen en hierover zelf een afweging dient te maken. Ook deze klacht slaagt, in zoverre dat art. 83 Pw (zie de verwijzing van het hof naar dit wetsartikel in rov. 3.6) geen rechtsgrond biedt om vanwege een gewijzigde uitvoeringsovereenkomst een (collectieve) interne waardeoverdracht door te voeren88..
4.34
De door AFM in subonderdeel 2.4.2 voorgestelde klacht slaagt niet bij gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan AFM stelt, heeft het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 de wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst niet getoetst aan art. 7:613 BW en/of art. 19 Pw. Dat brengt mee dat ook de klacht in subonderdeel 2.5 niet opgaat, die van dezelfde (veronder)stelling uitgaat.
4.35
De in subonderdeel 2.4.3 vervatte klacht luidt dat gegeven het feit dat de door het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 bedoelde wijzigingen betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst, bij de beoordeling van de geldigheid/inroepbaarheid van die wijzigingen rechtens irrelevant is of in de arbeids- of pensioenovereenkomst een bevoegdheid is overeengekomen om die wijzigingen (eenzijdig) aan te brengen, en zo ja, of die kan worden ingeroepen. Hoewel AFM een punt heeft dat een wijzigingsbeding in de verhouding AFM- [verweerders] – in beginsel – geen betekenis heeft voor de uitvoeringsovereenkomst in de verhouding AFM-AFM pensioenfonds, mist AFM belang bij deze klacht. Of een wijzigingsbeding nu wel of niet relevant is voor wijziging van de uitvoeringsovereenkomst (zie rov. 3.10 eerste volzin) is in de redenering van het hof niet dragend. Zoals hiervoor is besproken, baseert het hof zich bij zijn oordeel op het wijzigingsverbod van art. 20 Pw en de vaststelling dat ‘opgebouwde aanspraken’ in het geding zijn. Voor dat oordeel is niet doorslaggevend dat voor de aan de orde zijnde wijzigingen geen wijzigingsbeding geldt. Een wijzigingsbeding is immers slechts een methode van wijziging, maar artikel 20 Pw is van toepassing ongeacht de gekozen wijzigingsmethode89.. De klacht loopt daar op stuk.
4.36
De vaststelling dat het door het hof aangewende wijzigingsverbod van art. 20 Pw geldt ongeacht de methode van wijziging, betekent ook dat AFM belang mist bij haar eerste klacht in subonderdeel 2.6. Aldaar betoogt AFM dat het oordeel in rov. 3.8 t/m 3.11 onvoldoende is gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op het beroep dat AFM heeft gedaan op goed werknemerschap als rechtvaardiging van de wijzigingen. Omdat het hof art. 20 Pw van toepassing achtte hoefde het niet nog op andere wijzigingsmethoden in te gaan. In dit licht kan ook niet worden gezegd dat het hof de devolutieve werking van het appel heeft miskend door dit verweer van AFM niet te beoordelen. Daarom faalt ook de tweede klacht in dit subonderdeel.
4.37
Subonderdeel 2.4.4 bevat twee klachten. De eerste klacht is dat het uitgangspunt onbegrijpelijk is dat het wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot toekomstige pensioenopbouw voor werknemers. Het hof heeft dit namelijk niet gemotiveerd, aldus AFM. De tweede klacht is – samengevat – dat voor zover het hof een uitleg heeft gegeven aan art. 10 van de arbeidsovereenkomst, het hof die uitleg niet heeft gemotiveerd tegenover bepaalde essentiële stellingen van AFM.
4.38
De eerste klacht faalt omdat het hof zich bij zijn oordeel op art. 20 Pw heeft gebaseerd (zie hiervóór in 4.19 e.v.). In dat licht is voldoende begrijpelijk dat het hof niet, althans niet uitvoerig, motiveert waarom het wijzigingsbeding alleen geldt met betrekking tot toekomstige pensioenopbouw voor werknemers. Art. 20 Pw betreft opgebouwde aanspraken en verhindert niet een wijziging voor de toekomstige nog op te bouwen aanspraken90.. Een wijzigingsbeding kan dus ten aanzien daarvan wel dienstig zijn.
De tweede klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat het hof met het formuleren van dit uitgangspunt geen uitleg geeft aan art. 10 van de arbeidsovereenkomst.
4.39
AFM betoogt in subonderdeel 2.4.5 dat het uitgangspunt dat het wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting althans onvoldoende gemotiveerd is. In rov. 3.4 heeft het hof immers vastgesteld dat het eenzijdig wijzigingsbeding van art. 10 arbeidsovereenkomst ook betrekking heeft op de pensioenovereenkomst en ook voldoet aan de eis van art. 19 Pw, terwijl een pensioenovereenkomst, aldus AFM, volgens rechtspraak van de Hoge Raad91.kan blijven ‘doorwerken’ na beëindiging van de arbeidsovereenkomst en na die beëindiging kan worden gewijzigd indien de pensioenovereenkomst daartoe een wijzigingsbeding bevat.
4.40
De klacht strandt om dezelfde subsidiaire reden waarom de eerste klacht van het vorige subonderdeel niet opgaat (samengevat: het hof baseert zich op art. 20 Pw). Overigens is de uitspraak die AFM noemt gewezen onder de Pensioen- en spaarfondsenwet. Zoals in annotaties bij het arrest is opgemerkt92., zou indien het geschil op basis van de Pensioenwet had moeten worden beoordeeld, het verbod tot wijziging van onvoorwaardelijke aanspraken (art. 20 Pw) in beginsel aan de uitoefening van de wijzigingsbevoegdheid in de weg hebben gestaan.
4.41
De klacht in subonderdeel 2.7 slaagt voor zover deze voortbouwt op de slagende klachten in subonderdelen 2.3 en 2.4.
Onderdeel 3
4.42
Dit onderdeel valt – na een inleiding – uiteen in drie subonderdelen met klachten. In subonderdeel 3.1 klaagt AFM dat het hof de onderdelen van het dictum die betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst niet mocht uitspreken, omdat [verweerders] geen partij zijn bij die overeenkomst en de AFM uit hoofde van die overeenkomst niet gehouden was tot enige prestatie. In subonderdeel 3.2 betoogt AFM dat het hof geen verklaring voor recht kon uitspreken zonder dat het pensioenfonds in de procedure was betrokken. Het hof was volgens AFM gehouden om, zo nodig ambtshalve, gelegenheid te geven het pensioenfonds alsnog als partij in het geding te betrekken. In subonderdeel 3.3 luidt de klacht – samengevat – dat het hof in strijd met art. 23 Rv buiten het petitum van [verweerders] is getreden, omdat geen veroordeling tot nakoming van de uitvoeringsovereenkomst is gevorderd, noch enige verklaring voor recht die ziet op de geldigheid van enige wijziging in die overeenkomst. Voor zover het hof het petitum anders heeft uitgelegd, is die uitleg onbegrijpelijk, want onverenigbaar met de stellingen die [verweerders] aan dat petitum ten grondslag hebben gelegd.
4.43
AFM heeft geen belang bij deze klachten, omdat de voortbouwklacht in subonderdeel 2.7 terecht is voorgesteld (zie hiervóór in 4.41) en daarmee het deel van het dictum dat ziet op wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst al niet overeind blijft. Voor het geval toch wordt toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van de klachten, bespreek ik hierna de klacht in subonderdeel 3.3. Indien deze (meest verstrekkende) klacht slaagt, behoeven de overige klachten in het derde onderdeel geen nadere bespreking.
4.44
Art. 23 Rv bepaalt dat de rechter beslist over al hetgeen partijen hebben gevorderd of verzocht. Hieruit volgt (a contrario93.) dat de rechter niet méér (ultra petita) of anders (extra petita) mag toewijzen94.. Art. 23 Rv brengt mee dat – tenzij de wet anders bepaalt95.– de rechter een beslissing niet ambtshalve mag geven, maar alleen wanneer een dergelijke beslissing is gevorderd of verzocht, dan wel in de vordering of het verzoek besloten ligt96.. Om binnen de grenzen van art. 23 Rv te blijven moet de rechter wel weten wat de vordering omvat97.. Het petitum dient in samenhang met de grieven te worden gelezen98.. De uitleg van de vordering door het hof (als onderdeel van de gedingstukken) kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst, maar alleen op begrijpelijkheid99..
4.45
[verweerders] hebben in appel gevraagd het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en heeft verder na eiswijziging het volgende gevorderd in de hoofdzaak (p. 55-56 MvG):
“primair:
I. te verklaren voor recht dat de eenzijdige wijziging door AFM van Pensioenregeling 2014 naar Pensioenregeling 2016 niet rechtsgeldig is geweest en daarmee geen rechtsgevolg heeft gehad;
II. AFM te veroordelen tot nakoming van de pensioenovereenkomst met [verweerders] zoals die luidde tot 1 januari 2016, dus op basis van de Pensioenregeling 2014, op straffe van een dwangsom […];
subsidiair:
III. te verklaren voor recht dat de wijziging van Pensioenregeling 2014 naar Pensioenregeling 2016 nietig is voor wat betreft het punt van de afschaffing van de onvoorwaardelijke indexatie van tot 1 januari 2016 door [verweerders] opgebouwde pensioenaanspraken;
IV. AFM te veroordelen tot nakoming van de pensioenovereenkomst met [verweerders] met inachtneming van de verklaring voor recht als geformuleerd onder sub (III), op straffe van een dwangsom […];
zowel primair als subsidiair:
[…]
VII. althans zodanig uitspraak te doen als het hof juist acht.”
4.46
De met een hoofdletter geschreven Pensioenregeling 2014 en Pensioenregeling 2016 zijn gedefinieerde termen. In MvG 11 staat: “De pensioenregeling van vóór de wijziging wordt hierna genoemd: ‘Pensioenregeling 2014’. De pensioenregeling van na de wijziging wordt hierna genoemd: ‘Pensioenregeling 2016’.” Dat [verweerders] hiermee ook de uitvoeringsovereenkomst bedoelen, blijkt nergens uit. Sterker nog, dat [verweerders] alleen de rechtsverhouding [verweerders] -AFM bedoelen, blijkt onder meer uit MvG 5-7 waar het gaat om (eenzijdige) wijziging van de pensioenovereenkomst door AFM en MvG 14-15, 108-110 waaruit volgt dat de gedefinieerde pensioenregelingen worden uitgevoerd door pensioenfonds AFM en dat de uitvoeringsovereenkomst niet de pensioenregeling zelf is100..
4.47
In de inleiding van onderdeel 3 merkt AFM op dat het hof in rov. 2.17 de per 1 januari 2016 gewijzigde pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan gesloten uitvoeringsovereenkomst definieert als ‘pensioenregeling, al dan niet met de toevoeging 2016’. Overigens worden in rov. 2.3 en rov. 2.6 de termen ‘pensioenregeling’ en ‘Pensioenregeling 2014’ ook gedefinieerd door het hof101.. Deze laatste twee termen zien alleen op de pensioenovereenkomst en het pensioenreglement. In het dictum dat hierna (voor de leesbaarheid: opnieuw) wordt geciteerd en waartegen de klachten zich richten, worden de termen Pensioenregeling 2014 en Pensioenregeling 2016 ook gebruikt.
4.48
Na bespreking van de grieven van [verweerders] , komt het hof tot de volgende conclusie en het volgende dictum:
“3.14 De conclusie is dat grief 2 gedeeltelijk slaagt. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de thans primair onder I en II ingestelde vordering gedeeltelijk, en de subsidiair onder III en IV ingestelde vordering geheel toewijzen. Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal AFM worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep;
en opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de eenzijdige wijziging door AFM van de Pensioenregeling 2014 naar de Pensioenregeling 2016, niet rechtsgeldig is geweest voor zover die wijziging betrekking heeft op de premiesystematiek op basis van premiedemping, op de maximering van de bijdrage van AFM in de uitvoeringskosten en op de beëindiging van de onvoorwaardelijke indexatie van de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, en daarmee in zoverre geen rechtsgevolg heeft gehad;
verklaart voor recht dat de wijziging van Pensioenovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de onvoorwaardelijke indexatie van tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken;
verklaart voor recht dat de wijziging van de Uitvoeringsovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de herstelpremieopslag van 10% van de premie, de vergoeding van de werkelijke uitvoeringskosten die zijn toe te rekenen aan de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en de verplichting om de extra last voor het pensioenfonds als gevolg van grondslagwijzigingen (anders dan ten gevolge van wijzigingen in de rekenrente) te vergoeden die zijn toe te rekenen aan de voor 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken;
veroordeelt AFM tot nakoming van de Pensioenovereenkomst 2014, de Pensioenovereenkomst 2016, de Uitvoeringsovereenkomst 2014 en de Uitvoeringsovereenkomst 2016 met inachtneming van deze verklaringen voor recht op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,- per dag, te rekenen vanaf vier weken na betekening van dit arrest en met een maximum van € 50.000,-;
[…]
wijst af het meer of anders gevorderde.”
4.49
De klacht in subonderdeel 3.3 slaagt. Zoals AFM terecht stelt, heeft [verweerders] geen veroordeling tot nakoming (art. 3:296 lid 1 BW) van de uitvoeringsovereenkomst gevorderd. Het petitum onder II en IV noemt alleen de pensioenovereenkomst en in de processtukken vind ik geen aanwijzing dat dit toch ruimer bedoeld zou zijn. Ook ontbreekt een vordering tot een verklaring voor recht (art. 3:302 BW) die ziet op de geldigheid van enige wijziging van de uitvoeringsovereenkomst. Zonder nadere toelichting van het hof, die ontbreekt, valt niet in te zien dat de vorderingen tot verklaringen voor recht (onder I en III van het petitum) ook de uitvoeringsovereenkomst omvatten. Daarnaast meen ik dat de door het hof uitgesproken veroordelingen voor wat betreft de uitvoeringsovereenkomst op geen enkele manier besloten liggen in de vorderingen van [verweerders] Weliswaar hangen de rechtsverhoudingen in de pensioendriehoek met elkaar samen, maar de verschillende juridische bindingen binnen de pensioendriehoek kennen elk een eigen grondslag en betreffen rechtsverhoudingen tussen verschillende partijen102.. Het dictum lijkt overigens in tegenspraak met het bestreden arrest onder 1 waarin het hof overweegt dat “naar het hof begrijpt” [verweerders] vernietiging van het bestreden vonnis vorderen, waarna een (bijna één op één) herhaling van het petitum van [verweerders] volgt zonder dat de uitvoeringsovereenkomst wordt genoemd.
4.50
Voor zover dat al mogelijk zou zijn, heeft het hof zich niet gebaseerd op de vordering onder VII van het petitum waarin [verweerders] vorderen dat het hof ‘zodanig uitspraak doet als het hof juist acht’. Dit volgt uit de hiervoor geciteerde rov. 3.14, waarin het hof overweegt dat het slagen van grief 2 leidt tot het (gedeeltelijk) toewijzen van de vorderingen onder I t/m IV.
4.51
Het dictum is dus uitgesproken in strijd met art. 23 Rv omdat het hof méér of anders heeft toegewezen dan is gevorderd. Voor zover het hof de vorderingen van [verweerders] zo heeft uitgelegd dat [verweerders] nakoming van de uitvoeringsovereenkomst en een verklaring voor recht betreffende de uitvoeringsovereenkomst zouden hebben gevorderd, is dat onbegrijpelijk.
4.52
Recapitulerend zie ik zodoende de volgende onderdelen van het principale cassatiemiddel doel treffen: 1.2 en voortbouwend daarop 1.3, 2.3, 2.4.1 en in zoverre 2.7 voortbouwend op de slagende onderdelen 2.3 en 2.4.1 en 3.3 (v.z.v. daar gelet op het doeltreffende onderdeel 2.7 nog belang bij zou bestaan).
5. Voorwaardelijk incidenteel beroep en overige onvoorwaardelijke klachten
5.1
De klacht van [verweerders] in subonderdeel 2.0 is voorgesteld op de voorwaarde dat cassatieklachten van AFM tegen rov. 3.6 t/m rov. 3.11 slagen. Aan deze voorwaarde wordt in mijn ogen gelet op de voorafgaande bespreking voldaan.
5.2
Samengevat luidt de klacht dat de afweging die het hof maakt in rov. 3.12 niet in stand kan blijven, omdat het oordeel van het hof dat sprake is van een zwaarwichtig belang tot wijziging (mede) is gebaseerd op het volgende deel van rov. 3.12:
“Nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over hun tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, acht het hof voldoende reden om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld. […].”
5.3
AFM refereert zich op dit punt aan het oordeel van de Hoge Raad. Ik kan kort zijn: de klacht slaagt. De belangenafweging in rov. 3.12 is inderdaad mede gebaseerd op het oordeel van het hof in rov. 3.6 t/m 3.11 dat gelet op het slagende principale cassatieberoep (deels) geen stand kan houden. Dit blijkt overigens niet alleen uit de hiervoor geciteerde passage uit rov. 3.12103., maar ook uit de laatste zin van rov. 3.11 waarin staat: “Bij de verdere beoordeling neemt het hof dit als uitgangspunt.” Daarmee kan rov. 3.12 geen stand houden.
5.4
Het slagen van deze klacht maakt wat mij betreft de bespreking van de subonderdelen 2.2-I en 2.2-III t/m 2.2-V overbodig, omdat deze subonderdelen zich (vrijwel) exclusief richten op rov. 3.12. Toch zal ik de klachten hierna alsnog integraal bespreken.
5.5
Met subonderdeel 2.2-I keren [verweerders] zich tegen rov. 3.7, rov. 3.8 en rov. 3.12 waarin het hof zou uitgaan van een onjuiste rechtsopvatting door een collectieve afweging te maken tussen het belang van AFM en ‘de werknemers’ in plaats van een individuele afweging. Het oordeel van het hof is in dat licht ook niet toereikend gemotiveerd. Daarnaast betogen [verweerders] dat het hof de belangenafweging die art. 7:613 BW vergt, niet heeft uitgevoerd conform de jurisprudentie van de Hoge Raad. De klachten in subonderdelen 2.2-Ia en 2.2-Ic t/m 2.2-Ie vormen een uitwerking van deze standpunten.
5.6
Uit het arrest […] /Mammoet II104.volgt dat art. 7:613 BW veeleer ziet op gevallen waarin de werkgever zich de bevoegdheid heeft voorbehouden, ongeacht de omstandigheden die daartoe aanleiding geven, eenzijdig een wijziging in de arbeidsvoorwaarden aan te brengen niet slechts ten opzichte van een individuele werknemer maar ten opzichte van verscheidene werknemers, in welk geval ter bescherming van de werknemer(s) beperkingen worden gesteld aan de bevoegdheid het beding toe te passen. Dit baseerde de Hoge Raad onder andere op de volgende passage uit de wetsgeschiedenis105.die A-G Keus citeerde in zijn conclusie vóór het arrest106.:
“Het is goed in het oog te houden wat de achterliggende gedachte is van artikel 613 BW. Aan de ene kant is er het belang van de werknemer om beschermd te worden tegen de mogelijkheid dat de werkgever zonder de instemming van de werknemer wijzigingen aanbrengt in de arbeidsovereenkomst. Aan de andere kant is er het belang van de werkgever bij een collectieve ordening van de arbeidsvoorwaarden, ook van die welke niet bij CAO zijn geregeld. De eis dat hij van iedere individuele werknemer instemming moet verkrijgen voor een wijziging van de arbeidsovereenkomst, zou niet alleen kostbaar en tijdrovend zijn, maar zou bovendien tot gevolg hebben dat na verloop van tijd, wanneer hij verschillende wijzigingen heeft willen doorvoeren, het arbeidsvoorwaardenregime per werknemer verschilt. Wij hebben deze twee belangen, die op het eerste gezicht met elkaar op gespannen voet staan, willen verenigen. […].”
5.7
In ons geval wil AFM de arbeidsvoorwaarde pensioen collectief (her)ordenen door de pensioenovereenkomsten met haar werknemers te wijzigen. Het belang van AFM bij deze (her)ordening geldt gelijkelijk ten aanzien van alle werknemers (zie ook s.t. AFM 92). AFM wil immers collectief de pensioenovereenkomsten met haar werknemers aanpassen en juist dat belang zit in art. 7:613 BW (en art. 19 Pw) ‘ingebakken’ gelet op het citaat hiervoor. In zoverre faalt de klacht van [verweerders] in subonderdeel 2.2-Id waarin zij – kort gezegd – stellen dat het alleen zou moeten gaan om het belang van AFM bij besparing op het pensioen van [verweerders]
5.8
Tegenover het belang van AFM bij wijziging staan de belangen van [verweerders] , maar evenzogoed de belangen van de andere werknemers die door de wijziging worden getroffen. Omdat de belangen van [verweerders] en de andere werknemers deels zullen samenvallen, is het niet per definitie verkeerd om deze gezamenlijk in de belangenafweging te betrekken. Dit neemt niet weg dat indien de belangen van [verweerders] anders zijn, althans de wijziging voor [verweerders] anders uitpakt dan voor anderen, deze individuele belangen moeten worden betrokken bij de belangenafweging die moet worden gemaakt bij eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst tussen [verweerders] en AFM.
5.9
Voor zover [verweerders] klagen dat het hof hun individuele belangen niet heeft betrokken, missen de klachten feitelijke grondslag. Uit de laatste twee zinnen van rov. 3.12 blijkt dat de individuele nadelen die voor [verweerders] gelden onder ogen zijn gezien en zijn meegewogen:
“[…] Het hof komt op basis van alle over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging. De door [verweerders] aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat [verweerders] niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hen van toepassing zou moeten zijn.” (Onderstreping A-G)
5.10
Voor zover [verweerders] klagen dat het hof het arrest Fair Play I107.verkeerd heeft toegepast, slagen de klachten wel. Getuige het slot van rov. 3.12 heeft het hof eerst bezien of AFM een zwaarwichtig belang bij wijziging heeft in het licht van de nadelen voor alle werknemers en heeft het daarna bezien of de individuele belangen van [verweerders] daaraan kunnen afdoen. Dit is onjuist, omdat de Hoge Raad – kort gezegd – heeft geoordeeld dat het bestaan van een zwaarwichtig belang slechts in relatieve zin kan en moet worden beoordeeld, namelijk in verhouding tot het door de wijziging geraakte belang van de werknemer(s). Dat blijkt uit de volgende overweging uit voormeld arrest:
“3.1.3 […] wanneer de werkgever zich beroept op een eenzijdig wijzigingsbeding, de rechter – met inachtneming van alle omstandigheden van het geval – moet beoordelen of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Het gaat bij de toepassing van art. 7:613 BW dus om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan.
5.11
Door de individuele belangen van [verweerders] niet mede bepalend te laten zijn voor de vraag hoe gewichtig het belang van AFM bij wijziging van de pensioenovereenkomst was, heeft het hof deze rechtspraak miskend. Het hof heeft immers eerst overwogen dat de belangen van de werknemers (inclusief [verweerders] ) moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM en pas daarna beoordeeld of de individuele belangen van [verweerders] daar nog verandering in kunnen brengen. Dit is (kenmerkend voor) de ‘absolute’ benadering die de Hoge Raad, in navolging van A-G Drijber in zijn conclusie vóór het arrest, in Fair Play I heeft afgewezen.
5.12
In subonderdeel 2.2-Ib poneren [verweerders] nog een aantal klachten die erop neerkomen dat het hof had moeten vaststellen wat de exacte nadelen voor [verweerders] zijn en dat het aan AFM was de gevolgen van de wijziging voor [verweerders] te stellen en (na voldoende betwisting door [verweerders] ) te bewijzen. Verder hebben [verweerders] zelf nadelen besproken en had het hof die (explicieter) moeten adresseren, althans had het hof het bewijsaanbod108.van [verweerders] niet onbesproken kunnen laten. Al deze klachten falen op grond van het volgende.
5.13
Aan de hand van de door partijen aangereikte feiten is het de taak van de rechter om de feiten vast te stellen109.. Bij hun betoog dat het hof had moeten vaststellen wat de exacte nadelen voor hen waren, wijzen [verweerders] op art. 149 Rv (en zijdelings art. 150 Rv). De regels van art. 149 Rv bieden houvast aan de rechter om te beoordelen welke door een partij gestelde feiten en rechten aan de beslissing ten grondslag mogen worden gelegd110.. Anders dan [verweerders] menen, past het hof deze bepaling (juist) toe in de laatste zin van rov. 3.12: “De door [verweerders] aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen […]”. Het hof beschouwt de door [verweerders] aangevoerde feiten (individuele nadelen) daarmee als vaststaande en ook relevante feiten (de nadelen komen immers enig gewicht toe). Het hof was op grond van art. 149 Rv (en/of art. 150 Rv) verder niet gehouden de door [verweerders] aangevoerde nadelen op te sommen in het arrest.
5.14
Het hof heeft in rov. 3.7 (in fine) het volgende overwogen over de stelplicht van AFM:
“[…] Het ligt op de weg van AFM een zwaarwichtig belang aan te voeren alsmede aannemelijk te maken dat het belang van de deelnemers, dat door de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken, zonder toepassing van de “onaanvaardbaarheidstoets”, die volgens [verweerders] zou moeten worden toegepast doch door AFM is weersproken.”
5.15
Het hof heeft dus niet miskend dat de stelplicht voor het zwaarwichtig belang op AFM rust111.. Omdat het bestaan van een zwaarwichtig belang alleen in relatieve zin kan worden beoordeeld (zie hiervoor, 5.10), impliceert dit dat AFM ook iets zal moeten stellen over het geraakte belang van [verweerders] als werk- en deelnemers. Dit heeft AFM ook gedaan (s.t. 98, met verwijzing naar o.a. CvA 23 t/m 25 en MvA 32 t/m 37).
5.16
Hieruit volgt al dat het hof [verweerders] niet hoefde toe te laten zijn stellingen over zijn individuele nadelen te bewijzen, omdat het hof in rov. 3.12 met de vaststelling dat de door [verweerders] aangevoerde feiten onvoldoende gewicht hebben kennelijk heeft geoordeeld dat [verweerders] de stellingen van AFM onvoldoende heeft betwist. Dan geldt de hoofdregel dat de rechter van een partij geen bewijs mag verlangen ten aanzien van feiten die door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij onvoldoende zijn betwist. Of een gesteld feit (van AFM) als voldoende betwist (door [verweerders] ) valt aan te merken, hangt niet af van de mate waarin de betwisting aannemelijk of bewezen is. De wet eist immers niet dat degene die gestelde feiten betwist, van die betwisting bewijs levert112.. Het hof hoefde aan het bewijsaanbod van [verweerders] dus niet toe te komen.
5.17
In subonderdeel 2.2-Ib-i ligt ook nog de klacht besloten dat het hof heeft miskend dat het een deskundige had moeten inschakelen indien het zich onvoldoende voorgelicht achtte over de vraag wat de exacte nadelen voor [verweerders] zijn. Bij welwillende lezing hebben [verweerders] kennelijk bedoeld dat de klacht moet worden bezien tegen de achtergrond van het verzoek van [verweerders] tot benoeming van een deskundige op de voet van art. 194 Rv (MvG 10, 79-81113.), onder andere met als vraag te kijken naar het nadeel dat [verweerders] als gevolg van de wijziging ondervinden (zie overigens ook MvG 166-167, 171 en pleitnota hb 26)114..
5.18
Het inschakelen van een deskundige is een discretionaire bevoegdheid van de rechter115.. Het gebruik van de discretionaire bevoegdheid wordt begrensd door de eis dat een rechterlijke uitspraak voor partijen en derden, onder wie de hogere rechter, controleerbaar en aanvaardbaar moet zijn116.. De motivering van een uitspraak wordt in cassatie niet onvoldoende geacht enkel omdat de rechter zonder advies van een deskundige heeft geoordeeld in een situatie waarin ook een deskundige had kunnen worden geraadpleegd. Slechts als de beslissing van de rechter over een bepaald geschilpunt niet begrijpelijk is in het licht van het processuele debat van partijen, tussen partijen vaststaande feiten, feiten van algemene bekendheid of algemene ervaringsregels, heeft een motiveringsklacht in cassatie in beginsel kans van slagen117..
5.19
Het hof heeft aan het verzoek ex art. 194 Rv geen woorden gewijd, maar ik vind dat in de rov. 3.12 een afwijzing van het verzoek ligt besloten. Het hiervoor geschetste debat en de vaststaande feiten (na stelling en onvoldoende betwisting) maakt de impliciete beslissing van het hof om geen gebruik te maken van een deskundige niet rechtens onjuist of onbegrijpelijk. Bovendien kan de klacht niet tot cassatie leiden omdat daarin als uitgangspunt wordt genomen dat het hof zou moeten overgaan tot het benoemen van een deskundige indien het zich niet goed voorgelicht achtte. Zoals wij hiervoor al zagen betreft het een discretionaire bevoegdheid van de rechter (‘kan’) en uit het bestreden arrest blijkt afdoende dat het hof zich juist wel voldoende voorgelicht achtte (vgl. rov. 3.13).
5.20
Met de klachten in subonderdeel 2.2-III richten [verweerders] hun pijlen op rov. 3.12 waarin het hof een belangenafweging maakt met als oogmerk toepassing van art. 7:613 BW/art. 19 Pw. Dit subonderdeel valt uiteen in vier delen (samengevat op p. 20-21 verweerschrift [verweerders] ). Het hof gaat volgens [verweerders] om de volgende redenen uit van een onjuiste rechtsopvatting voor wat betreft art. 7:613 BW/art. 19 Pw:
- het hof heeft het Fair Play I-arrest wel genoemd, maar niet toegepast; in plaats daarvan heeft het de totale wijziging afgezet tegen het belang van alle werknemers (zie subonderdeel 2.2-I);
- het hof heeft het individuele belang van [verweerders] in aard en omvang niet vastgesteld en vervolgens een collectieve afweging gemaakt (zie subonderdeel 2.2-I);
- het hof heeft geoordeeld dat de instemming van de OR een rol speelt bij de belangenafweging en het bovendien van belang geacht dat [verweerders] niet zouden hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hem van toepassing zou moeten zijn;
- het hof heeft overwogen dat geen sprake was en is van een marktconforme pensioentoezegging en ook overigens heeft het hof de wanverhouding tussen het belang van AFM en dat van [verweerders] miskend.
5.21
De klachten samengevat onder het eerste en tweede gedachtestreepje vormen een herhaling van zetten van de klachten in subonderdeel 2.2-I en behoeven daarom geen nadere bespreking meer (vgl. 5.5 e.v.). Over de klachten onder het derde en vierde gedachtestreepje het volgende.
5.22
In subonderdeel 2.2-IIIa 2 zijn de klachten specifiek gericht tegen de volgende twee passages uit rov. 3.12:
“[…] Zoals ook de kantonrechter oordeelde, volgt het bestaan van het zwaarwichtig belang niet reeds enkel uit de instemming van de OR, maar die instemming speelt wel, ook voor het hof, een rol bij de toetsing van de aanwezigheid van een zwaarwichtig belang en de vraag of sprake is van een overgang naar een meer marktconforme pensioenregeling. […]”
“[…] De door [verweerders] aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat [verweerders] niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hen van toepassing zou moeten zijn.”
5.23
De klachten komen erop neer dat het hof niet kon oordelen dat in dit geval de (voorwaardelijke) instemming van de OR een rol kon spelen in de belangenafweging die moet worden gemaakt op grond van art. 7:613 BW/art. 19 Pw en dat voor zover al sprake is van een hardheidsclausule, het hof niet kon oordelen dat [verweerders] zouden moeten aantonen dat die clausule op hen van toepassing is.
5.24
Voor zover [verweerders] ervan uitgaan dat instemming van de OR met de door AFM voorgestane wijzigingen – ten algemene – geen rol zou kunnen spelen bij de belangenafweging, is dat onjuist. Uit de parlementaire geschiedenis van art. 7:613 BW blijkt dat instemming van de OR een bij de belangenafweging in aanmerking te nemen factor is118.. Voor een nadere uitwerking, waaronder ook een bespreking van de literatuur, verwijs ik kortheidshalve naar de conclusie van A-G Drijber vóór het Fair Play I-arrest119.die in punten 3.17 en 4.24 tot de slotsom komt dat de rechter een positief standpunt van de OR naast andere omstandigheden in aanmerking dient te nemen wanneer hij heeft te oordelen of is voldaan aan de maatstaf van een ‘zodanig zwaarwichtig belang’. Ik ben van mening dat de omstandigheden van een geval niet ervoor kunnen zorgen dat de instemming van de OR helemaal geen factor meer zou kunnen zijn. Die omstandigheden kunnen er wel voor zorgen dat het gewicht van deze factor varieert. Ik citeer A-G Drijber in zijn hiervoor bedoelde conclusie:
“4.25. […] dat […] niet zonder meer een eenduidige waarde kan worden toegekend aan instemming van c.q. overeenstemming met de ondernemingsraad. Het gewicht van het standpunt van de ondernemingsraad voor de door de rechter te maken belangenafweging hangt m.i. af van de omstandigheden waaronder dat tot stand gekomen is. Daarbij kan onder meer een rol spelen de duur en zorgvuldigheid van het proces, of de ondernemingsraad deskundige en onafhankelijke bijstand heeft gehad, etc. […]”
Hiermee falen de klachten van [verweerders] op dit punt.
5.25
De klachten van [verweerders] op het punt van de hardheidsclausule zijn ook tevergeefs voorgesteld. Een hardheidsclausule is een bepaling of afspraak die ertoe strekt dat van een (hoofd)regel kan worden afgeweken indien onverkorte toepassing daarvan in individuele gevallen zou leiden tot ongewenst te achten nadelige consequenties. De verwijzing van het hof naar deze clausule moet worden gelezen in het licht van rov. 2.15, waarin het hof onbestreden vaststelt:
“Bij brief van 21 december 2015 heeft de OR ingestemd met de verzochte wijziging in de arbeidsvoorwaarden in de pensioenregeling. Voor zover van belang staat in de brief van de OR het volgende vermeld:
(...) De OR benadrukt dat hij instemt op basis van de informatie die hij op collectief niveau heeft verkregen. De OR sluit niet uit - al heeft hij daar ook verder geen nadere informatie over - dat de nu gemaakte collectieve afspraken in bepaalde individuele gevallen onevenredig nadelig voor een individuele werknemer uitwerken. De OR gaat ervan uit dat indien zich dergelijke individuele gevallen voordoen, de AFM zich constructief zal opstellen en zal pogen om in goed onderling overleg tot een oplossing te komen die recht doet aan de specifieke individuele situatie van de betreffende werknemer. (...)”
[…].”
5.26
Het is wat mij betreft duidelijk dat het hof hierop doelt met het woord ‘hardheidsclausule’. Het oordeel van het hof dat [verweerders] niet hebben ‘aangetoond’ dat de hardheidsclausule op hen van toepassing zou zijn, moet ook worden gelezen in zijn context. Zoals ik hiervoor heb aangegeven (5.14-5.15) is het uitgangspunt van het hof dat op AFM de stelplicht en, bij voldoende betwisting, de bewijslast rust voor wat betreft het zwaarwichtig belang bij wijziging. Het is dus aan [verweerders] om de stellingen van AFM op dit punt voldoende te betwisten. Het hof oordeelt dat [verweerders] dat niet hebben gedaan. Als ik het goed zie, probeert het hof vervolgens nader toe te lichten dat de betwisting onvoldoende is, omdat de door [verweerders] aangevoerde nadelen niet zodanig afwijken van de gevolgen die alle werknemers ervaren dat dit een ander oordeel over het belang van AFM rechtvaardigt. Met de verwijzing naar de hardheidsclausule probeert het hof in mijn ogen alleen te zeggen dat van ‘onevenredig nadeel’ zoals genoemd in die clausule (zie het citaat in het vorige randnummer) voor [verweerders] geen sprake is (vgl. rov. 39 van het vonnis van de kantonrechter). Aan [verweerders] valt toe te geven dat het gebruik van het woord ‘aangetoond’ niet erg gelukkig is, omdat ‘aantonen’ meestal wordt gebruikt in de betekenis van ‘bewijzen’. Dit geldt temeer omdat, zoals ik in 5.16 al aangaf, het antwoord op de vraag of sprake is van een voldoende betwisting niet afhangt van de mate waarin die betwisting is bewezen. Per saldo, gelet op de hiervoor geschetste context van het oordeel, vind ik dit echter te mager voor cassatie.
5.27
Ook met subonderdeel 2.2-IIIb richten [verweerders] zich primair op rov. 3.12 met klachten geformuleerd onder het kopje ‘Ad (3) Marktconformiteit: niet relevant en ook niet aan de orde’. Het subonderdeel start met vijf stellingen die volgens [verweerders] essentieel zijn, maar door het hof onbesproken zijn gelaten, zodat het oordeel ontoereikend gemotiveerd zou zijn. Ik vat deze stellingen hieronder samen:
(i) Het is niet zinvol of terecht om de pensioenregeling wat betreft marktconformiteit geïsoleerd te bekijken, omdat een pensioenregeling altijd is ingebed in een pakket arbeidsvoorwaarden (MvG 207120.);
(ii) Vóór de wijziging in de pensioenregeling lag het arbeidsvoorwaardenpakket van [verweerders] al substantieel onder de mediaan en was het dus niet marktconform (MvG 208, 212-215);
(iii) Door de wijziging wordt de beloningspositie van [verweerders] nog verder verslechterd ten opzichte van de oude beloningspositie die al substantieel onder de mediaan lag (MvG 215);
(iv) (a) de andere werkgevers waarmee AFM wordt vergeleken hebben substantiële bedragen aan ‘bruidsschat’ in hun pensioenfonds gestort en die fondsen brengen ook een substantieel hogere premie in rekening bij de werkgever (MvG 216); (b) marktconformiteit doet niet ter zake (MvG 205); (c) de oude pensioenregeling was wel marktconform (CvR 34); (d) de nieuwe pensioenregeling is niet marktconform (CvR 37-41 en CvR 61-63); (e) de nieuwe pensioenregeling van AFM was substantieel slechter dan de nieuwe pensioenregeling van DNB (CvR 42-50);
(v) AFM had haar doelen zoals kostenbesparing ook op een zodanige manier kunnen wijzigen dat de positie van [verweerders] minder zou worden geschaad, maar AFM heeft daar niet voor gekozen (MvG 77(vii)).
5.28
Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom de stellingen onder (i) t/m (iii) essentiële stellingen zijn. Het middel bevat wat mij betreft onvoldoende onderbouwing dat de stellingen essentieel zijn, en dus relevant en van voldoende gewicht om de belangenafweging van het hof anders te kunnen doen uitvallen. Dit lag wel op de weg van [verweerders]121.. Het enkele feit dat het hof bepaalde stellingen niet expliciet adresseert, is op zichzelf geen grond voor cassatie. Los daarvan meen ik dat het hof de stellingen over de marktconformiteit van het arbeidsvoorwaardenpakket als geheel in de context van deze zaak niet, althans niet expliciet, hoefde te adresseren122.. Het gaat hier om de vraag of AFM de pensioenovereenkomst eenzijdig kon wijzigen met een beroep op een wijzigingsbeding. Aanleiding voor de eenzijdige wijziging waren (mede) de zorgen over het (toekomstige) kostenniveau van de pensioenregeling van AFM en de begrotingsoverschrijdingen, waarbij meespeelde dat volgens het Ministerie van Financiën de AFM als toezichthouder een publieke taak heeft die bekostigd wordt door de instellingen waarop zij toezicht houdt (zie bijv. de brief geciteerd in rov. 2.12 waarin het in het bijzonder gaat over de arbeidsvoorwaarde pensioen). Het hof accepteert dit als gegeven in het eerste deel van rov. 3.12 en heeft in die context de marktconformiteit van de nieuwe pensioenregeling beoordeeld als onderdeel van de belangenafweging. In deze context moet ‘markt’ worden begrepen als de groep gevormd door DNB en de onder toezicht staande instellingen, zo volgt uit de vergelijking die het hof maakt tussen de pensioenregeling van AFM en die van DNB en voormelde instellingen. Ik lees rov. 3.12 zo dat het hof impliciet oordeelt dat in deze situatie de marktconformiteit van de pensioenregeling an sich zwaar weegt en dat het gestelde belang van de werknemers, waaronder [verweerders] , bij marktconformiteit van het arbeidsvoorwaardenpakket als geheel minder gewicht in de schaal legt. Ik vind dat oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de door [verweerders] ingeroepen stellingen.
5.29
De elementen van de stelling onder (iv) zijn in rov. 3.12 – expliciet of impliciet – voldoende aan bod gekomen. Hieronder beschrijf ik puntsgewijs de hofoordelen waarin dat is terug te vinden:
- de overstap naar een CDC-gefinancierde premieregeling heeft voor AFM (maar ook voor bijv. DNB die zo’n regeling invoerde) minder volatiliteit voor de financiering van het pensioen tot gevolg waardoor minder budgettaire problemen zijn te verwachten, en uit de geschetste context (zie hiervoor, 5.28) blijkt dat de keuze voor deze stabielere CDC-optie voor het hof gewichtiger is voor marktconformiteit dan een vergelijking van de hoogte van de bijdrage/premie die AFM en anderen betalen (element a);
- uit het feit dat het hof marktconformiteit van de pensioenregeling meeweegt, volgt dat marktconformiteit volgens het hof wel een rol speelt (element b);
- de oude pensioenregeling was niet meer vergelijkbaar met de pensioenregelingen van de instellingen waarop AFM toezicht houdt en de pensioenregeling van medetoezichthouder DNB (element c);
- er is met de nieuwe pensioenovereenkomst sprake van een marktconforme pensioentoezegging (element d);
- DNB en de onder toezicht staande instellingen hebben ook een CDC-regeling123., en hoewel een overstap naar zo’n regeling door AFM leidt tot overheveling van risico’s naar de deelnemers, blijft de marktconformiteit overeind mede gezien de reductie van de risico’s ingevolge het oordeel van het hof in rov. 3.6 t/m 3.11 (element e).
5.30
Ook de stelling onder (v) is in mijn ogen door het hof in rov. 3.12 besproken. Het hof overweegt daar namelijk op meerdere plaatsen dat het oordeel in rov. 3.6 t/m rov. 3.11 mede ervoor zorgt dat de belangenafweging de kant van AFM op valt. In rov. 3.6 t/m rov. 3.11 overweegt het hof dat AFM op bepaalde punten te ver is gegaan bij het eenzijdig wijzigen. Dat betekent dat het hof in rov. 3.12 (bij de belangenafweging) aan [verweerders] toegeeft dat AFM minder ver zou hebben kunnen gaan dan zij heeft gedaan en de positie van haar werknemers (waaronder [verweerders] ) dus minder had dienen aan te tasten.
5.31
Hiermee valt het doek voor de klachten in subonderdelen 2.2-IIIb I en IIa t/m IId, omdat daar in vele varianten wordt betoogd dat het hof de hiervóór bedoelde stellingen heeft miskend en/of onbesproken heeft gelaten.
5.32
In subonderdeel 2.2-IIIb IIe richten [verweerders] hun pijlen op rov. 2.10. Daarin overweegt het hof als volgt:
“Towers Watson (hierna TW) heeft, na kennisneming van de voorstellen van AFM en een Asset Liability Management studie (ALM) van Mercer van 2 juli 2015, op 20 juli 2015 aan de OR geadviseerd over de vraag of (1) de voorgestelde pensioenregeling marktconform is en (2) of de door de werkgever voorgestelde compensatie redelijk is. Aan de hand van de kenmerken van de regeling heeft TW vastgesteld dat de nieuwe pensioenregeling marktconform is, met uitzondering van het voorgestelde nabestaandenpensioen op risicobasis en met de kanttekening dat de voorgestelde werknemersbijdrage (6% van het gemaximeerde pensioensalaris) aan de hoge kant lijkt. […]”
Dit oordeel is volgens het subonderdeel onjuist in het licht van CvR 60, want daaruit zou blijken dat Towers Watson de regeling ongebruikelijk vindt en in andere gevallen een afspraak tot bijstorting is gemaakt. Towers Watson zou dus niet hebben gezegd dat de regeling van AFM marktconform is.
5.33
De klacht is tevergeefs voorgesteld. [verweerders] hebben in appel geen grief gericht tegen de volgende overweging van de kantonrechter, zodat het hof hiervan kon (en moest) uitgaan124.:
“27. Willis Towers Watson, de pensioenadviseur die de OR heeft geadviseerd bij het instemmingstraject, heeft geconcludeerd dat de regeling die AFM heeft voorgesteld marktconform is, op één punt na. Dit punt betrof het nabestaandenpensioen op risicobasis. In de definitieve regeling is dit vervangen door de toezegging op opbouwbasis.”
Met AFM (s.t. 136-137) vind ik ook overigens dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is. Het hof geeft de hoofdconclusie van het advies weer, waarbij weliswaar nadere kanttekeningen in het advies worden gemaakt die het hof niet weergeeft125., maar dat doet er niet aan af dat het hof feitelijk heeft kunnen vaststellen dat Towers Watson op p. 4 van haar advies126.onder het kopje ‘Marktconformiteit voorgestelde pensioenregeling’ respectievelijk op p. 9 van het advies onder het kopje ‘Conclusie’ schrijft naar aanleiding van de vraag van de OR ‘Is de voorgestelde pensioenregeling inderdaad marktconform?’ (p. 1 van het advies):
“Op basis van bovenstaand overzicht concluderen wij dat de regeling die (…) de werkgever voorstelt marktconform is, op één punt na. Het voorgestelde nabestaandenpensioen op risicobasis is (voor een middelloonregeling) in de financiële sector echt een uitzondering.”
“Op basis van bovenstaand overzicht concluderen wij dat de regeling die (…) de werkgever voorstelt qua inhoud marktconform is, op één punt na. Het voorgestelde nabestaandenpensioen op risicobasis is (voor een middelloonregeling) in de financiële sector echt een uitzondering.”
5.34
In subonderdeel 2.2-IIIb III klagen [verweerders] dat het hof in rov. 3.12 en ook overigens in de uitspraak de terughoudende toets van art. 7:613 BW/art. 19 Pw heeft miskend. Zo er al een noodzaak tot wijzigen bestaat, mag die wijziging volgens [verweerders] niet verder strekken dan strikt noodzakelijk is. Bovendien zou bij zo’n noodzakelijke wijziging altijd voor de minst ingrijpende oplossing moeten worden gekozen.
5.35
Deze klacht faalt, omdat dit volgens mij geen geldend recht is. De term ‘noodzakelijk’ komt niet overeen met de eigenlijke maatstaf van art. 7:613 BW/art. 19 Pw, namelijk dat het gaat om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan (zie het citaat uit het Fair Play I-arrest hiervoor in 5.10). Overigens houdt deze belangentoets volgens mij inherent een proportionaliteits- en subsidiariteitsbeoordeling in. De verhouding tussen de belangen van de werkgever bij wijziging en de belangen van de werknemer(s) bij het zo veel mogelijk handhaven van bepaalde voorwaarden wordt getoetst, waarbij deze verhouding al snel in disbalans raakt als de werkgever al te drastische wijzigingen eenzijdig wil doorvoeren. Dit is ook aan bod geweest in het oordeel van het hof, zoals hiervóór besproken in 5.30.
5.36
Voor zover [verweerders] in dit subonderdeel met het oog op rov. 3.12 nog klaagt over het niet ‘aantonen’ althans voldoende stellen door [verweerders] dat de hardheidsclausule van toepassing zou zijn, verwijs ik kortheidshalve naar mijn bespreking in 5.25 e.v. van klachten van gelijke strekking in subonderdeel 2.2-IIIa 2. Voor zover [verweerders] nog klaagt dat het onbegrijpelijk zou zijn dat het hof de marktconformiteit van de nieuwe pensioenregeling betrekt bij de belangenafweging, verwijs ik naar mijn bespreking van de context waarin AFM opereert en tot wijziging kwam (5.28 e.v.) De geschetste context maakt het in mijn ogen niet onbegrijpelijk dat het hof ingaat op marktconformiteit als één van de factoren bij de beoordeling. Verder valt voor mij zonder nadere toelichting, die in dit subonderdeel ontbreekt, niet in te zien waarom de (uitkomst van de) beschouwing over marktconformiteit in rov. 3.12 onbegrijpelijk zou zijn.
5.37
De klachten in subonderdeel 2.2-IV vormen een herhaling van zetten van de klachten uit subonderdeel 2.2-Ib (stelplicht AFM) en subonderdeel 2.2-IIIb III (noodzakelijkheid wijziging en subsidiariteit). Ik verwijs daarom kortheidshalve naar mijn bespreking daarvan (5.12 e.v. en 5.34 e.v.). De klachten gaan niet op.
5.38
Ook in subonderdeel 2.2-V (vgl. subonderdeel 2.2-IIIb) poneren [verweerders] stellingen uit m.n. MvG 217 e.v. die volgens hen essentieel zijn en door het hof niet zouden zijn besproken in rov. 3.12 (maar ook overigens) daar waar het gaat om het oordeel – zoals [verweerders] dat samenvatten – over het belang van AFM bij wijziging in verband met acute financieringsproblematiek. In essentie betreft het stellingen waarmee [verweerders] betogen dat er geen acute financieringsproblematiek was.
5.39
De klacht dat het oordeel onjuist en onbegrijpelijk is in het licht van deze onbehandelde stellingen faalt. Anders dan [verweerders] (veronder)stellen, zijn de stellingen door het hof verworpen. Dat blijkt o.m. uit de volgende passages uit rov. 3.12:
Het hof volgt AFM dat zij er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met de werknemers zou worden aangepast om de door het Ministerie van Financiën geëiste toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling te bewerkstelligen.
[…]
Deze negatieve ontwikkeling was al sinds in ieder geval 2011 onderwerp van kritiek van het Ministerie van Financiën en zou ook blijkens de brief van 27 augustus 2015 kunnen leiden tot het onthouden van goedkeuring vooraf aan de begroting van AFM voor 2016, respectievelijk het onthouden van goedkeuring achteraf aan het doorbelasten van een negatief exploitatiesaldo, bij overschrijding van de begroting in 2016 en volgende jaren, aan de onder toezicht staande instellingen. […] Op grond van de aanwijzing van het Ministerie van Financiën zou de begroting jaarlijks kostendekkend moeten zijn en was goedkeuring voor doorbelasting van overschrijdingen als gevolg van blijvend volatiele pensioenverplichtingen onaannemelijk. Als AFM geen maatregelen zou nemen om het kostenniveau van de Pensioenovereenkomst 2016 en de ter uitvoering daarvan gesloten Uitvoeringsovereenkomst 2016 terug te dringen dreigden financiële problemen en zou de naleving van de aanwijzing van het Ministerie van Financiën in gevaar komen. […]
5.40
Het hof neemt dus gemotiveerd tot uitgangspunt dat een zekere financieringsproblematiek wél aan de orde was en dat dit probleem ook acuut was in de zin dat de mededelingen van het Ministerie van Financiën over de in de nabije toekomst benodigde aanpassing van de pensioenregeling van AFM die weinig aan duidelijkheid te wensen overlieten. Het oordeel van het hof is in mijn ogen voldoende begrijpelijk en gemotiveerd, ook in het licht van de door [verweerders] ingeroepen stellingen.
5.41
De voortbouwklacht in subonderdeel 2.3 slaagt (vgl. ook 3.31) in het licht van de bespreking in deze paragraaf, omdat een deel van de klachten van [verweerders] in subonderdeel 2.2-I wat mij betreft doel treft (zie 5.5 e.v.).
6. Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing, zowel in het principaal cassatieberoep als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑06‑2022
HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1869, NJ 2021/84 m.nt. W.H.A.C.M Bouwens, JIN 202/19 m.nt. A Westerduin e.a. (Fair Play I).
De feiten zijn ontleend aan rov. 2.1 t/m 2.19 van het bestreden arrest: Hof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2930, PJ 2021/9 m.nt. T. Huijg. Zie ook rov. 1.1 t/m 1.14 van het vonnis van Rb. Amsterdam 27 juli 2018, zaak 6215837 / CV EXPL 17-18240.
Het procesverloop is ontleend aan rov. 3.1 e.v. van het bestreden arrest.
Zie verder nog CvD 2: “Eisers stellen […] vast dat de AFM dus erkent dat de redenen voor de wijziging die de AFM heeft aangevoerd niet worden genoemd in artikel 25 van de Pensioenregeling 2014. Die vaststelling klopt inderdaad als zodanig. De vaststelling dat de AFM dus erkent hetgeen is gesteld in nr. 6 [bedoeld zal zijn nr. 41, A-G] van de inleidende dagvaarding klopt niet. In nr. 6 [bedoeld zal zijn nr. 41, A-G] van de inleidende dagvaarding wordt gesteld dat de AFM de noodzaak tot het wijzigen van de pensioenregeling niet of onvoldoende heeft onderbouwd. Uit de conclusie van antwoord blijkt dat er wel degelijk een valide onderbouwing is van de redenen die de AFM hebben genoopt tot een wijziging van de pensioenregeling. Dat de door de AFM doorgevoerde wijziging niet rechtstreeks voortvloeit uit een wettelijke regeling spreekt voor zich. Daarover heeft ook nooit enig dispuut bestaan tussen partijen.”
HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2034, NJ 2020/43, JIN 2020/9 m.nt. S.J.M Bouwman, TvAR 2020/8013 m.nt. J.W.A. Rheinfeld, JAR 2020/52 m.nt. E. Verhulp, rov. 3.2.3 en HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746, NJ 2021/116 m.nt. E. Verhulp, JIN 2020/165 m.nt. S.C. Verlinden, JAR 2020/287 m.nt. S. Said (X/Gemeente Amsterdam), rov. 3.2.3. Zie hierover recentelijk: A.R. Houweling & C.J. Loonstra, Uitleg en kwalificatie van de (arbeids)-overeenkomst: ‘als u begrijpt wat ik bedoel’, RMThemis 2021/5, p. 179-188; W.H. van Boom, Uitleg en kwalificatie: stappenplan of eendentest?, NTBR 2021/5; E.F. Grosheide & N.M.Q. van der Neut, Over uitleg en kwalificatie: zo hebben we het nooit bedoeld, TAC 2021/3, p. 125-134; P.J. Tanja & G.J. Standhardt, Uitleg en kwalificatie van een overeenkomst, Bb 2020/31; G.K.L. de Wijkerslooth, Ceci n’est pas une pipe? Over uitleg en kwalificatie van de (huur)overeenkomst, HIP 2020/4, p. 11-15.
Asser/Sieburgh 6-III 2018/377, Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/98, Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/204 met verwijzingen naar o.a. HR 6 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC3807, NJ 1979/91 (Bouw- en Aannemingsbedrijf Nobra BV/Dingemans), HR 24 september 1982, ECLI:NL:HR:1982:AG4446, NJ 1983/184 m.nt. W.H. Heemskerk (Lieftink/Stichting Ontwikkeling en Sanering voor het Midden- en Kleinbedrijf), rov. 3.1, HR 1 november 1985, ECLI:NL:HR:1985:AB7783, NJ 1986, 277 (Veenemans/Van der Baan c.s.), rov. 3.1, HR 1 januari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6100, NJ 2002/607 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss ([…] /De Bank van de Nederlandse Antillen), rov. 3.4. Zie uitgebreid en kritisch over dit onderwerp: P.A. Fruytier, De eigen uitleg van de overeenkomst door de rechter en de grenzen van de rechtsstrijd, in: P.J.M. Von Schmidt auf Altenstadt, F.E. Vermeulen, B.T.M. Van der Wiel (red.), Middelen voor […] ( […] -bundel), 2013, p. 83 e.v. en verder R.P.J.L. Tjittes, De (on)vrijheid van de rechter bij uitleg van contracten, in: T. Hartlief, A.H.T. Heisterkamp & W.H.M. Reehuis (red.), CJHB (Brunner-bundel), 1994, p. 407 e.v.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 17 (NaV), p. 107: “De leden van de PvdA-fractie vragen hoe artikel 11 uit de Pensioenwet, dat spreekt over een specifieke mogelijkheid voor het maken van een voorbehoud met betrekking tot premiebetaling zich verhoudt tot het algemene artikel 18. Het in artikel 11 opgenomen voorbehoud is gebaseerd op artikel 2, zevende lid, van de PSW en heeft alleen betrekking op vermindering of beëindiging van de premiebetaling door de werkgever, er hoeft dan geen sprake te zijn van een wijziging van de pensioenovereenkomst. Het is denkbaar dat er bij grote problemen door de werkgever eerst een beroep wordt gedaan op artikel 11 en vervolgens op artikel 18. Artikel 18 ziet op een wijziging van de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer. Bij financiële problemen bij de werkgever kan een aanpassing van de pensioenovereenkomst onder omstandigheden noodzakelijk zijn.”
Vgl. overigens ook rov. 2.6 van het bestreden arrest waarin het hof zelf nog spreekt over art. 25 pensioenregeling 2014 als wijzigingsbeding.
[verweerders] noemen weliswaar in MvG 26 rov. 6-11 waartegen grief 1 zou zijn gericht, maar uit MvG 27-28 blijkt duidelijk dat rov. 7 niet wordt bestreden.
Vgl. bijv. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6098, NJ 2007/394 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2. Zie onder verwijzing naar dit arrest T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Rv, aant. 2 (laatste alinea).
HR 16 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1994, NJ 1997/186 m.nt. M.M. Mendel (Zürich Versicherungsgesellschaft/Aannemerbedrijf Siemen B.V.), rov. 3.5 in fine: “De klacht dat het Hof ten onrechte de overeenkomst tussen Siemen en Rijsdijk heeft aangemerkt als een huurovereenkomst, aangezien het hier een overeenkomst tot het verrichten van enkele diensten betrof, faalt. Nu niet alleen Zürich maar ook Siemen in de feitelijke instanties het standpunt had ingenomen dat sprake was van een huurovereenkomst en de ten processe vaststaande feiten geen grond gaven voor een op een zuiver rechtsoordeel berustende andere kwalificatie, zou het Hof buiten de rechtsstrijd van partijen zijn getreden, indien het een andere overeenkomst zou hebben aangenomen.” Zie over dit oordeel Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/204.
M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 128-129.
Zonder koppeling aan de arbeidsrelatie is er geen pensioen zoals bedoeld in de Pw: M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 84.
M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 129 onder verwijzing naar Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3 (MvT), p. 2. Overigens was de doelstelling van de voorganger van de Pw, de Pensioen- en spaarfondsenwet, ook al te waarborgen dat de bij de werknemers in dienst van particuliere ondernemingen gewekte pensioenverwachtingen ook verwezenlijkt worden, zie Asser/Lutjens 7-XI 2019/192 met verwijzing naar o.a. Kamerstukken II 1949/50, 1730, 3 (MvT), p. 5.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/174 en M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 139-140.
[verweerders] gingen door ondertekening van de arbeidsovereenkomst akkoord met de inhoud van de personeelsgids (art. 8 lid 1) en aanvaardden de mogelijkheid van toekomstige wijziging daarvan (art. 10 lid 3).
Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3 (MvT), p. 188 en nr. 17 (NaV), p. 34.
Het overnemen van de tekst van (een deel van) art. 7:613 was al meteen de bedoeling (zie Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 24 (NaV), p. 17), maar daarin is aanvankelijk een fout geslopen, die is hersteld bij de derde Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 25, p. 15: “Het artikel wordt technisch aangepast aan artikel 7:613 van het Burgerlijk Wetboek door nog meer aan te sluiten op de daarin gehanteerde formulering.” De minuscule wijziging vergeleken met de eerder voorgestelde tekst heb ik hierna met door- en onderstreping inzichtelijk gemaakt: “Een werkgever kan de pensioenovereenkomst zonder instemming van de werknemer wijzigen indien de bevoegdheid daartoe schriftelijk in de pensioenovereenkomst is opgenomen en er tevens sprake is van een zodanig zwaarwegend zwaarwichtig belang van de werkgever dat het belang van de werknemer dat door de wijziging wordt geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.”
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 17 (NaV), p. 108-109.
Zie over art. 7:613 BW, Kamerstukken II 1995/96, 24 615, nr. 3 (MvT), p. 22: “[…] Het wetsvoorstel lost dus het knelpunt van eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden op, door de werknemer, ingeval tussen werkgever en de vertegenwoordigers van werknemers geen akkoord tot stand komt, een steviger individuele positie te geven. Het uitgangspunt is dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig door toepassing van wijzigingsbedingen kunnen worden gewijzigd, tenzij daar zwaarwichtige belangen voor aantoonbaar zijn.”
Vgl. HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9570, NJ 2011/610 ([…] /Wegener), rov. 3.6.3.
Vgl. Asser/Lutjens 7-XI 2019/554 onder verwijzing naar Hof Amsterdam 24 februari 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:551 (Zeeman Management), rov. 3.14, waarin het hof oordeelde dat niet van belang is om vast te stellen of de Pensioenwet van toepassing is omdat er in ieder geval een arbeidsvoorwaarde in het geding was – het ging om een aanvulling bij arbeidsongeschiktheid – en de wijziging dan aan art. 7:613 BW moet worden getoetst.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, nr. 3 (MvT), p. 38.
Zie ook A-G Timmerman in punt 4.5 van zijn conclusie vóór HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9570, NJ 2011/610 ([…] /Wegener).
HR 18 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9570, NJ 2011/610 ([…] /Wegener), rov. 3.6.4.
Castermans & Krans, Samenloop (Mon. BW nr. A21), 2019/5.
A.w. vorige vt. p. 19, laatste alinea.
HR 8 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1911, NJ 1996/274, rov. 3.6 (in fine) en HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5381, NJ 2006/507, JBPR 2007/4 m.nt. H.T. Verhaar (Ahmed/Biman Bangladesh Airlines), rov. 3.4.4.
Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/3.2 (p. 59) met een verwijzing naar een uitlating van de regering over de voorloper van art. 22 Rv (art. 19a Rv) in Kamerstukken I 1988/89, 19 574, nr. 187a (MvA), p. 2 (bovenaan).
Sijmonsma, Het inzagerecht (BPP nr. IX) 2017/3.2 (p. 62) met een verwijzing naar HR 6 oktober 2006. ECLI:NL:HR:2006:AX7774, NJ 2006/547, AA 2007/0371 m.nt. H.B. Krans, JBPR 2007/6 m.nt. J.G.A. Linssen, JAR 2006/265 m.nt. M.S.A. Vegter (…] /VOF [….), rov. 3.3.4.
Althans het grootste deel daarvan: zie besluit van 18 december 2006 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen van de Pensioenwet en de Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet, Stb. 2006, 707. Zie over het overgangsrecht: G. Bierlaagh, Overzichtelijk overgangsrecht Pensioenwet, PensioenMagazine 2006/174.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/585. Zie recent: Rb. Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12948, PJ 2022/5 (X/Onderlinge Waarborgmaatschappij Onderlinge Levensverzekering-maatschappij ’s-Gravenhage U.A.), rov. 5.18.
Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 2 (VvW), p. 8. Zie verder: Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 3 (MvT), p. 117 en p. 368.
Art. 4 (jo. art. 8) van de arbeidsovereenkomst van [verweerders] (prod. 1 dagvaarding eerste aanleg). Zie over de verwijzing in de pensioenovereenkomst naar het pensioenreglement: Asser/Lutjens 7-XI 2019/174.
Kamerstukken II 2005/06, 30 655, nr. 3 (MvT), p. 54: “[…] In de praktijk worden de begrippen toeslagverlening en indexering vaak als synoniemen gebruikt. In dit wetsvoorstel is gekozen voor de begrippen toeslag en toeslagverlening.”
Kamerstukken II 2005/06, 30 413, nr. 3 (MvT), p. 172. Zie ook Kamerstukken II 2005/06, 30 655, nr. 3 (MvT), p. 53 en p. 61 (zowel bovenaan als onderaan).
Zie ook p. 2 van het p-v van het pleidooi hb en de aldaar opgetekende toevoeging aan punt 13 van de pleitnota hb door de advocaat van AFM: “[…] In de memorie van antwoord heb ik al gezegd dat er sprake is van een onvoorwaardelijke toeslag voor de actieven, voor de deelnemers. Er is hier dus wel sprake van een voorwaardelijke element. […]”
Kamerstukken II 2006/07, 30 413, C (MvA), p. 31: “[…] Ten tweede kan er ook een onvoorwaardelijke toeslag zijn toegezegd die alleen wordt gegeven zolang aan de pensioenregeling wordt deelgenomen, en die níet – althans niet onvoorwaardelijk – doorloopt nadat de deelnemer slaper is geworden. In feite is hier sprake van een voorwaardelijk element in de verlening van onvoorwaardelijke toeslagen: namelijk de voorwaarde «deelname aan de regeling». Deze tweede vorm van een onvoorwaardelijke toeslag in een middelloonregeling is wat betreft de mate van (on)voorwaardelijkheid vergelijkbaar met de impliciete toeslagverlening die onderdeel vormt van een eindloonregeling, althans in de vorm zoals bedoeld door de leden van de CDA-fractie. Er is in beginsel alleen sprake van een onvoorwaardelijke toeslag (in een eindloonregeling: de koppeling van de aanspraken aan het laatstverdiende loon), zolang iemand een actieve deelnemer in de pensioenregeling is. Deze tweede vorm van onvoorwaardelijke toeslagverlening hoeft dan ook niet vóóraf te worden gefinancierd. […]” (Onderstreping A-G)
R.H. Maatman en E.J. Hendriks, Onvoorwaardelijke toeslag met een voorwaardelijk element: art. 20 Pw, TPV 2014/30. Zie verder R.F. van der Ham, Reactie op: ‘Onvoorwaardelijke toeslag met een voorwaardelijk element: artikel 20 PW’, TPV 2014/53 (met naschrift) en E. Schop, Wijziging van de pensioenregeling, VFP 2016/59.
Asser/Lutjens 7-XI 2019/105: “Een toeslag zoals opgenomen in de pensioenovereenkomst (en het pensioenreglement) is voorwaardelijk wanneer deze afhankelijk is van een toekomstige onzekere gebeurtenis (art. 6:21 BW), […].” Overigens vloeit het vereiste van onzekerheid niet voort uit art. 6:21 BW, maar uit het feit dat het deze onzekerheid is die partijen niet onvoorwaardelijk laat handelen. Zie H. Stolz, De voorwaarde in het vermogensrecht (diss.), 2015, p. 65 (par. 2.4.1).
Zie recent anders: Rb. Den Haag 16 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12948, PJ 2022/5 (X/Onderlinge Waarborgmaatschappij Onderlinge Levensverzekering-maatschappij ’s-Gravenhage U.A.), rov. 5.13.
Vgl. HR 24 maart 1916, W. 9972, WPNR 1916/2432 m.nt. E.M.M. Meijers (Het is niet de vraag óf een drachtige koe een jong gaat werpen, maar alleen wanneer dat zal gebeuren. Het is een zekere gebeurtenis. Een overeenkomst die de levering van de koe afhankelijk stelt van het geworpen zijn van het jong is dus geen overeenkomst onder opschortende voorwaarde.). De kritiek van E.M.M. Meijers in WPNR 1916/2432 toont aan dat goed nagedacht moet worden over de vraag of iets zeker of onzeker is, want hij vraagt zich in punt 1 van zijn noot terecht af wat de Hoge Raad zou hebben geoordeeld als de drachtige koe een dag na het sluiten van de koop verbrand was en dus nooit aan werpen zou zijn toegekomen.
Zie H. Stolz, De voorwaarde in het vermogensrecht diss. 2015, p. 199 e.v. (par. 3.1.3.1) met vele verwijzingen: niet het bestaan van de overeenkomst, verbintenis of rechtshandeling is als zodanig voorwaardelijk, maar uitsluitend de rechtsgevolgen of de werking van deze rechtsfiguren. Mogelijk doelt Rb. De Haag 16 november 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:12948, PJ 2022/5 (X/Onderlinge Waarborgmaatschappij Onderlinge Levensverzeking-maatschappij ’s-Gravenhage U.A), ro. 5.13 daar ook op, maar helemaal duidelijk is mij dat niet.
E. Lutjens, De voor alleen de deelnemer onvoorwaardelijke toeslag valt onder het wijzigingsverbod van artikel 20 Pensioenwet, TPV 2021/30, punt 1.
T. Huijg, Onvoorwaardelijke’ toeslag wel degelijk te wijzigen, PM 2020/45; E. Lutjens, Een onvoorwaardelijke toeslag kan niet worden gewijzigd!, PM 2020/74; T. Huijg, Nogmaals de kwestie van de onvoorwaardelijke toeslag, PM 2020/92; R.H. Maatman, Pensioenaanspraken, onvoorwaardelijke toeslag en artikel 20 Pw, TPV 2021/29; E. Lutjens, De voor alleen de deelnemer onvoorwaardelijke toeslag valt onder het wijzigingsverbod van artikel 20 Pensioenwet, TPV 2021/30, T. Huijg, Wijzigingsverbod en vaste verhogingen: gebrek aan financiering juist van belang, TPV 2021/39; E. Lutjens, Geen financiering toch pensioen geldt ook voor onvoorwaardelijke toeslagen, TPV 2021/40; M. Schuit, Wel of geen wijzigingsmogelijkheid van onvoorwaardelijke toeslagen: een kwestie van definitie, PM 2021/155; R.F. van der Ham, Reactie op: De visies van Lutjens en Maatman op het wijzigingsverbod onvoorwaardelijke toeslagregelingen (art. 20 PW), TPV 2022/6; R.H. Maatman, Reactie op mr. R.F. van der Ham, De visies van Lutjens en Maatman op het wijzigingsverbod onvoorwaardelijke toeslagregelingen, TPV 2022/7; E. Lutjens, Reactie: Het wijzigingsverbod van art. 20 Pensioenwet geldt voor onvoorwaardelijke toeslagen voor deelnemers. Maar het schrappen van dit verbod is te overwegen, TPV 2022/8 en de in vt. 1 geciteerde JIN-noot onder ASR/X, punten 5 en 6 met vermelding van inmiddels 3 uitspraken van lagere rechters waarin inmiddels is uitgemaakt dat een onvoorwaardelijk recht op indexatie en pensioenaanspraak is die niet kan worden gewijzigd in een voorwaardelijke indexatie, tenzij de wijziging word gevolgd door een collectieve waardeoverdracht naar een pensioenregeling zonder recht op onvoorwaardelijke indexatie.
Zie Asser/Lutjens 7-XI 2019/120 over de begrippen ‘verwerven’ en ‘opbouwen’: “De uitdrukkingen opbouwen van pensioen en opgebouwd pensioen zien op de aanspraken en rechten ter zake van pensioen dat kapitaalgedekt is gefinancierd. Het verwerven is een ruimere term en omvat opgebouwde aanspraken en tevens niet-kapitaalgedekte risicoaanspraken op pensioen. Dat laatste is mogelijk bij nabestaandenpensioen en arbeidsongeschiktheidspensioen.”
Zie hierover Asser/Lutjens 7-XI 2019/628-629.
HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200, NJ 2015/234 (Stokke e.a./Hauck), r.o. 3.1. Zie in dezelfde zin met betrekking tot art. 6 EVRM bijv. EHRM 19 april 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:0419JUD001603490, NJ 1995/462, m.nt. E.A. Alkema (Van den Hurk), r.o. 61.
A.E.H. van der Voort Maarschalk & A. Knigge, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/43.
Art. 22 pensioenreglement 2014 luidt: “1. Op de pensioenrechten van pensioengerechtigden, de pensioenaanspraken van gewezen deelnemers en op de pensioenaanspraken van ex-partners van gewezen deelnemers of gepensioneerden wordt jaarlijks (per 1 januari) toeslag verleend van maximaal de procentuele stijging van de kosten van levensonderhoud, met een maximum van 6%. Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. 2. Voor deze voorwaardelijk toeslagverlening is geen reserve gevormd en wordt geen premie betaald, maar deze wordt uit het beleggingsrendement gefinancierd. 3. […] 4. […].”
Zie voor dit laatste ook T. Huijg in punt 1 van zijn noot onder het hofarrest: Hof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2929, PJ 2021/9.
Met Lutjens en Heemskerk meen ik dat sprake is van een kennelijke omissie van de wetgever, zoals overtuigend uiteengezet in M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 254 en Asser/Lutjens 7-XI 2019/587. In het voorstel voor de Wet toekomst pensioenen wordt art. 20 Pw in deze zin aangepast (Kamerstukken II 2021/22, 36 067, nr. 2 (VvW), p. 8).
Asser/Lutjens 7-XI 2019/588, waar hij verder opmerkt: “Dat de financiering geen voorwaarde is voor het ontstaan van aanspraken blijkt uit art. 28 en 29 PW inzake de gevolgen van niet betaalde pensioenpremies, hoewel bij een verzekeraar en premiepensioeninstelling een premieachterstand tot het premievrij maken kan leiden onder de voorwaarden genoemd in art. 29 PW.”
De term ‘rechtsgronden’ is in dit verband enigszins ambigue. Het is duidelijker om hier gebruik te maken van het begrip rechtsfeiten (ook wel aangeduid als de feitelijke grondslag van vordering of verweer), omdat art. 25 Rv de rechter juist gebíedt de rechtsgronden aan te vullen. Zie ook vt. 9 van de conclusie van A-G De Bock van 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:152, RvdW 2018/543 en haar proefschrift R.H. de Bock, Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, diss. 2011, p. 117. Vgl. ook G. de Groot, Waarheidsvinding in het civiele (proces)recht, preadvies NJV, Handelingen NJV 2012-1, p. 20-21.
Zie o.a. HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23, RvdW 2020/139, JBPR 2020/58 m.nt. G.C.C. Lewin (ZAO Trest Koksokhimmontazh), rov. 3.1.2; HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:20, NJ 2020/122, m.nt. Tjong Tjin Tai (Erfgenamen/Deutsche Bank Nederland), rov. 3.3.2; HR 14 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1357, RvdW 2017/869, rov. 3.3.2; HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:663, NJ 2016/222, JBPR 2016/47 m.nt. G.C.C. Lewin, JIN 2016/111 m.nt. E.J.H. Zandbergen, rov. 3.4.
Zie G.C.C. Lewin in punt 1 van zijn noot onder HR 10 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:23, JBPR 2020/58 (Zao Trest Koksokhimmontazh).
Zie over dit onderwerp uitvoerig W.D.H. Asser, Ambtshalve toepassing van rechtsgronden door de Nederlandse rechter, in: Preadviezen 2015 van de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2015, p. 307-358.
HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472, NJ 2012/143 (…] / [….), rov. 4.5.2.
F.J.P. Lock onder 4 (in fine) van zijn noot onder HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195, JBPR 2016/7.
Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25 Rv, aant. 3 (in fine), verwijzend naar de conclusie van A-G de Bock van 16 februari 2018, ECLI:NL:PHR:2018:152, RvdW 2018/543, onder 2.4 waarin zij o.m. wijst op HR 11 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7539, JOL 2003/373 en HR 19 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2737, NJ 2015/179 m.nt. D.W.F. Verkade (Rubik/Beckx Trading), rov. 5.1.2.
F.J.P. Lock onder 10 (in fine) van zijn noot onder HR 30 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3195, JBPR 2016/7.
A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, art. 25, aant. 4 met verwijzing naar HR 17 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0358, NJ 2004/39 (Lukan/Brokke).
Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/283 en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/68. Zie ook Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/117.
HR 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:505, NJ 2019/158, rov. 3.3.2.
Ras & Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (BPP nr. 4) 2017/40 met een verwijzing naar punt 4 onder c. van de noot van J.B.M. Vranken onder HR 2 februari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB7892, NJ 1990/795 (Aarzelende notaris).
Vgl. Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/4, 121, 159 waaruit volgt dat het hof binnen het door de grieven ontsloten gebied ambtshalve de rechtsgronden moet aanvullen.
Zie ook A-G Drijber in punt 1.10 van zijn conclusie van 5 november 2021, ECLI:NL:PHR:2021:1042 (Euronext Amsterdam//Vereniging Pensioengerechtigden Euronext Amsterdam c.s.).
Bron visuele weergave: M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2020, p. 198.
Dommerholt, T&C Pensioenrecht, art. 25 Pw, aant. 1.
T. Huijg in punt 1 van zijn noot onder het hofarrest: Hof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2929, PJ 2021/9. Zie overigens het p-v van het pleidooi in appel op p. 5, waar door de advocaat van [verweerders] is verklaard: “[…] De financiering is iets tussen werkgever en het pensioenfonds. […]”
Met verwijzing naar Asser/Lutjens 7-XI 2019/588.
Zie ook T. Huijg in punt 1 van zijn noot onder het hofarrest: Hof Amsterdam 3 november 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2929, PJ 2021/9.
Vgl. K.A. van Haaren, Navigeren door de pensioenfondsenroute, TPV 2019/46, par. 2.
HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA0566, NJ 2014/67 m.nt. E. Lutjens, PJ 2013/161 m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, JAR 2013/249 m.nt. M. Heemskerk, TRA 2013/103 m.nt. J.J.M. de Laat, JOR 2013/310 m.nt. A.G. van Marwijk Kooy (ECN/Omen). Zie over dit arrest o.a. J.S. Engelsman, De reikwijdte van het ECN/Omen-arrest buiten pensioen, TAP 2014/150.
E. Lutjens in punt 8 van zijn NJ-noot. Zie ook E. Lutjens in punten 4-5 van zijn PJ-noot.
Uitgebreid hierover: A.G.F. Ancery, Ambtshalve toepassing van EU-recht, diss. 2012, par. 2.2.
Zoals in art. 1:406 BW; voor meer uitzonderingen vgl. Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/48.
HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1812, NJ 2019/267 m.nt. B. Barentsen, JIN 2019/2 m.nt. A. Olsthoorn, JAR 2018/274 m.nt. N.T. Dempsey, TRA 2018/109 m.nt. M.D. Ruizeveld (X/BAM Infra Telecom), rov. 3.4.2.
A.G.F. Ancery, Ambtshalve toepassing van EU-recht, diss. 2012, par. 2.2.3 (nr. 26).
HR 24 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:151, RvdW 2014/201, JBPR 2014/27 m.nt. G.C.C. Lewin (X/Milau Beheer BV c.s.), rov. 3.3.3 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2018/4(i); F.J.H. Hovens, Civiel appel, 2007, p. 87.
HR 27 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1557, RvdW 2014/898, JBPR 2014/39 m.nt. G.C.C Lewin, rov. 3.2 en Van der Voort Maarschalk, in: Van der Wiel (red.), Cassatie 2019/43 en 68.
Als het gaat om de premiefinanciering merken [verweerders] in MvG 148 nog het volgende op: “Het bovenstaande is uiteraard niet Pensioenfonds AFM aan te rekenen, maar AFM. Het is AFM die een pensioenovereenkomst met haar werknemer sluit; het pensioenfonds is slechts de uitvoerder.” Zie ook rov. 3.11: “Het pensioenfonds treft daarvoor volgens [verweerders] geen verwijt, maar wel AFM, omdat AFM dit in de pensioenovereenkomst met haar werknemers is overeengekomen.”
De definitie van ‘pensioenregeling’ in rov. 2.3 is overgenomen van rov. 1.3 van het vonnis van de kantonrechter.
Zie recent nog HR 11 februari 2022, vp. vt. 1 (ASR/X), rov. 3.2-3.3. Zie verder Asser/Lutjens 7-XI 2019/25: “[…] De drie genoemde juridische bindingen kennen elk een eigen grondslag en betreffen rechtsverhoudingen tussen verschillende partijen, maar de rechtsverhoudingen hangen wel met elkaar samen. De driehoeksverhouding is een bijzonderheid bij het aanvullend pensioen waarop de Pensioenwet betrekking heeft, die eigen juridische vragen omtrent de onderlinge wisselwerking tussen de afzonderlijke verhoudingen oproept bij met name de nakoming en de wijziging van pensioenregeling.”
Zie ook een andere passage uit rov. 3.12: “Bovendien leidt het oordeel van het hof in 3.6 tot en met 3.11 al tot een aanzienlijke reductie van die verschuiving van de risico’s inzake de tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken”
HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847, NJ 2011/185 m.nt. G.J.J. Heerma van Voss ([…] /Mammoet II), rov. 3.3.3. Zie verder Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2012, p. 45 met annotatie van F.B.J. Grapperhaus, M.J.A.C. Driessen & W.J.M. Rauws en Arbeidsrecht in 50 uitspraken 2010, p. 47 met annotatie van N. Gundt. Zie o.a. over dit arrest J.M. van Slooten, 2008: het derde kroonjaar voor het wijzigingsrecht – HR 11 juli 2008, JAR 2008/204, […] /Mammoet Transport, ArA 2008/3.3.
Kamerstukken II 1996/97, 24 615, nr. 9 (NaV), p. 31.
Punt 3.14 (in fine) van de conclusie van A-G Keus (ECLI:NL:PHR:2008:BD1847).
HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1869, NJ 2021/84 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JAR 2020/11 m.nt. N. Cancian-van Ballegooien, JIN 2020/19 m.nt. E. Wies & A.M. Westerduin (Fair Play I). Zie over dit arrest o.a. L.A.J. Kuijpers & R.C. Akkermans, ‘Het eenzijdig wijzigingsbeding na het Fair Play-arrest’, TAP 2020/46. Het arrest kreeg na verzoeken ex art. 31 Rv (herstel) en art. 32 Rv (aanvulling) een vervolg met HR 17 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:72, NJ 2021/85 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens (Fair Play II).
[verweerders] noemt in 2.2-Ibii als vindplaats voor het bewijsaanbod MvG 239, maar bedoeld is kennelijk MvG 245.
R.H. De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid, diss. 2011, par. 1.5.0.
Zie Kamerstukken II 1996/97, 24 615, nr. 9 (NaV), p. 32: “Zonder het voorgestelde artikel 613 BW zou de werkgever, indien de arbeidsovereenkomst een beding bevat dat hem de bevoegdheid geeft arbeidsvoorwaarden te wijzigen, met een beroep op dat beding deze bevoegdheid in beginsel kunnen uitoefenen. Indien dit niet redelijk zou zijn, zou de werknemer deze onredelijkheid moeten aantonen. Artikel 613, eerste lid BW gaat er daarentegen van uit dat het eenzijdig wijzigen van arbeidsvoorwaarden slechts mogelijk is indien de werkgever een zodanig zwaarwichtig belang bij de wijziging heeft dat het belang van de werknemer daarvoor in redelijkheid moet wijken. Het is aan de werkgever om dat zwaarwichtige belang aan te tonen.”
In verweerschrift vt. 40 is MvG 78 als vindplaats gegeven voor de andere klacht van subonderdeel 2.2-Ib-i. De in dezelfde zin vervolgens geformuleerde klacht (hier besproken) is kennelijk gebaseerd op het vervolg van de MvG (79-81).
G. de Groot, SDU Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 194 Rv, aant. 2: Het is overgelaten aan de rechter die over de feiten oordeelt of hij van de bevoegdheid gebruik maakt. Verwezen wordt naar: HR 16 april 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC7596, NJ 1982/560, rov. 3; HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993, NJ 2002/73 (D./Ruitersportcentrum e.a.), rov. 3.3.3; HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3135, NJ 2006/619 (Navcom/Philips), rov. 6.2; HR 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1902, NJ 2008/401 (Restrepo/Thiel Corporation), rov. 3.4.
G. de Groot, SDU Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 194 Rv, aant. 2.2 met verwijzing naar: HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986, NJ 1993/659 (Vredo/Veenhuis) m.nt. D.W.F. Verkade en HR 16 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2743, NJ 1999/7 (Finkenburgh/Van Mansum).
G. de Groot, SDU Commentaar Burgerlijk Procesrecht, art. 194 Rv, aant. 2.2 met verwijzing naar HR 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1532, NJ 2003/151, m.nt. F.C.B. van Wijmen en HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN8478, NJ 2004/74, JBPR 2004/29 m.nt. R. Schellaars (Stichting Nieuw Vredenburgh/Nieuwe Hollandsche Lloyd Schadeverzekering Maatschappij), rov. 3.6.
Kamerstukken II 1996/97, 24 615, nr. 9 (NaV), p. 31, 32 en 34; Kamerstukken I 1997/98, 24 615, nr. 81a (MvA), p. 9.
A-G Drijber in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2019:643). Zie punten 3.9-3.17 voor een bespreking van de wetsgeschiedenis en punten 3.21-3.23 voor de literatuur. Een bespreking van de cassatieklachten op dit punt staat in punten 4.18-4.25.
In het verweerschrift van [verweerders] staat in vt. 66 als vindplaats van deze stelling MvG 7, maar ik neem aan dat dit een kennelijke verschrijving is en MvG 207 is bedoeld (dupliek 18) omdat de letterlijke tekst van de stelling daar te vinden is en bovendien ook het cijfer ‘7’ voorkomt in dat randnummer. Blijkbaar heeft AFM niet gedacht aan een verschrijving, omdat zij primair betoogt dat de klacht feitelijke grondslag mist (s.t. 126), maar daarnaast voert zij ook op andere grond verweer.
B.T.M. Van der Wiel, in: B.T.M. van der Wiel, Cassatie 2019/116 (p. 124) met in vt. 104 o.a. een verwijzing naar A.E.B. ter Heide, Middelmaat: aan een cassatiemiddel te stellen eisen, TCR 2001, p. 79.
Overigens en los van marktconformiteit is door de AFM (zie bijv. MvA 25 in fine, 58 in fine, 63 en 73) uitgelegd dat de wijziging van de arbeidsvoorwaarde pensioen in dit geval onderdeel was van een pakket van wijzigingen van arbeidsvoorwaarden waarmee de ondernemingsraad uiteindelijk instemde.
Het hof verwijst hierbij o.a. naar het rapport van Montae, dat door AFM bij de CvD als productie 12 is overgelegd en onder 28 CvD is ingelast en samengevat. Bij akte (uitlating producties) ingediend op de rolzitting van 11 mei 2018 hebben [verweerders] nog uitgebreid gereageerd op dit rapport.
Vgl. bijv. HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6098, NJ 2007/394 m.nt. S.F.M. Wortmann, rov. 3.2. Zie onder verwijzing naar dit arrest T.F.E. Tjong Tjin Tai, GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 24 Rv, aant. 2 (laatste alinea).
Zie over deze kanttekeningen het vonnis van de kantonrechter rov. 28-29.
Prod. 7 inleidende dagvaarding.
Beroepschrift 11‑06‑2021
Hoge Raad der Nederlanden
Roldatum 11 juni 2021
VERWEERSCHRIFT IN EEN VORDERINGSZAAK TEVENS HOUDENDE (DEELS VOORWAARDELIJK) INCIDENTEEL CASSATIEBEROEP
Inzake:
- 1.
[verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
- 2.
[verweerder 2]
wonende te [woonplaats],
- 3.
[verweerder 3]
wonende te [woonplaats]
verweerders in het principaal cassatieberoep,
eisers in het (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep
advocaat: mr. H.J.W. Alt,
tegen
STICHTING AUTORITEIT FINANCIELE MARKTEN
gevestigd te Amsterdam
eiseres in het principale cassatieberoep
verweerster in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep
advocaten mrs. B.F.L.M. Schim en F.E. Vermeulen
Verweerders in het principale cassatieberoep, eisers in het incidentele cassatieberoep, hierna: [verweerders] c.s., doen eerbiedig zeggen en concluderen:
- A.voor antwoord in het principale beroep
dat het recht niet is geschonden, noch op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd op de gronden zoals in het door AFM in het voorgestelde principale middel van cassatie is gesteld, zodat dit middel moet worden verworpen met veroordeling van AFM in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest.
- B.in incidenteel cassatieberoep
Nu AFM zich niet neerlegt bij de uitspraak van het hof d.d. 3 november 2020 gewezen onder nummer 200.250.384/01 hierna: het arrest, en cassatieberoep heeft ingesteld en er zijdens [verweerders] c.s. ook onderdelen van het arrest zijn waarin zij zich niet kunnen vinden, voeren zij hiertoe aan het volgende
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid met zich brengt, omdat het gerechtshof heeft overwogen en beslist als vermeld in het arrest van 3 november 2020 om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
1. Inleiding op de klachten
1.1
Heel kort gezegd gaat de zaak over een extreme vorm ‘de-risken’ van de pensioenregeling van AFM door middels een eenzijdige wijziging de risico's en gevolgen van onderdekking, tegenvallende beleggingsresultaten en allerhande andere risico's voor AFM op te heffen en geheel neer te leggen bij haar werknemers en gewezen werknemers.1. Dat levert een wanverhouding op tussen het gestelde belang van AFM en de gevolgen voor [verweerders] c.s.2. Er is sprake van een pensioenfonds dat toch al te weinig geld in kas had en daardoor tot 2023 herstelpremies van AFM diende te ontvangen. Vervolgens wordt de regeling door AFM zodanig gewijzigd dat die herstelpremies komen te vervallen en dat er ook sprake is van een ‘gedempte premiebetaling’.3. Daarnaast wordt de indexering (toeslagverlening) gewijzigd van onvoorwaardelijk in voorwaardelijk en wordt daarmee afhankelijk van de vraag of er voor die indexering voldoende in kas is. Tenslotte wordt de eigen bijdrage van [verweerders] c.s. verhoogd.4. [verweerders] c.s. kunnen dan ook niet anders concluderen dan dat de vóór 2016 bestaande pensioenregeling met de Pensioenregeling 2016 maximaal wordt afgebroken.
1.2
AFM stelt zelf dat een groot gedeelte van de werknemers van AFM met de voorgestelde wijzigingen heeft ingestemd5. en dat slechts een klein groepje van vier werknemers, waarvan [betrokkene 1] er één is (zaak 21/0366) en [verweerders] c.s. de overige drie vormen, zich daartegen verzetten. [verweerders] c.s. sluiten niet uit dat de overige werknemers de ingrijpendheid van de maatregelen onvoldoende hebben overzien. Indien juist is wat AFM stelt, dan is gaat het voor AFM nog maar om een relatief gering belang terwijl het belang van [verweerders] c.s. aanzienlijk is.
1.3
De in randnummer 1.1. hierboven omschreven risicoverschuiving levert een substantieel nadeel op voor [verweerders] c.s., hetgeen alleen al blijkt uit de in opdracht van de AFM zelf opgestelde individuele pensioenberekening, waaraan [verweerders] c.s. op bladzijde 2 van hun respectievelijke bezwaarschriften d.d. 24 maart 2016 (producties 4 E, 5 E en 6 E bij inleidende dagvaarding) refereren. Deze berekening is als productie 5 bij MvG in het geding gebracht.6. Tevens is aan deze productie toegevoegd bladzijde 2 van het bezwaarschrift van [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3] d.d. 24 maart 2016, waaruit enige context bij de berekeningen is af te leiden. Uit de berekening van [verweerder 1] blijkt dat hij — op datum pensioeningang- in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis € 10.211, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 11.204, — per jaar en in een scenario ‘slecht weer’ om € 12.007, — per jaar. Uit de berekening betreffende [verweerder 2] blijkt dat hij — op datum pensioeningang — in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis € 10.411, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 11.079, — en in een scenario ‘slecht weer’ om€ 11.140, — per jaar. Uit de berekening van [verweerder 3] blijkt dat hij — op datum pensioeningang- in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis € 6.432, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 7.033, — en in een scenario ‘slecht weer’ om € 7.288, — per jaar7..
1.4
Echter, wanneer deze jaarbedragen contant worden gemaakt op de pensioendatum op basis van de huidige levensverwachting, moeten ze met circa factor 20 worden vermenigvuldigd. Het gaat dan bij [verweerder 1] om € 204.220, — bij ‘goed weer’, € 224.080, — bij ‘gemiddeld ’ en € 240.140, — bij ‘slecht weer’. Bij [verweerder 2] gaat het om € 208.220, — bij ‘goed weer’, bij ‘gemiddeld’€ 221.580, — en € 222.800, — bij ‘slecht weer ’. Bij [verweerder 3] gaat het om € 128.640, — bij ‘goed weer’, bij ‘gemiddeld ’€ 140.660, — en € 145.760, — bij ‘slecht weer’. Indien de levensverwachting tussen nu en het moment dat [verweerders] c.s. met pensioen gaat stijgt — en dat is conform verwachting — zullen deze bedragen nog substantieel hoger worden.8. Uit het rapport van Pensioen Perspectief (productie 12 bij memorie van grieven) blijkt dat het nadeel voor appellanten veel groter kan zijn dan tot nu toe is verondersteld. 9. Pensioen Perspectief concludeert:
‘De communicatie over de wijziging is uiterst gebrekkig en onvolledig. De opzet van de maatmensberekening is zodanig dat de achteruitgang in pensioenopbouw behoorlijk wordt onderschat. De wijziging van de pensioenregeling per 1 januari 2016 heeft een verlagend effect van 25% of meer op de toekomstige pensioenaangroei. Een zeer materiële versobering van de pensioenregeling dus, waaraan weinig aandacht is geschonken in de communicatie over de wijziging. Daar komt nog bij dat ook de deelnemersbijdrage vanaf 2020 wordt verhoogd van 5% naar 7,5% van de pensioengrondslag.’10.
Een en ander zal onvermijdelijk leiden tot een korting van pensioenaanspraken van [verweerders] c.s. En een indexatie van hun pensioenaanspraken kunnen appellanten helemaal wel vergeten. Om dat te bereiken wordt er door AFM simpelweg veel te weinig geld in de pensioenpot gestopt. Zelfs voor de geambieerde jaarlijkse opbouw van pensioen wordt zeer waarschijnlijk te weinig geld in het pensioenfonds gestort.11.
1.5
De wijziging is qua aard en inhoud voorts zeer nadelig voor [verweerders] c.s., omdat [verweerders] c.s. onder Pensioenregeling 2014 geen risico's (langlevenrisico, beleggingsrisico, renterisico) liepen (die lagen bij AFM), terwijl die in Pensioenregeling 2016 alle bij hen liggen (en niet meer bij AFM), het recht op onvoorwaardelijke indexatie een recht op voorwaardelijke indexatie is geworden (en de wijziging op het punt van indexatie bovendien deels nietig is), terwijl de eigen bijdrage van [verweerders] c.s. met 50% stijgt. 12. Door een CDC-regeling als deze in te voeren, zijn aan [verweerders] c.s. door AFM de facto spreekwoordelijke knollen voor citroenen verkocht.13. [verweerders] c.s. worden dus door de nieuwe regeling op vele fronten benadeeld: enerzijds verslechtert hun pensioenregeling en anderzijds moeten zij daarvoor zelf nog méér premie gaan betalen, terwijl de indexatie voorwaardelijk wordt en door te weinig premie14. te betalen wordt die indexatie vervolgens illusoir.15.
1.6
Dat klemt temeer daar de OR uitdrukkelijk heeft aangegeven dat op individueel niveau er onbillijkheden kunnen optreden (waarover haar geen informatie is verstrekt) en zij er bij het geven van toestemming van uit is gegaan dat de AFM daar oog voor heeft en dat voortvarend zal oplossen.16.
1.7
Het hof heeft een soort billijkheidsoordeel gegeven, waarbij het voor een deel een streep door de eenzijdige wijziging trekt (rovv. 3.5 t/m 3.11) en voor het overige daarom van mening is dat de regeling voor het overige de toets der kritiek kan doorstaan (rov. 3.12).
1.8
Het principale cassatieberoep betreft die ‘billijkheidscorrectie’, hetgeen uiteraard reeds meebrengt dat bij het slagen van klachten uit het principale cassatieberoep daartegen dan ook de afweging van rov. 3.12 ter discussie staat, nu die daarop voortbouwt. Daartegen wordt voorwaardelijk cassatieberoep ingesteld.
1.9
[verweerders] c.s. kunnen zich ook overigens niet in het arrest vinden en voert daartegen de navolgende klachten aan.
2. Klachten
2.0. Voorwaardelijke klacht
Het hof oordeelt in Rov 3.1217. onder meer dat, nu het hof in rovv. 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] c.s. (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over zijn tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, het hof voldoende reden heeft om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld, op welk oordeel het hof mede zijn aan het begin van rov 3.12 vooropgestelde conclusie baseert dat AFM er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met de werknemers zou worden aangepast om de door het Ministerie van Financiën geëiste toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling te bewerkstelligen, zodat de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging. Aldus is het oordeel in rov. 3.12 sub u, zoals hierboven weergegeven, dus mede bepalend (geweest) voor de belangenafweging die het hof in rov 3.12 heeft gemaakt.
Indien en voor zover het hof in het principale cassatieberoep van oordeel is dat klachten tegen rovv. 3.6 t/m 3.11 en/of rov 3.12 geheel of gedeeltelijk slagen, dan kan de afweging zoals het hof in rov. 3.12 heeft gedaan evenmin in stand blijven, nu de aanname van een zwaarwichtig belang door het hof in rov. 3.12 (mede) gebaseerd is op die overweging sub u. In dat kader zal na vernietiging en verwijzing — hoe dan ook — een nieuwe toetsing van de belangen van AFM en van [verweerders] c.s. moeten plaatsvinden.
Onvoorwaardelijke klachten
Geen beding ex artikel 7:613 BW overeengekomen
2.1
Dit onderdeel is gericht tegen dat deel van rov. 3.4 waarin het hof overweegt (kleine Romeinse cijfers door mij-HJWA):
- ‘i.
Naar het oordeel van het hof faalt dit betoog van [verweerders] c.s.
- ii.
Het pensioenwijzigingsbeding van artikel 19 PW is geënt op artikel 7:613 BW. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 19 PW blijkt dat de tekst van artikel 19 PW is aangepast om aan te sluiten bij die van artikel 7:613 BW. Een materieel verschil in de toetsingsmaatstaf van artikel 19 PW en van artikel 7:613 BW is daarmee niet aanwezig.
- iii.
De omstandigheid dat in de pensioenovereenkomst een of meer wijzigingsbedingen zijn opgenomen betekent niet zonder meer dat daarmee de mogelijkheid tot het eenzijdig wijzigen van de arbeidsvoorwaarde pensioen als bedoeld in artikel 19 PW, respectievelijk 7:613 BW terzijde is gesteld.
- iv.
Daarvan kan alleen sprake zijn als in de pensioenovereenkomst ondubbelzinnig een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW is opgenomen.
- v.
In het onderhavige geval bevat artikel 25 Pensioenreglement 2014, waar [verweerders] c.s. zich op beroepen, een aantal standaard bedingen die naar het oordeel van het hof alle zijn gebaseerd op de in artikel 12 PW geregelde bevoegdheid van AFM zich bij het sluiten of bij een wijziging van de pensioenovereenkomst het recht voor te behouden de premiebetaling, voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage van AFM, te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden. Van een beding als bedoeld in artikel 19 PW is dus geen sprake.
- vi.
Niet in geschil tussen partijen is dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst een eenzijdig wijzigingsbeding inhoudt voor een of meer artikelen van de arbeidsovereenkomst. In artikel 4 van de arbeidsovereenkomst is opname in de pensioenregeling geregeld met verwijzing naar het Pensioenreglement dat onderdeel uitmaakt van de Personeelsgids). Artikel 8 van de arbeidsovereenkomst incorporeert de Personeelsgids waarvan de inhoud geacht wordt onderdeel uit te maken van de arbeidsvoorwaarden. Daarmee is naar het oordeel van het hof voldaan aan de eis van artikel 19 PW dat AFM zich de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid schriftelijk in de pensioenovereenkomst heeft voorbehouden.
- vii.
Het feit dat artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst alleen refereert aan het zwaarwichtig belang van AFM bij de eenzijdige wijziging en niet tevens vermeldt dat sprake moet zijn van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken, maakt niet dat het onderhavige beding niet te kwalificeren is als een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 7:613 BW, respectievelijk artikel 19 PW.
- viii.
De conclusie is dat de eerste grief faalt en dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst AFM de bevoegdheid geeft om de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen, als bedoeld in artikel 7:613 BW, mits er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het belang van de werknemers dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.’
Dit oordeel getuigt hetzij van een onjuiste rechtsvatting, hetzij is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
2.1.0
[verweerders] c.s. stellen in de MvG dat artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst spreekt over eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst en niet van de pensioenovereenkomst. In randnummer 30 MvG stellen [verweerders] c.s. dat de pensioenovereenkomst en de arbeidsovereenkomst twee verschillende overeenkomsten zijn. Wanneer in een arbeidsovereenkomst een beding als bedoeld in artikel 7:613 BW is opgenomen, betekent dit niet dat partijen ook een beding als bedoeld in art. 19 PW zijn overeengekomen.
Dat de inhoudelijke maatstaf gelijk is doet daar niet aan af, aldus de MvG rnr. 30. Arbeidsovereenkomst en pensioenovereenkomst kunnen niet zomaar op één hoop worden gegooid18.. Een eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in een arbeidsovereenkomst kan niet zomaar worden getransporteerd naar een pensioenovereenkomst.19. Bekeken moet worden op een eenzijdig wijzigingsbeding in de pensioenovereenkomst is opgenomen.20. Dat is een kwestie van uitleg die naar objectieve maatstaven dient plaats te vinden. Nu partijen wèl een eenzijdig wijzigingsbeding in de pensioenovereenkomst zijn overeengekomen, namelijk artikel 25 Pensioenreglement, en — naar tussen partijen vaststaat — de onderhavige wijziging hier niet op van toepassing is21. is eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst strijdig met artikel 25 lid 1 Pensioenreglement, waardoor de eenzijdige wijziging rechtsgevolg ontbeert22..
2.1-I
Nu artikel 7:613 BW ziet op eenzijdige wijziging van (arbeidsvoorwaarden in) arbeidsovereenkomsten, terwijl een beding ex artikel 19 PW, dat blijkens de tekst van dat artikel dient te worden opgenomen in de pensioenovereenkomst23., ziet op eenzijdige wijzigingen van pensioenovereenkomsten, miskent het hof in rov 3.4 de in onderdeel 2.1.0 genoemde stellingen, en dan in het bijzonder (1) dat het algemene wijzigingsbeding van artikel 7:613 BW zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst, niet zomaar kan worden getransporteerd naar een pensioenovereenkomst24., alsmede (2) dat het hof aldus — wil het adequaat op de stellingen responderen — zal moeten vaststellen wat de pensioenovereenkomst is en vervolgens moeten toetsen of partijen zijn overeengekomen dat het eenzijdig wijzigingsbeding waarop AFM zich beroept (artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst) is opgenomen in die pensioenovereenkomst als bedoeld in artikel 19 PW en aldus als een beding ex artikel 19 PW heeft te gelden. Ter toelichting en verdere uitwerking diene het navolgende.
2.1-Ia
De vraag die het hof allereerst had moeten beantwoorden is of er in de pensioenovereenkomst een beding is opgenomen als bedoeld in artikel 19 PW25., op basis waarvan de pensioenovereenkomst in het geval van een zwaarwichtig belang eenzijdig kon en mocht worden gewijzigd. Het hof had daartoe naar objectieve maatstaven, dat wil zeggen aan de hand van de CAO norm het Pensioenreglement moeten uitleggen.26.
Het hof miskent dit echter doordat het overweegt in rov. 3.4 sub v, dat een dergelijk beding ex art. 19 PW niet zou zijn opgenomen in artikel 25 Pensioenreglement 2014, zulks overigens ten onrechte, maar dat er in de arbeidsovereenkomst in artikel 10 een beding ex artikel 7:613 BW is opgenomen (rov. 3.4 sub vi), dat AFM de bevoegdheid geeft om de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen (rov. 3.4 sub vii en viii). Althans is dit oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
2.1-Ib
Het hof miskent verder in rov. 3.4 sub i t/m viii dat de vragen (1) wat de pensioenovereenkomst in casu is, (2) of [verweerder 1] [verweerder 2] en [verweerder 3] als werknemers bij aanvang van de arbeidsovereenkomst konden en mochten verwachten dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst als beding in de zin van artikel 19 PW werd beschouwd en (3) of artikel 10 van de arbeidsovereenkomst al dan niet met toepassing van artikel 7:613 BW zich (mede) zou uitstrekken tot de (wijziging van de) pensioenregeling allen dienen te worden beantwoord aan de hand van het Haviltexcriterium. In dit geval gaat het immers om de totstandkoming van de individuele arbeidsovereenkomst en dus ook om de vraag in hoeverre [verweerders] c.s. de strekking die AFM nu aan artikel 10 van de arbeidsovereenkomst geeft bij het aangaan van die arbeidsovereenkomst hebben mogen begrijpen en daarmee hebben ingestemd.
2.1-Ic
Het hof miskent in rov 3.4 dat, zoals Heemskerk op p. 23227. terecht schrijft, de achtergrond voor het schriftelijkheidsvereiste van artikel 19 PW is dat de eenzijdige wijzigingsbevoegdheid kenbaar moet zijn. Het hof oordeelt in rov 3.4 sub iv dan ook terecht dat in de pensioenovereenkomst ondubbelzinnig een wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW moet worden opgenomen. Daarmee wordt ook door het hof onderschreven dat een dergelijk beding voldoende kenbaar moet zijn aan een werknemer, dus in casu dat artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst ook zag op de pensioenovereenkomst.
Op basis van hetgeen in de MvG rnrs. 32 t/m 41 is betoogd28. had het hof moeten onderzoeken of het aan [verweerders] c.s., gelet op het feit dat er al een eenzijdig wijzigingsbeding was in artikel 25 van de Pensioenregeling, voldoende duidelijk was29. dat er- in de visie van AFM althans — nóg een beding ex artikel 19 PW was en wel in de vorm van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst en dat dit beding dus ook en wel een verdergaande eenzijdige wijzigingsbevoegdheid omvatte dan artikel 25 Pensioenreglement. Het hof heeft dat hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.1.1d
Het hof oordeelt kennelijk in rov 3.4 sub i t/m viii dat nu pensioen een arbeidsvoorwaarde is en in de arbeidsovereenkomst een beding als bedoeld in art. 7:613 BW is opgenomen (in artikel 10) en de maatstaf hetzelfde is (zie rov 3.4 sub ii) AFM leentjebuur kan spelen door een bepaling in een arbeidsovereenkomst te gebruiken voor een eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst. Het hof miskent daarbij dat het feit dat de maatstaf van artikel 19 PW is gebaseerd op die van art. 7:613 BW in dat verband irrelevant is, nu het hof miskent dat het moet gaan om een beding als bedoeld in artikel 19 PW dat moet zijn opgenomen in de pensioenovereenkomst30., en niet vaststelt, althans in het midden laat, of dat in casu het geval is.
2.1-Ie
Het hof gebruikt in rov 3.4 de artikelen 19 PW en 7:613 BW door elkaar (zie bijvoorbeeld sub vi en vii), waarna het sub viii weer uitsluitend spreekt van een bevoegdheid ex artikel 7:613 BW in de vorm van artikel 10 lid 1 van de arbeidsovereenkomst op basis waarvan AFM de pensioenovereenkomst eenzijdig kan wijzigen indien zij daartoe een zwaarwichtig belang heeft dat op basis van de redelijkheid en billijkheid moet wijken voor dat van de werknemers. Het hof miskent aldus dat artikel 7:613 BW als zodanig [geboortedatum] is op de pensioenovereenkomst.
Wil een pensioenovereenkomst eenzijdig gewijzigd kunnen worden op grond van een door de werkgever overeengekomen eenzijdig wijzigingsbeding dan zal dit beding moeten voldoen aan de eisen van artikel 19 PW en zal dat beding dus in de pensioenovereenkomst moeten zijn opgenomen. Weliswaar is de pensioenovereenkomst zelf vormvrij, maar uit artikel 19 PW en de eis dat het beding in de pensioenovereenkomst moet worden opgenomen, volgt dus dat de wijzigingsbevoegdheid niet (ook) in een andere overeenkomst, reglement of andersoortige regeling kan zijn opgenomen. Dat betekent dat die dus niet èn in het Pensioenreglement kan staan èn in de arbeidsovereenkomst, alsook dat een beding uit de arbeidsovereenkomst niet kan worden ‘geleend’ van de arbeidsovereenkomst of getransponeerd vanuit de arbeidsovereenkomst naar de pensioenovereenkomst. Het hof heeft dit in rov 3.4 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.1-If
Uit onderdeel 2.1-I a t/m e volgt dat het hof ook niet in het midden kon laten wat in casu onder de pensioenovereenkomst moet worden verstaan, zodat voor partijen en de hogere rechter onduidelijk blijft of een dergelijk beding als bedoeld in artikel 19 PW daarin is opgenomen. Het hof miskent aldus dat, nu een beding als bedoeld in art. 19 PW in de pensioenovereenkomst dient te staan het hof had moeten vaststellen wat die pensioenovereenkomst in casu was. Dat betekent dus — nu het hof in het midden laat of het beding (artikel 10 van de arbeidsovereenkomst) in de pensioenovereenkomst is opgenomen, dat in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag ervan moet worden uitgegaan dat dit niet het geval is en dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst niet als een beding ex artikel 19 PW moet worden beschouwd, maar als een beding ex artikel 7:613 BW in een andere overeenkomst, te weten de arbeidsovereenkomst, hetgeen, anders dan het hof in rov 3.4 sub v niet (ook) kan aanmerken als beding als bedoeld in artikel 19 PW, zodat het oordeel in rov 3.4 rechtens onjuist is dat het hof de eenzijdige wijziging van de pensioenregeling daarop kon en mocht baseren.
2.1-Ig
Het hof treedt in rov. 3.4 bovendien buiten het debat van partijen nu het hof oordeelt in rov 3.4 sub v:
‘(…). In het onderhavige geval bevat artikel 25 Pensioenreglement 2014, waar [verweerders] c.s. zich op beroepen, een aantal standaard bedingen die naar het oordeel van het hof alle zijn gebaseerd op de in artikel 12 PW geregelde bevoegdheid van AFM zich bij het sluiten of bij een wijziging van de pensioenovereenkomst het recht voor te behouden de premiebetaling, voor zover deze betrekking heeft op de bijdrage van AFM, te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden. Van een beding als bedoeld in artikel 19 PW is dus geen sprake.’
Het hof miskent aldus oordelend het door beide partijen ingenomen standpunt dat art. 25 Pensioenreglement wél een wijzigingsbeding als bedoeld in art. 19 PW behelst maar de wijziging die AFM wenst door te voeren daar niet onder valt.31. Beide partijen hebben dus dezelfde uitleg aan art. 25 Pensioenreglement gegeven, namelijk dat het een eenzijdig wijzigingsbeding betreft in de zin van art. 19 PW. Waar partijen wel over mening van verschilden is de impact van dit beding: de AFM heeft betoogd dat het beding het beroep op het wijzigingsbeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst niet uitsluit.32. [verweerders] c.s. hebben het tegendeel betoogd.33. Met de uitleg die het Hof aan art. 25 Pensioenreglement heeft gegeven (namelijk dat dit geen wijzigingsbeding in de zin van art. 19 PW betreft), is het Hof voorbij gegaan aan de eensluidende uitleg die partijen aan het beding hebben gegeven, hetgeen niet is geoorloofd (vgl. HR 1 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD6100 rov. 3.4, zie bijv. ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/377).
2.1-Ih
Voorts is ook de uitleg van het Hof dat alle bepalingen van art. 25 Pensioenreglement zijn gebaseerd op art. 12 PW onbegrijpelijk. Immers, artikel 12 PW ziet op een betalingsvoorbehoud en gebruikmaking van het betalingsvoorbehoud houdt niet in dat de pensioenovereenkomst als zodanig gewijzigd wordt ten aanzien van de premie.34. Alleen art. 25 lid 5 Pensioenreglement lijkt geënt te zijn op art. 12 PW nu dat spreekt van gebruikmaking van het recht om premiebetaling te verminderen of te beëindigen in geval van ingrijpende wijziging van omstandigheden zoals bepaald in artikel 12 PW'. Het Hof heeft niet nader onderbouwd waarom hij van oordeel is dat bijvoorbeeld art. 25 lid 1 Pensioenreglement gebaseerd zou zijn op art. 12 PW. Gezien het standpunt van beide partijen (art. 25 Pensioenreglement betreft een wijzigingsbeding in de zin van art. 19 PW) en de redactie van art. 25 Pensioenreglement is het oordeel van het Hof dat art. 25 Pensioenreglement geheel op art. 12 PW is gebaseerd, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
2.1-II
Het slagen van één of meer van de klachten van onderdeel 2.1-I betekent per saldo dat er geen sprake is van een geldig eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 19 PW, zodat het hof ten onrechte in rovv 3.6 t/m 3.14 en het dictum de door AFM voorgestelde eenzijdige wijziging van de pensioenregeling toepasselijk aan de maatstaf van artikel 19 PW en/of art. 7:613 BW toetst en deze overwegingen dus evenmin in stand kunnen blijven.
Onjuiste maatstaf eenzijdig wijzigingsbeding; 843 a Rv
2.2
Dit onderdeel is gericht tegen rovv. 2.10, 3.4, 3.7 t/m 3.14 en het dictum, waarin het hof het eerste gedeelte van grief 2 en het artikel 843a Rv-verzoek afwijst en van oordeel is dat voor de aldus resterende eenzijdige wijziging (dus voor de eenzijdige wijziging voor zover het hof die in stand laat) een voldoende zwaarwichtig belang bij AFM is dat [verweerders] c.s. die wijziging tegen zich hebben te laten gelden.
In deze rovv'en geeft het hof hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
2.2-I
Het hof citeert in rov 3.7 in het kader van de behandelen maatstaf eerst de Fair-Play uitspraak35., maar past die vervolgens niet, althans onjuist toe nu het daaraan vervolgens toevoegt (vet en onderstreept door mij-HJWA):
‘3.7
(…) Op basis van vaste jurisprudentie voegt het hof daar aan toe dat het in het onderhavige geval gaat om een afweging van de belangen van de werkgever hij wijziging van de pensioenregeling, tegenover de belangen van de werknemers die door de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst worden geraakt. Het ligt op de weg van AFM een zwaarwichtig belang aan te voeren alsmede aannemelijk te maken dat het belang van de deelnemers, dat door de eenzijdige wijziging van de pensioenovereenkomst zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dient te wijken, zonder toepassing van de ‘onaanvaardbaarheidstoets’, die volgens [verweerders] c.s. zou moeten worden toegepast doch door AFM is weersproken.’
Zie aldus ook rov 3.4:
‘De conclusie is dat de eerste grief faalt en dat artikel 10 van de arbeidsovereenkomst AFM de bevoegdheid geeft om de pensioenovereenkomst eenzijdig te wijzigen, als bedoeld in artikel 7:613 BW, mits er sprake is van een zodanig zwaarwichtig belang van AFM dat het belang van de werknemers dat door de wijziging zou worden geschaad daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.’
En op gelijke wijze in rov 3.8 waar het overweegt:
‘3.8
Naar het oordeel van het hof moet bij de beoordeling van het zwaarwichtig belang van AFM bij het verlagen van zijn pensioenlast in toekomstige begrotingen tot 25% van de ongemaximeerde loonsom en het daar tegenover staande belang van de werknemers worden beoordeeld(1) wat de impact is van wijzigingen die van invloed zijn op alle ongebouwde pensioenaanspraken van de werknemers tin de PW gedefinieerd als deelnemers) en gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden en (2) wat de impact is van de wijziging van de pensioenovereenkomst op de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers. Het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst geldt naar het oordeel van het hof niet per definitie voor wijzigingen die ook gelden voor gewezen deelnemers en gepensioneerden.’
Alsmede de daarop voortbouwende rovv. 3.9 t/m 3.14 en het dictum, in het bijzonder ook rov. 3.12 waar het hof oordeelt (vet en onderstreept door mij-HJWA):
‘(…) Nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] c.s. (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over zijn tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, acht het hof voldoende reden om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld. Het hof komt op basis van alle over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging. De door [verweerders] c.s. aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat [verweerders] c.s. niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hem van toepassing zou moeten zijn.’
Het hof gaat aldus telkens hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting uit door een collectieve afweging te maken tussen het belang van de AFM en ‘de werknemers’ in plaats van een individuele afweging, hetzij is het oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Ter toelichting en nadere uitwerking diene het navolgende.
2.2-Ia
Het hof maakt echter blijkens de hierboven aangevallen rechtsoverwegingen en in het bijzonder eerst een collectieve afweging, waarna het pas helemaal aan het einde (ook wel aangeduid hierna als rov 3.12 sub v onder iii) nog ‘de door [verweerders] c.s. aangevoerde individuele nadelen van onvoldoende gewicht acht’ om daar iets aan af te doen, waarbij het de zin daarvoor (rov 3.12 sub ii) met zoveel woorden overweegt dat ‘de belangen van de weknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij wijziging’.
Het hof heeft, aldus oordelend, miskend dat de afweging van art. 7:613 BW (voor zover van toepassing) en 19 PW, niet een in beginsel collectieve afweging is, waarbij de individuele belangen van de werknemer slechts in uitzonderlijke gevallen tot een afwijking kunnen leiden van de collectieve afweging (een soort tweetrapsraket dus), maar dat de afweging of het door art. 7:613 BW/19 PW vereiste zwaarwichtig belang steeds een concrete individuele afweging van de individuele belangen van de individuele werknemer tegen de belangen van de werkgever vergt, zodat het Hof van begin af aan op basis van de concrete impact van de wijziging voor [verweerders] c.s. zijn afweging had moeten maken, zeker nu [verweerders] c.s. de impact op hen persoonlijk in rechte hebben toegelicht.36.
Het gaat dus om een afweging tussen het belang van de AFM als werkgever om ten aanzien van deze werknemers ([verweerder 1], resp. [verweerder 2] en [verweerder 3]) de eenzijdige wijziging door te voeren en het belang van deze bewuste werknemer op onverminderde nakoming van de oorspronkelijke overeenkomst.37. Dit volgt uit het door het hof aangehaalde, maar vervolgens onjuist toegepaste Fair Play arrest38. (onderstreept door mij-HJWA):
‘3.1.2
Volgens art. 7:613 BW kan de werkgever slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij die wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Uit de parlementaire geschiedenis bij deze bepaling volgt dat uitgangspunt is dat de arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig door toepassing van een wijzigingsbeding kunnen worden gewijzigd en dat dit alleen anders is, als is voldaan aan de vereisten van art. 7:613 BW. Het doel van deze bepaling is om aan werknemers een adequaat niveau van bescherming tegen eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden te bieden, maar gelijktijdig rekening te houden met het belang van werkgevers om arbeidsvoorwaarden te kunnen ordenen.39.
3.1.3
De hiervoor in 3.1.2 aangehaalde tekst en strekking van art. 7:613 BW brengen mee dat wanneer de werkgever zich beroept op een eenzijdig wijzigingsbeding, de rechter — met inachtneming van alle omstandigheden van het geval — moet beoordelen of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Het gaat bij de toepassing van art. 7:613 BW dus om een belangenafweging, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen. Bij deze belangenafweging wordt het in het gegeven geval voor het doorvoeren van de wijziging vereiste gewicht van de belangen van de werkgever mede bepaald door het gewicht van de belangen van de werknemer die daartegenover staan.’
Indien het hof dat niet heeft miskend heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.2-Ib-
- i.
Het hof had gelet op het in onderdeel 2.2-Ia genoemde maatstaf, maar ook los daarvan, langs de lijnen van art 149 en 150 Rv (voldoende) moeten vaststellen wat de exacte nadelen voor [verweerders] c.s. zijn40. en — indien het zich daartoe onvoldoende voorgelicht acht, zo nodig — daartoe een deskundige moeten inschakelen. Dit heeft het in de aangevallen uitspraak en in het bijzonder in rov. 3.12 miskend.
Uit de zaak [naam 1] & [naam 2]41. volgt dat wanneer een partij — in dat geval een werkgever — zich op een rechtsgevolg beroept (in casu is dat een zwaarwichtig belang waarvoor het belang van de werknemer moet wijken) hij die rechtsfeiten en omstandigheden moet stellen en bij betwisting bewijzen waaruit dat rechtsgevolg (het aannemelijk worden van) een zwaarwegend belang van AFM kan worden afgeleid.
Dat betekent dat, AFM de feiten waarop zij haar zwaarwichtig belang baseert is gebaseerd moet stellen en bij betwisting bewijzen.
Dat betekent dus dat AFM niet — uitsluitend — kan volstaan met te stellen wat zij met de huidige regeling bespaart c.q. aan toekomstige risico's vermijdt (zie hierna onderdeel 2.2-III rov. 3.12 m t/m t42. waar het hof die stellingen overneemt), maar dat het tevens moet stellen (en bij betwisting bewijzen) wat het voor [verweerders] c.s. op individueel niveau betekent, alsmede dat dit belang volgens de zeer terughoudende maatstaf voor eenzijdige wijziging desalniettemin moet wijken voor dat van AFM.
- ii.
Maar ook indien en voor zover er enige stelplicht en bewijslast op [verweerder 1] rust ter zake van de gevolgen, dan hebben [verweerders] c.s. met het hierboven in rnrs 1.3 — 1.5 met vindplaatsen aangehaalde, voldoende gesteld om tot bewijs toegelaten te worden conform het bewijsaanbod in de MvG rnr 239 waarna het alsnog had moeten vaststellen wat het nadeel voor [verweerders] c.s. was. Het hof laat dit bewijsaanbod ten onrechte onbesproken.
- iii.
Dat (sub i en ii) betekent voorts dat het hof binnen het bestek van artikel 149 (en 150) de rechtsfeiten had moeten beoordelen en zo mogelijk moeten vaststellen wat de gevolgen voor [verweerders] c.s. op individueel niveau zijn. Daarvan is echter in rovv. 3.6 t/m 3.12 niet, althans onvoldoende sprake. In het bijzonder geeft het hof daarvan niet blijk in de afweging in rov. 3.12, waar het — als gezegd — wel de voordelen van de nieuwe regeling voor AFM schetst (rov. 3.12 m t/m t43.), maar vervolgens sub 1. overweegt:
‘Of de resterende risicoverschuiving gemeten over een langere periode nadelig is voor de werknemer (en na uitdiensttreding gewezen deelnemer en gepensioneerde) hangt af van de hoogte en looptijd van de vaste premie, de daarmee in te kopen pensioenambitie, de daarin begrepen risico-opslag en opslag voor toeslagverlening tijdens het dienstverband, uitvoeringskosten en andere te financieren kosten voor de toekomstige opbouw.’
waarna het sub u oordeelt
‘Nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] c.s. (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over zijn tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, acht het hof voldoende reden om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld.’
en dan sub v tot de navolgende afweging komt dat:
‘Het hof komt op basis van alle over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat
- i.
bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat
- ii.
de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging.
- iii.
De door [verweerders] c.s. aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat
- iv.
[verweerders] c.s. niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hen van toepassing zou moeten zijn.’
- iv.
Het hof laat dus na vast te stellen wat het individuele nadeel voor [verweerder 1] [verweerder 2] en [verweerder 3] is. Het oordeelt slechts ‘dat de individuele nadelen van onvoldoende gewicht zijn’ zonder exact vast te stellen wat die ‘individuele nadelen’ nu precies zijn.
Eerst wanneer de gevolgen helder in kaart zijn gebracht (en zijn vastgesteld) kan het belang van AFM tegen dat van [verweerders] c.s. worden afgewogen. Het hof heeft dat in rov. 3.12 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
- v.
Dit oordeel is naast rechtens onjuist bovendien onbegrijpelijk nu uit hetgeen hierboven sub 1.1 t/m 1.5 met vindplaatsen is aangehaald blijkt dat er sprake is van een absolute wanverhouding tussen het belang van AFM en dat van [verweerders] c.s.
Het hof laat aldus onbesproken hetgeen [verweerders] c.s. daarover hebben gesteld44., waaruit blijkt dat die gevolgen zeer ernstig en bovendien meerledig zijn, nu zij 50% meer premie moeten gaan betalen en uiteindelijk een aanzienlijk lagere jaarlijkse uitkering tegemoet kan zien dan onder de oude regeling. Daarnaast wordt er ook te weinig premie betaald45. en wordt de indexatie voorwaardelijk gemaakt, zodat het aannemelijk is dat die voorwaardelijke indexatie niet betaald kan worden omdat daarvoor te weinig in kas is.
- vi.
Dit oordeel is temeer onbegrijpelijk nu het blijkens rov 3.12 sub s in samenhang met rov 3.12 sub u kennelijk uitgaat van de algemene berekening van Mercer, waarbij het dan ook nog onbegrijpelijkerwijs in rov 3.12 sub t oordeelt dat [verweerders] c.s. ‘hierdoor niet worden geraakt’. Met dat laatste miskent het betoog in de MvG 134 t/m 148 en specifiek MvG 141, 142 en 147, waar nu juist wordt gesteld en onderbouwd dat ook [verweerders] c.s. vanwege de gedempte premie worden gekort en niet alleen de gewezen deelnemers en de gepensioneerden.
2.2-Ic
Het hof had daarnaast moeten vaststellen wat het belang van AFM is om de pensioenovereenkomsten van [verweerders] c.s. eenzijdig te wijzigen en had vervolgens moeten beoordelen of dat belang van de AFM bij wijziging van de te wijzigen arbeidsvoorwaarde[n], ten opzichte van het belang van deze werknemers bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde[n], zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van AFM. Het hof toetst echter blijkens in dit onderdeel aangevallen rovv'n en in het bijzonder in rov. 3.12 de totale regeling op macroniveau en zet het belang van AFM tegenover het belang van alle werknemers gezamenlijk. Naar de aard zijn echter de belangen van verschillende werknemers ook verschillend, zoals blijkt uit het feit dat werknemers van AFM wat arbeidsvoorwaarden vóór de invoering van de Pensioenregeling 2016 substantieel onder de mediaan zaten, hetgeen volgens het bestuur (slechts) voor een deel wordt gerechtvaardigd omdat het om een organisatie met een maatschappelijke functie gaat.46.
In dat verband is bovendien onbegrijpelijk — zeker zonder nadere motivering — dat het hof in rov 3.12 (in 2.2-III aangeduid sub d) een nog verdere verslechtering gerechtvaardigd acht, andermaal gelet op die publieke functie. Het hof miskent daarbij, althans laat onbesproken dat AFM [verweerders] c.s. al substantieel slechter betaalde dan de mediaan.
2.2-Id
[verweerders] c.s. zijn primair van mening dat die toetsing zoals in 2.2-Ic verwoord ook ten aanzien van de AFM op individueel niveau dient plaats te vinden. Niet de totale besparingen bij de door te voeren maatregel tegenover de schade die [verweerder 1] door die maatregel leiden moeten worden beoordeeld, maar (uitsluitend) die op individueel niveau ten aanzien van [verweerders] c.s. worden gerealiseerd. Het hof heeft dat in rov. 3.12 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Dit klemt temeer daar naar eigen zeggen van AFM vrijwel alle werknemers hebben ingestemd met de nieuwe regeling.47. Daarin ligt besloten dat de door AFM gewenste besparingen voor (al) die werknemers al worden gerealiseerd, hetgeen ook in appel ter zitting door het hof nog aan de orde is gebracht, waarbij AFM heeft bevestigd dat in beginsel de andere werknemers geen beroep kunnen doen op de uitkomst van deze zaak.48. Doordat naar eigen zeggen van AFM49. het overgrote deel van de werknemers akkoord is gegaan is er immers ten aanzien van die werknemers geen sprake van een eenzijdige wijziging maar van een nadere overeenkomst, waarbij de pensioenregeling voor die werknemers is gewijzigd.50.
Niet alleen had het hof de toetsing dus op individueel niveau moeten verrichten (belang van AFM bij de besparing op [verweerders] c.s., tegenover de nadelen die [verweerders] c.s. daaromtrent ondervinden) in plaats van op collectief niveau, maar daarnaast is dit (de onderhavige zaak verandert niets in de rechtsverhouding met de overige werknemers) ook een relevant gezichtspunt dat het hof bij de beoordeling had moeten worden meegenomen.
2.2-Ie
Subsidiair, indien het belang van AFM wèl op collectief niveau te worden bekeken, dan nog miskent het hof in rov 3.12 door dat collectieve belang van AFM af te zetten tegen het collectieve belang van de werknemers dat andere werknemers dan [verweerders] c.s. niet bij de onderhavige procedure zijn betrokken en dat in elk geval voor de toetsing ten aanzien van artikel 7:613 BW/art. 19 PW het belang van AFM tegenover dat van [verweerders] c.s. moet worden afgewogen en niet ten aanzien van alle werknemers.
Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.2-II
Het hof oordeelt in rov 3.13:
‘3.13
Het voorgaande brengt met zich dat het hof de incidentele vordering op de voet van artikel 843a Rv zal afwijzen, enerzijds omdat het hof zich voldoende geïnformeerd acht en anderzijds omdat de gevraagde informatie naar het oordeel van het hof als bijlage II is aangehecht aan het pensioenakkoord.’
Het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en daarnaast is dit oordeel niet toereikend gemotiveerd om navolgende redenen.
2.2-IIa
Allereerst miskent het hof artt. 24 en 149 Rv en treedt buiten het debat van partijen en maakt zich schuldig aan een verboden aanvulling van de feiten door te oordelen dat ‘de gevraagde informatie naar het oordeel van het hof als bijlage II is aangehecht aan het pensioenakkoord’. Dit is door geen der partijen aangevoerd. De reacties zijdens AFM op dit incident zijn te vinden in de MvA rnrs. 38 en 39, en een verwijzing daarnaar in de pleitnota rnr. 14. Daarin wordt niet betoogd dat de gevraagde informatie in bijlage II te vinden zou zijn.
2.2-IIb
Daarnaast is het oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, nu niet duidelijk is waarop het hof nu precies het oog heeft met de aanduiding van ‘de gevraagde informatie’, nu (1) de verzochte aanvangshaalbaarheidstoets niet was aangehecht als bijlage II aan het pensioenakkoord, (2) dit stuk ook overigens niet in de procedure is overgelegd en dus ter kennis van het hof is gekomen en (3) het hof dus bij gebreke van kennis van de inhoud van de gevraagde aanvangshaalbaarheidstoets ook niet kan oordelen dat ‘de gevraagde informatie’ is aangehecht aan het pensioenakkoord.
2.2-IIc
Voorts gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting door een verzoek ex artikel 843a Rv af te wijzen omdat het zich voldoende geïnformeerd acht. Het hof miskent aldus dat het er immers om gaat of [verweerders] c.s. een rechtmatig belang hebben bij de gevraagde bescheiden, dus in dit geval als onderbouwing van zijn betwisting dat AFM een zwaarwichtige reden heeft voor eenzijdige wijziging. In dat kader hebben [verweerders] c.s. met het in het geding brengen van de aanvangshaalbaarheidstoets immers beoogd om aan te tonen dat de combinatie van een financieel zwak pensioenfonds met een (te) lage premie tot uitholling van de pensioenen van [verweerders] c.s. en zijn collega [betrokkene 1] zal leiden.51.
Hij heeft daartoe in rnr 94–102 MvG gesteld dat deze informatie noodzakelijk is bij de toets ex artikel 7:613 BW (MvG rnr. 100), zodat hij een rechtmatig belang heeft (MvG rnr. 95) en dat ook een te benoemen deskundige over die informatie dient te beschikken (MvG rnr. 102). Het hof laat die stellingen ten onrechte onbesproken en gaat aldus hetzij uit van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij heeft het zijn oordeel onvoldoende toereikend gemotiveerd.
2.2-IId
Indien en voor zover het oordeel dat het hof zich voldoende voorgelicht acht uitsluitend ziet op het in de MvG rnrs 102 en 103 subsidiair gedane beroep op art. 22 Rv, dan heeft het hof onvoldoende onderbouwd waarom het ook het verzoek ex artikel 843a Rv afwijst. Indien de uitspraak aldus moet worden begrepen dat dit stuk of die informatie is aangehecht als bijlage II aan het pensioenakkoord en dat daarom [verweerders] c.s. naar het oordeel van het hof geen belang hebben is dit oordeel onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd gelet op het hiervoor in onderdeel 2.2-IIb gestelde.
2.2-IIe
Althans is in elk geval zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd het oordeel dat ‘het voorgaande’ meebrengt dat de incidentele vordering ex artikel 843a Rv wordt afgewezen. Rov. 3.13 staat immers op p. 23 van het arrest en zonder nadere toelichting valt niet na te gaan op welke van de daaraan voorafgaande rechtsoverwegingen op die 23 pagina's het hof het oog heeft gehad.
De belangenafweging (het niet- slagende deel van grief 2)
2.2-III
Het hof oordeelt in rov 3.12 dat het onderdeel van de tweede grief gericht tegen de wijziging van de pensioenovereenkomst niet slaagt en overweegt daartoe (letters en kleine Romeinse cijfers door mij-HJWA):
- ‘a.
Het hof volgt AFM dat zij er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met de werknemers zou worden aangepast om de door het Ministerie van Financiën geëiste toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling te bewerkstelligen.
- b.
Autonome effecten zoals de ontwikkeling van de rente of nieuwe sterftetafels leidden onder de werkingssfeer van eerdere pensioenovereenkomsten en de ter uitvoering daarvan gesloten uitvoeringsovereenkomsten tot verhogingen van de ex ante verwachte pensioenlasten in de begroting voor de jaarlijkse opbouw en de onvoorwaardelijke indexatie en vaak tot onverwachte ex post afwijkingen daarvan in het gerealiseerde resultaat.
- c.
Het hof is tevens van oordeel dat de Pensioenovereenkomst 2014 niet meer vergelijkbaar was met de pensioenregelingen van de instellingen waarop AFM toezicht houdt en de pensioenregeling van mede toezichthouder DNB. Deze negatieve ontwikkeling was al sinds in ieder geval 2011 onderwerp van kritiek van het Ministerie van Financiën en zou ook blijkens de brief van 27 augustus 2015 kunnen leiden tot het onthouden van goedkeuring vooraf aan de begroting van AFM voor 2016, respectievelijk het onthouden van goedkeuring achteraf aan het doorbelasten van een negatief exploitatiesaldo, bij overschrijding van de begroting in 2016 en volgende jaren, aan de onder toezicht staande instellingen.
- d.
Het hof hecht ook waarde aan het feit dat AFM als toezichthouder een publieke taak heeft die bekostigd wordt door de instellingen waarop zij toezicht houdt. Op grond van de aanwijzing van het Ministerie van Financiën zou de begroting jaarlijks kostendekkend moeten zijn en was goedkeuring voor doorbelasting van overschrijdingen als gevolg van blijvend volatiele pensioenverplichtingen onaannemelijk.
- e.
Als AFM geen maatregelen zou nemen om het kostenniveau van de Pensioenovereenkomst 2016 en de ter uitvoering daarvan gesloten Uitvoeringsovereenkomst 2016 terug te dringen dreigden financiële problemen en zou de naleving van de aanwijzing van het Ministerie van Financiën in gevaar komen.
- f.
Alle feiten en omstandigheden — zoals ook de wettelijk vereiste instemming door de OR — maken onderdeel uit van de belangenafweging op grond waarvan moet worden beoordeeld of AFM gebruik kan maken van een eenzijdig wijzigingsbeding.
- g.
Zoals ook de kantonrechter oordeelde, volgt het bestaan van het zwaarwichtig belang niet reeds enkel uit de instemming van de OR, maar die instemming speelt wel, ook voor het hof, een rol bij de toetsing van de aanwezigheid van een zwaarwichtig belang en de vraag of sprake is van een overgang naar een meer marktconforme pensioenregeling. AFM en DNB zijn zeker niet de eerste ondernemingen die (de financiering van) hun pensioenuitkeringsovereenkomst ter discussie stellen vanwege de volatiliteit van de daarmee samenhangende financiële verplichtingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire problemen bij het beheersen van de kosten en de onzekerheden als gevolg van de prudentiële toezichtwetgeving met betrekking tot de berekening van de aan te houden voorzieningen en de (minimaal) aan te houden buffers.
- h.
In plaats van uit te gaan van de in de toekomst te financieren ambitie inzake het te bereiken pensioen als (lager) percentage van het gemiddelde loon (middelloon uitkeringsovereenkomst) wordt daarbij vaak een door de werkgever voor alle deelnemers gezamenlijk ter beschikking te stellen premie als uitgangspunt genomen (Collectieve Beschikbare Premie met de Engelse afkorting CDC van Collective Defined Contribution). De hoogte van de jaarlijkse aangroei van de pensioenaanspraken wordt daarmee afhankelijk van wat uit de beschikbare premie kan worden gefinancierd.
- i.
Hoewel niet in alle gevallen zonder meer uit een pensioenovereenkomst blijkt dat sprake is van een CDC-gefinancierde premiepensioenregeling, blijkt uit notities van Montae, de adviseur van AFM, en TW, de adviseur van de OR, dat genoemde onder toezicht staande instellingen en de andere toezichthouder DNB allemaal een CDC-gefinancierde premieregeling hebben ingevoerd.
- j.
De stelling van [verweerders] c.s. dat met deze overgang (nagenoeg) alle risico's van de pensioenregeling worden overgeheveld van AFM naar de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden is op zich juist, maar geen reden om te twijfelen aan de marktconformiteit.
- k.
Bovendien leidt het oordeel van het hof in 3.6 tot en met 3.11 al tot een aanzienlijke reductie van die verschuiving van de risico's inzake de tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken.
- l.
Of de resterende risicoverschuiving gemeten over een langere periode nadelig is voor de werknemer (en na uitdiensttreding gewezen deelnemer en gepensioneerde) hangt af van de hoogte en looptijd van de vaste premie, de daarmee in te kopen pensioenambitie, de daarin begrepen risico-opslag en opslag voor toeslagverlening tijdens het dienstverband, uitvoeringskosten en andere te financieren kosten voor de toekomstige opbouw.
- m.
Dezelfde argumenten om een middelloon uitkeringsovereenkomst te vervangen door een CDC-gefinancierde premieregeling gebruiken werkgevers bij hun streven om de onvoorwaardelijke toeslagregeling voor opgebouwde pensioenaanspraken van hun nog actieve deelnemers af te schaffen en te vervangen door voorwaardelijke, uit de beschikbare premie, of uit overrendement, of uit de reserves van een pensioenfonds te financieren toeslagen.
- n.
Ook hier geldt dat het per 1 januari 2015 ingevoerde nFTK een groot opwaarts effect had op de jaarlijkse financiering van de onvoorwaardelijke toeslagen. Hoewel de voorwaardelijke toeslagverlening voor gewezen deelnemers en gepensioneerden in deze procedure niet ter discussie is gesteld door [verweerders] c.s. (maar wel door TW gesignaleerd), staat wel vast dat door steeds stringentere regels voor voorwaardelijke toeslagverlening er ook een groot verschil tussen onvoorwaardelijke toeslagverlening (veelal op basis van loonindex) voor actieven en voorwaardelijke toeslagverlening (op basis van prijsindex) voor inactieven is ontstaan.
- o.
Volgens de prognose van Mercer van 11 december 2015 zullen de kosten voor toekomstige pensioenopbouw bij een ongewijzigde pensioenregeling in de jaren 2015 tot en met 2024 stijgen van 25,3% naar 31% van de ongemaximeerde loonsom.
- p.
Het hof trekt daaruit de conclusie dat een streven van AFM naar beperking van de toekomstige pensioenkosten niet onlogisch is, maar stelt tegelijkertijd vast dat het maximeren van de premie op 25% van de ongemaximeerde loonsom wel een zeer grote verlaging (20%) inhoudt van de arbeidsvoorwaarde pensioen. Zonder rekening te houden met de in 3.6 tot en met 3.11 genoemde verplichtingen, berekent Mercer voor 1,875% opbouw ouderdomspensioen met 70% nabestaandenpensioen en voorwaardelijke indexatie van na 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken een gemiddelde premie over 15 jaar ter grootte van 25,1% van de loonsom.
- q.
Die berekening van Mercer vormt naar het oordeel van het hof, rekening houdend met hetgeen hiervoor onder 3.6 tot en met 3.10 is overwogen, een voldoende onderbouwing voor het voorstel van AFM voor een vaste premie van 25% van de loonsom, ook al is dan bij aanvang sprake van een negatieve risicomarge van 0,4% (25 beschikbaar/25,1 ex ante benodigd).
- r.
Het hof leidt uit alle informatie af dat AFM en pensioenfonds AFM (Mercer) mogelijke complicaties als gevolg van de negatieve risicomarge hebben proberen te voorkomen door in het definitieve voorstel aan de OR van 25 november 2015 over te stappen van aanwending van de beschikbare premie op basis van de zuivere kostendekkende premie naar aanwending op basis van een gedempte kostendekkende premie.
- s.
Daarbij kiest AFM voor demping op basis van portefeuillerendement. Het effect van hanteren van de gedempte kostendekkende premie is volgens de ALM-studie van Mercer dat van de beschikbare premie van 25% van de loonsom over een periode van 15 jaar gemiddeld 22% wordt ingezet voor de inkoop van pensioenaanspraken en gemiddeld 2,7% van de loonsom kan worden toegevoegd aan een opbouw- en indexatiebuffer. De kans op verlaging van de opbouw gedurende 15 jaar, als gevolg van lagere rendementen dan ingerekend, is 29,6%, wat leidt tot een gemiddelde verlaging van de opbouw gedurende 15 jaar van 4,4% en een gemiddeld opbouwpercentage van 1,793%. Daartegenover staat dat gemiddeld over een periode van 15 jaar een verlies wordt geprognosticeerd ten laste van alle (gewezen) deelnemers en gepensioneerden ter grootte van 25,1% — 22% = 3,1% van de loonsom per jaar. En die rekensom van Mercer gaat er van uit dat de gemiddelde koopsom van 1,9% van de loonsom voor de gegarandeerde inkoop van 1,5% loonindex gedurende 10 jaar kostendekkend is.
- t.
AFM bevestigt zelf dat niet [verweerders] c.s. hierdoor wordt geraakt maar de gewezen deelnemers en gepensioneerden (en overigens ook [verweerders] c.s. voor wat betreft hun tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken).
- u.
Nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] c.s. (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over zijn tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, acht het hof voldoende reden om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld.
- v.
Het hof komt op basis van alle over en weer aangevoerde feiten en omstandigheden tot het oordeel dat
- i.
bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat
- ii.
de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging.
- iii.
De door [verweerders] c.s. aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat
- iv.
[verweerders] c.s. niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hem van toepassing zou moeten zijn.’
2.2-IIIa
Het hof gaat aldus oordelend in rov. 3.12 sub a t/m v allereerst uit van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de toepassing van artikel 7:613 BW52./19 PW doordat:
- (0)
het hof de Fair Play uitspraak wel noemt maar die niet toepast, maar in plaats daarvan de totale wijziging afzet tegen het belang van alle werknemers; verwezen wordt naar onderdeel 2.2-I.
- (1)
kennelijk als gevolg van klacht (0), maar ook overigens blijkens overweging v. sub iii het hof het belang van [verweerders] c.s. de aard en omvang van dat belang niet vaststelt en dus ook niet, althans onvoldoende meeweegt (zie ook onderdeel 2.2-Ib);
- (2)
het hof blijkens overweging v. sub iii het individuele belang van [verweerders] c.s. in aard en omvang niet vaststelt en vervolgens blijkens overweging v sub ii een collectieve afweging maakt (zie onderdeel 2.2-I);
- (3)
er geen sprake was en is van een marktconforme pensioentoezegging en ook overigens miskent het hof de wanverhouding tussen het belang van AFM en dat van [verweerders] c.s.;
Ad (1) het hof stelt niet, althans niet (voldoende) kenbaar individueel vast wat het belang c.q. het nadeel van [verweerders] c.s. is
2.2-IIIa 1
Zoals in onderdeel 2.2-Ib al uiteen is gezet laat het hof na om (voldoende kenbaar) vast te stellen wat het nadeel op individueel niveau voor [verweerders] c.s. is en gaat daarbij voorbij aan het feit dat dit — uitgaande van de door AFM zelf aangeleverde gegevens reeds aanzienlijk is.53. Het hof gaat aldus van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van 7:613 BW54./19 PW, althans is het oordeel in rov 3.12 onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op het volgende.
Zoals [verweerders] c.s. hierboven reeds in randnummers 1.3 t/m 1.5 met verwijzingen hebben gesteld blijkt uit de berekening van AFM ter zake van [verweerder 1] dat hij — op datum pensioeningang — in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis € 10.211, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 11.204, — per jaar en in een scenario ‘slecht weer’ om € 12.007, — per jaar. Uit de berekening van [verweerder 2] blijkt dat hij — op datum pensioeningang — in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis€ 10.411, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 11.079, — en in een scenario ‘slecht weer’ om € 11.140, — per jaar. Uit de berekening van [verweerder 3] blijkt dat hij — op datum pensioeningang — in Pensioenregeling 2016 bij een scenario van ‘goed weer’ op jaarbasis € 6.432, — erop achteruitgaat in vergelijking met Pensioenregeling 2014. Bij een scenario van ‘gemiddeld’ gaat het om € 7.033, — en in een scenario ‘slecht weer’ om € 7.288, — per jaar55..
Wanneer deze jaarbedragen op de pensioendatum contant worden gemaakt op basis van de huidige levensverwachting, moeten ze met circa factor 20 worden vermenigvuldigd. Het gaat dan bij [verweerder 1] om € 204.220, — bij ‘goed weer’, € 224.080, — bij ‘gemiddeld ’ en € 240.140, — bij ‘slecht weer’. Bij [verweerder 2] gaat het om€ 208.220, — bij ‘goed weer’, bij ‘gemiddeld’€ 221.580, — en € 222.800, — bij ‘slecht weer ’. Bij [verweerder 3] gaat het om € 128.640, — bij ‘goed weer’, bij ‘gemiddeld’ € 140.660, — en € 145.760, — bij ‘slecht weer’. Indien de levensverwachting tussen nu en het moment dat [verweerders] c.s. met pensioen gaat stijgt — en dat is conform verwachting — zullen deze bedragen nog substantieel hoger worden.56.
Daarnaast krijgt het pensioenfonds structureel te weinig premie, zodat de voorwaardelijk gemaakte indexatie illusoir wordt.57. Het betreft dus niet alleen een forse verslechtering van de uiteindelijke pensioenaanspraak, waarbij de risico's volledig bij [verweerders] c.s. als deelnemers/werknemers worden gelegd, maar ook per saldo tot een stijging van de maandlasten en daardoor per saldo daling van het salaris. Zie verder hierboven 1.4 en de verwijzing naar het stuk van Pensioen Perspectief, waaruit blijkt dat het nadeel voor [verweerders] c.s. veel groter kan zijn dan tot nu toe is verondersteld. De gevolgen zijn dan ook dramatisch te noemen.
Het is dan ook rechtens onjuist, dan wel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd om een belangenafweging in het kader van een eenzijdige wijziging van een pensioenovereenkomst te doen zonder het belang van de werknemer wiens pensioenovereenkomst wordt gewijzigd deugdelijk vast te stellen. Het hof heeft dat hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
Althans is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, gelet op voormelde zeer ernstige gevolgen voor [verweerders] c.s. dat het hof in rov 3.12 grief 2 gedeeltelijk niet slaagt en dat een zwaarwichtig belang wordt aangenomen
Ad (2) instemming van de OR; hardheidsclausule?
2.2-IIIa 2
Het hof oordeelt in:
- —
rov 3.12 sub g dat het bestaan van het zwaarwichtig belang niet reeds enkel uit de instemming van de OR volgt, maar die instemming wel voor het hof, een rol speelt bij de toetsing van de aanwezigheid van een zwaarwichtig belang en de vraag of sprake is van een overgang naar een meer marktconforme pensioenregeling.
- —
rov. 3.12 sub v onder iv dat het hof het van belang acht ‘dat [verweerders] c.s. niet zouden hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hem van toepassing zou zijn’.
Dit laatste oordeel van het hof kan in redelijkheid niet anders worden begrepen dan dat de instemming van de OR bij de afweging van belangen voor het aannemen van een zwaarwichtig belang (een niet nader omschreven) gewicht ten faveure van AFM in de schaal legt, tenzij [verweerders] c.s. aantonen dat zij zich op een door de OR-bedongen hardheidsclausule kan beroepen, alsook dat er op [verweerders] c.s. een bewijslast zou rusten dat hij onder een door de OR bedongen hardheidsclausule zou vallen. Het hof getuigt hier van een onjuiste rechtsopvatting om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
Het hof getuigt hier in beide gevallen van een onjuiste rechtsopvatting (telkens) in samenhang met de overige overwegingen van rov. 3.12 om navolgende, ook in onderling verband te lezen redenen.
- Ia.
Het Hof miskent door klaarblijkelijk in rov. 3.12 sub a t/m v te oordelen dat pas dan geen zwaarwichtig belang in de zin van art. 7:613 BW voor een eenzijdige wijziging aanwezig is, wanneer een individuele werknemer kan aantonen dat die wijziging voor hem persoonlijk ‘onevenredig nadelig uitwerkt’,
- (i)
dat het niet aan de werknemer is om aan te tonen dat een wijziging voor hem onevenredig nadelig uitwerkt teneinde van die eenzijdige wijziging verschoond te blijven, maar aan de werkgever om aan te tonen dat hij een zwaarwichtig belang heeft, terwijl
- (ii)
het Hof met die beslissing bovendien miskent dat ook zonder dat van een dergelijk ‘onevenredige benadeling’ van een individuele werknemer sprake is, een zwaarwichtig belang als vereist door art. 7:613 BW/19 PW kan ontbreken, te weten steeds wanneer het belang van de werknemer bij instandhouding van de arbeidsvoorwaarde (net iets) zwaarder weegt dan het belang van de werkgever bij wijziging. Dat kan zich ook voordoen, wanneer de werknemer door de wijziging niet onevenredig wordt benadeeld.
Anders gezegd, geeft het Hof aan het einde van rov. 3.12 (sub v) blijk van een onjuiste, te ruimhartige / werkgeversvriendelijke, interpretatie van art. 7:613 BW.
- Ib.
Aldus is het ook het niet aan [verweerders] c.s. is om te stellen en bij betwisting te bewijzen dat een door de OR bedongen hardheidsclausule — zo die al zou bestaan, zie hierna subonderdeel II — op hem van toepassing zou zijn, maar dat het aan AFM is om die feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die leiden tot het door AFM ingeroepen rechtsgevolg van een zwaarwichtig belang. Het is immers AFM die stelt dat zij een zodanig zwaarwichtig belang heeft om tot eenzijdige wijziging van de Pensioenregeling 2014 over te gaan, dat het belang van [verweerders] c.s. daarvoor moet wijken.58. Dan rust niet alleen de stelplicht, maar ook krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv ook de bewijslast op AFM. [verweerders] c.s. hebben dit afdoende betwist door te wijzen op de gevolgen die het e.e.a. voor hen heeft, zoals hierboven weergegeven in rnrs 1.3 — 1.5 van deze procesinleiding. Het is dan aan AFM om te stellen en te bewijzen dat zij ten aanzien van deze regeling een zwaarwichtig belang heeft. Zie ook onderdeel 2.2-Ib. In dat verband is dus volstrekt irrelevant of [verweerders] c.s. al dan niet voldoende hebben aangetoond dat zij onder de (vermeende) hardheidsclausule vallen. Het hof miskent aldus de strenge toetsing van 19 PW (en voor zover van toepassing art. 7:613 BW), waarbij het moet gaan om een zodanig zwaarwichtig belang dat dat van [verweerders] c.s. daarvoor moet wijken. Het hof draait die maatstaf als het ware om: AFM mag eenzijdig wijzigen tenzij [verweerders] c.s. aantonen dat zij onder de hardheidsclausule vallen. Dat oordeel is rechtens onjuist, althans is het oordeel zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd.
- Ic.
Daarnaast volgt uit de Fair Play uitspraken59. dat bij een ingrijpend loon- of ander financieel offer moet worden onderzocht of er een zodanige noodzaak tot besparing door de werkgever aanwezig is dat het belang van de werknemer daarvoor moet wijken. De door Fair Play op dit punt aangevoerde cassatiemiddelen ten aanzien van de verschillende gradaties waarin die instemming van invloed zou zijn op de vraag of er sprake was van een zwaarwichtig belang bij Fair Play, zijn verworpen. Daaruit moet worden afgeleid dat de instemming van de OR met ingrijpende financiële offers van werknemers, zoals hier aan de orde, in beginsel geen (substantiële) rol van betekenis speelt, zodat AFM, ondanks het feit dat de OR onder voorwaarden heeft ingestemd met de wijziging van de pensioenregeling per 1 januari 2016, onverminderd zal moeten aantonen dat zij een zwaarwichtig belang had bij deze wijziging, dat wil zeggen bij de wijziging zoals die feitelijk heeft plaatsgevonden van Pensioenregeling 2014 naar Pensioenregeling 2016.60. Dat is ook te verklaren omdat, anders dan vakbonden, een OR niet in het leven is geroepen om te onderhandelen over arbeidsvoorwaarden of pensioenen61. en aldus ook geen vertegenwoordigingsbevoegdheid bezit.
- Id.
Nu het hof in rov 3.12 (in het bijzonder sub g) van oordeel is dat het enkele feit dat de OR heeft ingestemd ‘een rol speelt’ en dus bijdraagt aan het oordeel dat er sprake is van een zwaarwichtig belang gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de Fair Play uitspraken62. volgt dat het doel van deze bepaling is om aan werknemers een adequaat niveau van bescherming tegen eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden te bieden. Daarbij is op geen enkele wijze enig mandaat aan de OR gegeven om namens individuele werknemers omtrent arbeidsvoorwaarden te onderhandelen, zodat eventuele instemming van de OR ook geen afbreuk kan doen aan de eveneens in de Fair Play arresten gestipuleerde belangenafweging in welk kader de rechter — met inachtneming van alle omstandigheden van het geval — moet beoordelen of het belang van de werkgever bij wijziging van de arbeidsvoorwaarde, ten opzichte van het belang van de werknemer bij ongewijzigde instandhouding van de arbeidsvoorwaarde, zodanig zwaarwichtig is, dat het belang van de werknemer op gronden van redelijkheid en billijkheid moet wijken voor het belang van de werkgever. Wat derden, bijvoorbeeld de OR, daar van vinden is dus niet relevant. Het gaat, aldus de Hoge Raad in de Fair Play-arresten, bij de toepassing van art. 7:613 BW dus om een belangenafweging tussen dat van de werkgever en de werknemer, waarbij geldt dat een arbeidsovereenkomst alleen ten nadele van de werknemer kan worden gewijzigd indien voldoende zwaarwegende belangen aan de zijde van de werkgever dat rechtvaardigen
II
Daarbij, maar ook los daarvan is er in het geheel geen sprake — en miskent het hof in rov 3.12 artikel 149 Rv door zulks vast te stellen — van een ‘door de OR bedongen hardheidsclausule.’ Blijkens zijn MvG rnrs. 202–204 hebben [verweerders] c.s. gesteld — en dat is als zodanig niet door AFM betwist63. — dat de OR heeft aangegeven:
- —
slechts informatie op collectief niveau te hebben gekregen,
- —
daarbij niet uit te sluiten dat op individueel niveau dit onevenredig nadelig voor werknemers zal uitwerken en
- —
er dus van uitgaat dat indien zich dergelijke omstandigheden zich voordoen, de AFM zich constructief zal opstellen en zal pogen tot een oplossing te komen die recht doet aan de specifieke situatie van de betreffende werknemer.
Verder stelt de OR als voorwaarde voor instemming dat ruim voor het aflopen van de bezwaartermijn de AFM de werknemers inzicht geeft in hun positie onder de nieuwe regeling, waarin besloten ligt dat zij tijdig zo nodig bezwaar kunnen maken.
[verweerders] c.s. leiden daaruit in de MvG af dat er geen waarde kan worden gehecht aan de instemming van de OR omdat (1) er geen informatie was anders dan op macro niveau en (2) de OR daar eenvoudig geen mening over kon geven en (3) de OR erop vertrouwde dat AFM wanneer er sprake was van onevenredig nadeel dat wel in goed overleg zou oplossen.64.
Het hof laat deze essentiële stellingen onbesproken en laat in het bijzonder na te motiveren waarom het wel waarde hecht aan de instemming van de OR. Voor zover het hof van oordeel is dat het enkele feit dat er is ingestemd al maakt dat dit bij draagt aan een zwaarwegend belang gaat het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting.
III
Daarnaast is dit oordeel ook onbegrijpelijk. Niet alleen is er dus in het geheel geen sprake van een ‘hardheidsclausule van de OR’, maar ook is dit oordeel in rov 3.12 onder v sub iv in samenhang met rov. 3.12 sub g een onbegrijpelijke, althans geen adequate respons op het verweer dat in casu er geen belang aan de instemming kan worden gehecht, nu van die instemming deel uitmaakte de premisse dat AFM het met getroffenen zou regelen, hetgeen AFM heeft nagelaten. Zoals [verweerders] c.s. onweersproken hebben gesteld is zijn bezwaar afgewezen65. en volgt uit het hierboven onder ad (1) gestelde in samenhang met de MvG rnrs. 74, 75, 77 dat [verweerders] c.s. door de wijziging onevenredig zwaar worden getroffen nu hij zowel een hogere premie moet betalen als aan het eind van de rit een aanzienlijk lager pensioenbedrag uitgekeerd krijgt.
Ad (3) Marktconformiteit: niet relevant en ook niet aan de orde
2.2-IIIb
In rov. 2.10 oordeelt het hof dat ‘aan de hand van de kenmerken van de regeling Towers Watson zou hebben vastgesteld dat de nieuwe regeling marktconform is met uitzondering van het nabestaandenpensioen’. In de overwegingen a, c t/m i oordeelt het hof — kort gezegd — dat AFM een zwaarwichtige reden heeft en het gebruikelijk is in de branche waarin AFM opereert dat wordt overgegaan van een middelloonregeling naar een CDC -gefinancierde premieloonregeling. Vervolgens oordeelt het hof sub j dat de stelling van [verweerders] c.s. dat met deze overgang (nagenoeg) alle risico's van de pensioenregeling worden overgeheveld van AFM naar de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden op zich juist is, maar geen reden om te twijfelen aan de marktconformiteit. In de daaropvolgende overwegingen sub k t/m u overweegt het hof — kort gezegd — dat het wel een forse versobering is maar dat nu het hof in 3.6 tot en met 3.11 heeft geoordeeld dat [verweerders] c.s. (1) hoe dan ook recht houden op onvoorwaardelijke indexatie over zijn tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, (2) dat de Uitvoeringsovereenkomst 2014 van kracht blijft voor de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten en dat de aanwending van de beschikbare premie op basis van een gedempte premie door het hof zal worden vernietigd, het hof voldoende reden heeft om aan te nemen dat de nieuwe pensioenregeling als voorgesteld door AFM per saldo minder negatief zal uitkomen dan door Mercer voorspeld (sub u), waarna het sub v oordeelt:
- i.
bij de nieuwe pensioenovereenkomst sprake is van een marktconforme pensioentoezegging en dat
- ii.
de belangen van de werknemers bij voortzetting van de Pensioenovereenkomst 2014 moeten wijken voor het zwaarwichtig belang van AFM bij de wijziging.
- iii.
De door [verweerders] c.s. aangevoerde individuele nadelen zijn van onvoldoende gewicht om tot een ander oordeel te komen, ook omdat
- iv.
[verweerders] c.s. niet hebben aangetoond dat de door de OR bedongen hardheidsclausule op hem van toepassing zou moeten zijn.
Dit leidt tot de navolgende klachten tegen rov. 312.
I
Het hof laat de stellingen van [verweerders] c.s. onbesproken, waarin hij gemotiveerd aangeeft dat en waarom de oude pensioenregeling (2014) wèl marktconform was en de nieuwe regeling (2016) niet. Het betreffen de navolgende stellingen 1 t/m 5:
- 1.
Het is niet zinvol en terecht om de pensioenregeling wat betreft marktconformiteit geïsoleerd te bekijken, omdat een pensioenregeling altijd is ingebed in een pakket arbeidsvoorwaarden. Zo kan bijvoorbeeld een matige pensioenregeling worden gecompenseerd door een goed salaris en vice versa.66.
- 2.
Bij de AFM en de minister67. bestond ten onrechte de gedachte68. dat de arbeidsvoorwaarden bij de AFM bovengemiddeld gunstig waren en dat werknemers vóór de wijziging naar de Pensioenregeling 2016 een goudgerande arbeidsvoorwaardenregeling hadden, zodanig dat deze boven lag wat marktconform was, terwijl uit en benchmark van bureau Hay van april 2015 blijkt dat dit niet juist is.69. Dit bureau Hay wordt vervolgens in randnummer 213 MvG als citaat uit een memorandum van de OR aangehaald:
‘Het is duidelijk dat zowel voor het maximum van de salarisschalen als voor de daadwerkelijke beloning geldt dat de beloningsniveaus zich onder de mediaan bevinden. Dit geldt voor het vaste inkomen (jaarsalaris plus vakantiegeld, 13e maand en spaarbijdrage), de verschillen worden groter als in de vergelijking ook het variabel (korte en lange) termijn wordt meegenomen en de totale benefitwaarde van de arbeidsvoorwaarden: waaronder de leaseauto en waarde pensioen uitgedrukt in % loon.
In eerdere communicatie ging het bestuur er nog vanuit dat de AFM beloningspositie (flink) boven de mediaan zou zit ten. Het HAY-rapport geeft het bestuur wat dat betreft andere inzichten. In deze groepen licht het beloningsniveau van de AFM tussen de mediaan van de Overheid en die van de gecombineerde markt. Het verschil met de Markt Financiële Dienstverlening is bij deze schalen het grootst. De afstand tot de gecombineerde markt is substantieel (10%, 12,5% resp. 15%) onder de mediaan. Het bestuur vindt dat een deel van het beloningsverschil met de mediaan uit te leggen valt en te rechtvaardigen: hier speelt vooral het werken bij een organisatie met een maatschappelijke functie richting bedrijfsleven en nauwe betrokkenheid bij de overheid.’
(onderstreping: advocaat).
Zie hieromtrent ook pleitnota in appel zijdens [verweerders] c.s. rnr. 33. Vóór de invoering van de Pensioenregeling 2016 lag het arbeidsvoorwaardenpakket van [verweerders] c.s. dus al (fors) onder de mediaan.
- 3.
Door de invoering van de Pensioenregeling 2016 wordt de beloningspositie van [verweerders] c.s. nog verder verslechterd ten opzichte oude beloningspositie die al substantieel onder de mediaan ligt.70.
- 4.
[verweerders] c.s. merken in randnummer 216 van de MvG op dat als het hof toch naar de marktconformiteit van Pensioenregeling 2016 zou willen kijken, dat dan van belang is dat andere werkgevers waarmee AFM wordt vergeleken, substantiële bedragen aan bruidsschat in hun pensioenfonds hebben gestort. Bovendien brengen die pensioenfondsen een 30 tot 45% hogere premie in rekening bij de werkgever. In voetnoot 41 wordt vervolgens verwezen naar bladzijde 2 van het rapport Pensioen Perspectief d.d. 7 maart 2019, overgelegd als productie 12 bij MvG71.. In voetnoot 42 wordt verwezen naar hetgeen is aangevoerd in de CvR rnrs. 30 t/m 50. Daarin wordt uitvoerig ingegaan op de stelling van AFM dat de oude pensioenregeling niet marktconform was, hetgeen een uitgebreide versie betreft van hetgeen bij MvG is aangevoerd in rnrs. 205–216 is gesteld:
- —
marktconformiteit doet niet ter zake voor het aannemen van een zwaarwichtig belang als bedoeld in art. 19 PW, nu de AFM niet opereert op een ‘Markt’, geen winstoogmerk heeft, waardoor een te dure pensioenregeling niet leidt tot een concurrentienadeel72.;
- —
betwisting dat oude pensioenregeling niet marktconform was met verwijzing naar productie 19 bij CvR (CvR rnr. 34), terwijl uit de door AFM overgelegde producties zoals het als productie 2 bij CvA ‘Voorstel Herijking Arbeidsvoorwaarden van 15 juni 2015 blijkt dat de ‘beloningspositie’ (arbeidsvoorwaarden inclusief de oude pensioenregeling) substantieel onder de mediaan van de (gecombineerde) markt ligt (CvR rnr 36). AFM stelt dat ook als zodanig dat ‘de beloningspositie’ (arbeidsvoorwaarden inclusief oude pensioenregeling van medewerkers in functiegroep H, zoals [verweerders] c.s. en zijn drie andere collega's73., substantieel onder de mediaan van de (gecombineerde) markt ligt74. ten aan zien van de voor de AFM relevante referentiemarkten. (CvR rnr 34). In CvR rnr. 36 citeren [verweerders] c.s. p. 4 van de als productie 2 bij CvA overgelegd Memo van 15 juni 2015 van AFM:
‘In eerdere communicatie ging het bestuur er nog vanuit dat de beloningspositie (flink) boven de mediaan zou zitten. Het HAY-rapport geeft het bestuur wat dat betreft andere inzichten’
Dit komt dus overeen met hetgeen bij MvG in randnummer 213 wordt geschreven, waar dit citaat opnieuw wordt aangehaald.
- —
betwisting dat de nieuwe pensioenregeling marktconform is (CvR rnrs 37 t/m 41). In randnummers 61–63 CvR verwijzen [verweerders] c.s. naar het als productie 9 bij inleidende dagvaarding overgelegde rapport van Towers Watson (TW). TW heeft in opdracht van de OR onderzoek gedaan naar de voorgestelde pensioenregeling en komt daarbij tot de conclusie dat de nieuwe regeling niet marktconform is (CvR rnr 63). TW schrijft op p. 3 dat de pensioenregelingen in de financiële sector over het algemeen middelloonregelingen zijn en dat beschikbare premieregelingen een uitzondering vormen, niet marktconform zijn en draait de werknemer door het vervallen van de herstelpremies op voor de gevolgen daarvan. (CvR 64-656).
- —
de nieuwe pensioenregeling van de AFM is substantieel slechter dan de nieuwe pensioenregeling van DNB (CvR rnrs 42–50).
- 5.
Daarnaast hebben [verweerders] c.s. op verschillende plaatsen75. betoogd dat AFM haar doelen zoals kostenbesparing ook op en zodanige manier had kunnen wijzigen dat de positie van [verweerders] c.s. minder zou worden geschaad, maar AFM heeft daar niet voor gekozen.76. De huidige drastische regeling is niet noodzakelijk voor het tegengaan van de volatiliteit. Daartoe zou een CDC-regeling op zich voldoende zijn. De hoogte van de vaste premie in een CDC-regeling is bepalend voor de kwaliteit van de pensioenregeling.77. Echter de regeling zoals die CDC-regeling thans is ingestoken is zodanig nadelig voor [verweerders] c.s. dat er sprake is van een absolute wanverhouding tussen het belang van AFM en het belang waarin [verweerders] c.s. wordt geschaad.78. Tekorten in de opgebouwde aanspraken, het verleden (dekkingstekort in het pensioenfonds) worden niet meer aangevuld79. doordat de bijstortverplichting is vervallen en door de te lage vaste premie (30 – 45% te laag)80. wordt naar verwachting de toekomstige jaarlijkse opbouw ook nog eens verlaagd81.. Bovendien is de minister best bereid om bij toezichthouders als de AFM en DNB onvoorziene kosten op te vangen, zoals blijkt uit de brief van de minister aan de Tweede Kamer d.d. 6 december 2018 (productie 14).82.
Deze stellingen laat het hof in rov 3.12 en ook overigens onbesproken, waardoor rov. 3.12, waarin zonder meer in weerwil van deze stellingen wordt aangenomen dat AFM een zwaarwichtig belang heeft bij deze — zij het door het hof gematigde (zie rov. 3.12 sub u) — eenzijdige wijziging naast rechtens onjuist ook onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. Hierna zal nog afzonderlijk worden ingezoomd op de onderscheiden onderdelen van rov. 3.12.
IIa
In dat kader is het oordeel 3.12 sub c zonder nadere toelichting onbegrijpelijk, waar het hof oordeelt:
- —
dat de Pensioenovereenkomst 2014 niet meer vergelijkbaar was met de pensioenregelingen van de instellingen waarop AFM toezicht houdt en de pensioenregeling van mede toezichthouder DNB.
- —
Deze negatieve ontwikkeling was al sinds in ieder geval 2011 onderwerp van kritiek van het Ministerie van Financiën en zou ook blijkens de brief van 27 augustus 2015 kunnen leiden tot het onthouden van goedkeuring vooraf aan de begroting van AFM voor 2016, respectievelijk het onthouden van goedkeuring achteraf aan het doorbelasten van een negatief exploitatiesaldo, bij overschrijding van de begroting in 2016 en volgende jaren, aan de onder toezicht staande instellingen.
- i.
Het hof miskent en laat onbesproken stelling 2, waarin onderbouwd is gesteld dat AFM en de minister langere tijd hebben gedacht dat werknemers vóór de wijziging van 2016 een bovengemiddeld gunstige arbeidsvoorwaardenregeling hadden, maar dat — zoals AFM ook zelf heeft onderkend — dat ten onrechte was, nu uit onderzoek van bureau Hay het tegendeel is gebleken en AFM dit ook onderkent. Hieruit kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat (1) niet langer kan worden volgehouden dat de oude regeling niet marktconform was en (2) dat daarmee ook wordt betwist dat er gegronde vrees voor het onthouden van goedkeuring in 2015 na kennisname van het Hayrapport gerechtvaardigd was.83. Althans had het hof deze essentiële stelling in elk geval niet onbesproken mogen laten.
- ii.
Het hof miskent en laat onbesproken stelling 4, waarin zowel wordt aangekaart dat marktconformiteit niet ter zake doet, alsook dat zowel de oude als de nieuwe regeling niet marktconform kan worden genoemd. In dat ligt is het dus onbegrijpelijk dat het hof desalniettemin oordeelt dat de Pensioenovereenkomst 2014 niet meer vergelijkbaar was met de pensioenregelingen van de instellingen waarop AFM toezicht houdt en de pensioenregeling van mede toezichthouder DNB. Althans is het oordeel van het hof in rov 3.12 niet toereikend gemotiveerd.
IIb
In dat kader is het oordeel 3.12 sub g t/m j zonder nadere toelichting onbegrijpelijk waar het hof overweegt:
- —
dat AFM en DNB zeker niet de eerste ondernemingen die (de financiering van) hun pensioenuitkeringsovereenkomst ter discussie stellen vanwege de volatiliteit van de daarmee samenhangende financiële verplichtingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire problemen bij het beheersen van de kosten en de onzekerheden als gevolg van de prudentiële toezichtwetgeving met betrekking tot de berekening van de aan te houden voorzieningen en de (minimaal) aan te houden buffers (sub g).
- —
In plaats van uit te gaan van de in de toekomst te financieren ambitie inzake het te bereiken pensioen als (lager) percentage van het gemiddelde loon (middelloon uitkeringsovereenkomst) wordt daarbij vaak een door de werkgever voor alle deelnemers gezamenlijk ter beschikking te stellen premie als uitgangspunt genomen (Collectieve Beschikbare Premie met de Engelse afkorting CDC van Collective Defined Contribution). De hoogte van de jaarlijkse aangroei van de pensioenaanspraken wordt daarmee afhankelijk van wat uit de beschikbare premie kan worden gefinancierd (sub h). Door de gehanteerde systematiek van de gedempte kostendekkende premie is de verwachting dat daardoor de jaarlijkse pensioenopbouw gaat dalen van 1,875% naar 1,793%84.
- —
Hoewel niet in alle gevallen zonder meer uit een pensioenovereenkomst blijkt dat sprake is van een CDC-gefinancierde premiepensioenregeling, blijkt uit notities van Montae, de adviseur van AFM, en TW, de adviseur van de OR, dat genoemde onder toezicht staande instellingen en de andere toezichthouder DNB allemaal een CDC-gefinancierde premieregeling hebben ingevoerd (sub i).
- —
De stelling van [verweerders] c.s. dat met deze overgang (nagenoeg) alle risico's van de pensioenregeling worden overgeheveld van AFM naar de deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden is op zich juist, maar geen reden om te twijfelen aan de marktconformiteit (sub j).
Het hof oordeelt hier sub (g) t/m (j) — heel kort gezegd — dat omdat ‘genoemde onder toezicht staande instellingen en de andere toezichthouder DNB allemaal een CDC-gefinancierde premieregeling hebben ingevoerd’ en zij niet de eersten zijn die willen ‘de-risken85.’ het hof (dus?) geen reden heeft om te twijfelen aan de marktconformiteit. Omdat iedereen het doet zal het dus wel goed zijn, zo overweegt het hof de facto. Het hof laat daarmee echter onbehandeld de hierboven genoemde essentiële stellingen 1 t/m 4, waarin nu juist die marktconformiteit van de oude regeling wordt onderschreven en van de nieuwe regeling gemotiveerd wordt betwist, niet alleen omdat het hof hier nog steeds op het spoor zit dat de oude regeling niet marktconform was omdat die bovengemiddeld zou zijn (hetgeen door [verweerders] c.s. is weerlegd met de eigen stukken van AFM (zie stelling 2), maar ook omdat [verweerders] c.s. hebben aangetoond dat en waarom de door AFM aangeboden CDC regeling veel slechter is dan die van DNB (stelling 4). Nu van die stellingen in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag moet worden uitgegaan is zonder nadere toelichting onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd dat en waarom het hof die regeling desalniettemin marktconform acht c.q. geen reden heeft om daaraan te twijfelen. Het is niet zozeer het systeem van de CDC-regeling of er sprake is van marktconformiteit, maar de hoogte van de vaste premie en combinatie met de financiële positie van het pensioenfonds AFM. De premie is veel te laag, 30 — 45%86. en door het achterwege laten van een bruidsschat87. bij de invoering van de CDC-regeling is de financiële positie van het pensioenfonds niet op orde gebracht. Dit maakt dat de door AFM aangeboden CDC-regeling niet marktconform is en dat maakt ook dat het als argument rechtens onjuist en onbegrijpelijk is in het kader van de beoordeling of AFM een zwaarwichtig belang heeft hetgeen het hof overweegt in rov. 3.12 g t/m j. Immers: het gaat er niet om dat er een CDC-regeling wordt getroffen, maar hoe die is ingevuld. En dat is, zoals [verweerders] c.s. hebben gesteld en het hof onbesproken laat een heel andere, veel slechtere dan bijvoorbeeld DNB.
IIc
Het hof laat in dat verband in rov 3.12 ook onbesproken stelling 5 het op verschillende plaatsen88. door [verweerders] c.s. gedane beroep op het feit dat AFM ook met een minder verstrekkende ingreep in Pensioenregeling 2014 datgene kunnen bereiken dat zij met de wijziging beoogde en dat AFM de proportionaliteit uit het oog geeft verloren met de wijziging zoals die is doorgevoerd. Het substantiële nadeel dat [verweerders] c.s. lijden als gevolg van de wijziging staat niet in een redelijke verhouding tot het doel dat AFM met de wijziging voor ogen had en het belang dat zij daarbij had89. (de-risking). Ook hierbij is sprake van een essentiële stelling, zeker in samenhang met stelling 4 te weten dat DNB een veel betere (nieuwe) regeling heeft dan AFM.
IId
Het hof laat ook in rov 3.12 en ook overigens in de aangevallen uitspraak stelling 1 in samenhang met stelling 4, 1e gedachtestreepje, te weten dat marktconformiteit niet ter zake doet bij de vraag of er sprake is van een zwaarwichtig belang als bedoeld in art. 19 PW/art. 7:613 BW90. onbesproken. Het hof miskent aldus dat de werkgever slechts een beroep doen op een schriftelijk beding dat hem de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen, indien hij bij die wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken. Daarbij gaat het om uitzonderlijke gevallen, zoals hierna onder III verder wordt uitgewerkt, is sprake van een strenge maatstaf, waarbij het blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 7:613 BW het volgende is gesteld:
‘Gezien het uitgangspunt dat arbeidsvoorwaarden niet eenzijdig worden gewijzigd, zal het daarbij in het algemeen moeten gaan om zwaarwegende bedrijfseconomische- of organisatorische omstandigheden die tot wijziging van arbeidsvoorwaarden noodzaken. Anders gezegd: hij dient aan te tonen dat sprake is van zodanige omstandigheden dat de toepassing van de ongewijzigde regeling van arbeidsvoorwaarden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.’ 91.
Nu het dus bij AFM moet gaan om zwaarwegende bedrijfseconomische- of organisatorische omstandigheden die tot wijziging van arbeidsvoorwaarden noodzaken is daarbij niet van belang of er sprake is van marktconformiteit. Zo er al sprake zou zijn van een betere regeling dan ‘in de markt’ hetgeen blijkens stelling 2 niet het geval was, dan kan dat dus geen zwaarwichtig belang vormen als bedoeld in artt. 19 PW/art. 7:613 BW. Het moet immers gaan om acute betalingsnood.
Dit nog daargelaten dat, [verweerders] c.s. zich ook hebben beroepen op het feit dat een pensioenregeling deel uitmaakt van een totaalpakket aan arbeidsvoorwaarden, waarbij een goede pensioenregeling een minder goede beloningsregeling kan compenseren (zie stelling 2). Uit het Hay rapport is gebleken dat H groep 1, waarin [verweerders] c.s. en zijn collega die de zaak eveneens heeft aangevochten zaten, substantieel onder de mediaan zat.92.
IIe
In rov. 2.10 oordeelt het hof dat ‘aan de hand van de kenmerken van de regeling Towers Watson zou hebben vastgesteld dat de nieuwe regeling marktconform is met uitzondering van het nabestaandenpensioen’. Dit oordeel is onbegrijpelijk gelet op de Conclusie van repliek rnr. 60 (onderstreept door mij-HJWA):
‘(…) Towers Watson stelt op pagina 3 dat de pensioenregelingen in de financiële sector over het algemeen uitkeringsregelingen op basis van middelloon zijn en dat beschikbare premieregelingen een uitzondering vormen. Een beschikbare premieregeling is in tegenstelling tot wat de AFM in punt 37 van de conclusie van antwoord stelt dus niet marktconform. Towers Watson heeft de door de AFM voorgestelde beschikbare premieregeling vervolgens vergeleken met beschikbare premieregelingen in de financiële sector, die zoals eerder gesteld, volgens Towers Watson een uitzondering vormen. Uit de door Towers Watson gemaakte vergelijking volgt dat de regeling qua marktconformiteit van de financiële opzet van ondernemingen in de sector afwijkt omdat:
‘De door de werkgever voorgenomen premiesystematiek ongebruikelijk is bij de grotere financiële instellingen in de financiële sector. In de betreffende gevallen wordt de CDC-premie afgeleid op de zuivere kostendekkende premie.
De betreffende financiële instellingen CDC-premies hebben afgesproken die via expliciete opslagen voor risico, solvabiliteit en indexatie meer marge bevatten dan de voorgenomen premiestelling van de werkgever. […]
Er in de betreffende gevallen — in tegenstelling tot het voorstel van de werkgever — een afspraak is gemaakt over de bijstorting in het pensioenfonds ter compensatie van de risico-verschuiving’’
Towers Watson vindt de regeling dus ongebruikelijk en in andere gevallen is een afspraak gemaakt tot bijstorting. Towers Watson zegt dus niet deze regeling marktconform is. Integendeel.
III-
- i.
Zoals in onderdeel IId al even aangestipt miskent het hof in rov. 3.12 a t/m v en ook overigens in de aangevallen uitspraak de terughoudende toets die bij artikel 7:61393. en 19 PW moet worden aangelegd. Niet alleen is het oordeel dat ondanks het feit dat alle risico's voor [verweerders] c.s. als werknemers komen (sub j) de regeling marktconform is in dat kader onbegrijpelijk naast irrelevant, maar ook miskent het hof in het arrest en in het bijzonder in rov. 3.12 sub a t/m v
- (1)
de zware maatstaf van at. 7:613 BW94. en 19 PW waarop [verweerders] c.s. in de MvG rnrs 50–59 expliciet een beroep doen die de rechter noopt tot een terughoudende toetsing en die
- (2)
met zich meebrengt dat zo er al een noodzaak tot wijzigen bestaat die niet verder kan en mag strekken dan strikt noodzakelijk is. Anders gezegd, indien en voor zover er bij een noodzakelijke wijziging een (veel) minder ver ingrijpende oplossing mogelijk is, dan strekt die eenzijdige wijzigingsbevoegdheid niet verder dan de minst ingrijpende oplossing.
- ii.
Toelichting sub (1) en (2)
Wat AFM in de visie van [verweerders] c.s. doet is een aanleiding aangrijpen (een brief van de minister die ook nog is gebaseerd op een onjuiste veronderstelling zie stelling 4) om de regeling zo ver mogelijk te marginaliseren, door (1) de voor de continuïteit van de indexeringsverplichtingen noodzakelijke herstelbetalingen af te schaffen95. (2) de indexatie voorwaardelijk te maken en te laten afhangen van de omstandigheid dat er voldoende in kas is96., (3) jaarlijks te weinig premie te betalen97. en (4) vervolgens ook nog de eigen bijdrage van de werknemers met 50% te verhogen.98.
Het hof geeft er geen, althans onvoldoende kenbaar blijk van dat het de strenge, terughoudende maatstaf van art 19 PW/7:613 BW (voor zover van toepassing) toepast. Het lijkt er veeleer op, gelet op rov 3.12 sub a t/m v en dan in het bijzonder v sub i t/m iv, dat het hof ten onrechte waarde hecht aan de (ten onrechte aangenomen) marktconformiteit en vervolgens de eenzijdige wijziging goeddeels billijkt, nu [verweerders] c.s. onvoldoende zouden hebben gesteld dat zij aan de hardheidsclausule van de OR zouden voldoen. Daarbij verliest het hof kennelijk die strenge maatstaf volledig uit het oog.
Daarbij moet ook nog worden beoordeeld of deze eenzijdige wijziging wel kan rekenen op een aanmerken als een zwaarwichtig belang. Daarvoor is met name bepalend of niet op minder ingrijpende wijze de doelen van de werkgever, waarvoor die stelt een zwaarwegend belang te hebben, kunnen worden bereikt.
In het kader van die terughoudende maatstaf c.q. de strenge toetsing van art. 19 PW/art. 7:613 BW99. valt dus niet in te zien dat AFM een zwaarwegend belang heeft bij al deze wijzigingen100. die als pakket zeer nadelig uitvallen voor [verweerders] c.s.101. en er niet had kunnen en moeten gekozen voor minder ingrijpende maatregelen, zoals ook bij DNB aan de orde is (zie stelling 4 laatste gedachtestreepje).
- iii.
Samenvattend heeft het hof dus in rov 3.12 miskend (1) de terughoudende toets van artikel 7:613 BW102./art. 19 PW, (2) die erin resulteert dat AFM had moeten stellen en bij betwisting bewijzen dat juist deze ingrepen c.q. al deze wijzigingen (allen) onontkoombaar waren en (3) dat de voor AFM beoogde resultaten niet op een voor [verweerders] c.s. minder ingrijpende wijze hadden kunnen worden gerealiseerd, bijvoorbeeld op een wijze zoals bij de DNB (stelling 4 laatste gedachtestreepje).
2.2-IV
Het hof miskent in rov 3.12 dat nu krachtens artt. 149 en 150 Rv de stelplicht en bewijslast van een zwaarwichtig belang op AFM als werkgever rusten, er door AFM niet alleen voldoende gesteld moet worden ten aanzien van het voor AFM als werkgever ingeroepen zwaarwichtig belang, maar, nu [verweerders] c.s. daartegenover hebben gesteld dat de gevolgen voor hem onevenredig zwaar zijn103. en gemotiveerd heeft gesteld104. dat AFM een veel minder ingrijpende maatregel had kunnen kiezen om het door haar nagestreefde doel (de-risking) te bereiken (zie hierboven onderdeel 2.2-IIIb sub III), in het kader van haar stelplicht op zijn minst voldoende inzichtelijk had moeten maken (1) wat de gevolgen voor [verweerders] c.s. zullen zijn, alsmede dat en waarom de mate van ingrijpendheid van de maatregel noodzakelijk is en (2) dat en waarom de mate van ingrijpendheid van de maatregel, dat wil zeggen waarom deze maatregel noodzakelijk is en niet, zoals [verweerders] c.s. hebben gesteld, met een minder ingrijpende maatregel had kunnen volstaan.
Het hof miskent daarbij ook — als gezegd — dat een werkgever slechts een zwaarwichtig belang heeft voor zover de maatregel strikt noodzakelijk is, zodat wanneer het verweer wordt gevoerd dat een minder ingrijpende maatregel het gewenste effect zou hebben bereikt een werkgever daaromtrent voldoende moeten stellen en bij betwisting bewijzen dat de verdergaande maatregelen noodzakelijk zijn.
Het hof heeft dit in rov 3.12 hetzij miskend, hetzij heeft het geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang, dan wel heeft het een onbegrijpelijk oordeel gegeven.
2.2-V
Het oordeelt in rov. 3.12 sub a t/m e dat AFM er een zwaarwichtig belang bij had dat de pensioenovereenkomst met de werknemers zou worden aangepast om de door het Ministerie van Financiën geëiste toekomstige beheersbaarheid van de kostenontwikkeling van de pensioenregeling te bewerkstelligen (a) teneinde de volatiliteit tegen te gaan (b), omdat de Pensioenovereenkomst 2014 niet meer vergelijkbaar was met de pensioenregelingen van de instellingen waarop AFM toezicht houdt en de pensioenregeling van mede toezichthouder DNB. Deze negatieve ontwikkeling was al sinds in ieder geval 2011 onderwerp van kritiek van het Ministerie van Financiën en zou ook blijkens de brief van 27 augustus 2015 kunnen leiden tot het onthouden van goedkeuring vooraf aan de begroting van AFM voor 2016, respectievelijk het onthouden van goedkeuring achteraf aan het doorbelasten van een negatief exploitatiesaldo, bij overschrijding van de begroting in 2016 en volgende jaren, aan de onder toezicht staande instellingen. (c), waarbij het hof waarde hecht aan de publieke taak van AFM als toezichthouder (d) en het feit dat als AFM geen maatregelen zou nemen om het kostenniveau van de Pensioenovereenkomst 2016 en de ter uitvoering daarvan gesloten Uitvoeringsovereenkomst 2016 terug te dringen dreigden financiële problemen en zou de naleving van de aanwijzing van het Ministerie van Financiën in gevaar komen (e).
Rov 3.12 a t/m e laten zich dus samenvatten als het zwaarwichtig belang in de vorm van een vermeende acute financieringsproblematiek voor AFM. Het hof laat echter in rov 3.12 sub a t/m e maar ook overigens de op dit punt aangevoerde, navolgende essentiële stellingen van [verweerders] c.s. onbesproken:
- —
in rnrs. 217 t/m 238 van de MvG waarin gemotiveerd wordt gesteld dat die gestelde acute financieringsproblematiek er niet was. In de MvG rnrs. 217–224 wordt betoogd dat er weliswaar in de brief van de minister over versoberingen wordt gesproken, maar niet welke (MvG rnr. 218), — dat het wijzigingstraject voor de Pensioenregeling 2016 al voordien was ingezet (MvG rnr. 220) en dus niet is ontstaan na ontvangst van de brief van de minister (MvG rnr. 221).
- —
Er wordt in de AFM brochure 2017 vermeld dat een overschot wordt teruggegeven van € 5.3 miljoen. Ook uit de jaarrekeningen 2013 t/m 2015 is steeds een te verrekenen exploitatiesaldo vermeld. Er was dus geen acute financieringsproblematiek: in genoemde AFM-brochure is vermeld dat in 2017 een overschot uit 2016 wordt teruggeven van € 5,3 miljoen. In de AFM-jaarrekeningen 2013 tot en met 2015 (productie 14 bij conclusie van repliek) is steeds het te verrekenen exploitatiesaldo vermeld. Dit betreft voor alle jaren een positief saldo: voor 2015 circa € 5,5 miljoen, voor 2014 circa € 4,6 miljoen en voor 2013 circa € 4 miljoen. (MvG rnr. 225)
- —
Uit deze financieringssystematiek en de te verrekenen exploitatieoverschotten blijkt dat geen sprake is geweest van acute financieringsproblematiek (MvG 225).
- —
[verweerders] c.s. verwijzen daarbij in randnummer 226 MvG naar de inleidende dagvaarding rnrs 11 en 12 en de CvR rnrs 15 t/m 22. Daarin wordt uitgelegd dat AFM het geld voor de herstelopslagen gewoon in kas had, maar dat (telkens) heeft laten vrijvallen om dan vervolgens bij de Minister aan te kloppen dat men geld te kort komt (zie CvR rnrs. 19–23). Om die reden concluderen [verweerders] c.s. dan ook de brief van de minister niet uit financiële noodzaak is geschreven, maar het gevolg is van slecht begroten (CvR rnrs. 26–32): AFM had het geld beschikbaar, maar in plaats van te reserveren voor te voorziene uitgaven laat zij dat vrijvallen.
Het hof laat dit verweer bij deze beoordeling voorts onbesproken. Het gaat hier om essentiële stellingen die rechtstreeks het door AFM gestelde en door [verweerders] c.s. betwiste zwaarwichtig belang betreffen, nu het een gemotiveerde betwisting betreft van de gestelde vermeende acute financieringsproblematiek. Indien dat wordt gecombineerd met de stelling dat er sprake is van een onjuist beeld ten aanzien van de marktconformiteit van de pensioenregeling (zie MvG 212–216), dan is onjuist en onbegrijpelijk dat het hof in rov 3.12a t/m e een economisch belang c.q. financieringsproblematiek aanneemt.
2.3
Het slagen van één of meer van de bovenvermelde klachten vitiëert ook rovv. 3.14 en het dictum.
Mitsdien:
In het principale cassatieberoep: het cassatieberoep te verwerpen, met veroordeling van eiser in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest;
In het incidentele cassatieberoep: de aangevallen uitspraak te vernietigen met zodanige beslissing als de Hoge Raad zal vermenen te behoren, met verwijzing van AFM in de kosten van het incidentele cassatieberoep eveneens te vermeerderen met de wettelijke rente, ingaande veertien dagen na het te dezen te wijzen arrest;
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑06‑2021
MvG randnummer (rnr.) 72.
Zie onder meer MvG 239.
Zie hieromtrent MvG 138 – 148. Zie verder voor de stelling dat er structureel in de Pensioenregeling 2016 te weinig premie wordt betaald MvG rnrs. 168–170 met een verwijzing naar het rapport Pensioen Perspectief van 7 maart 2019 (productie 12 bij MvG).
MvG rnrs 149–152.
CvA rnrs. 28 en CvR rnr. 10.
MvG rnr. 73.
MvG rnr. 74.
MvG rnr. 75.
Pleitnota in appel rnr. 23, MvG 156, 168 t/m 171.
Pleitnota in appel rnr. 23, MvG 156, 168 t/m 171.
Pleitnota in appel rnr. 24, MvG 156, 168 t/m 171.
MvG rnrs 149–152.
MvG rnr. 77 sub (ii).
Zie hieromtrent MvG 138 – 148. Zie verder voor de stelling dat er structureel in de Pensioenregeling 2016 te weinig premie wordt betaald MvG rnrs. 168–170 met een verwijzing naar het rapport Pensioen Perspectief van 7 maart 2019 (productie 12 bij MvG).
MvG rnrs. 138–148.
MvG rnr. 202.
Ten aanzien van rov 3.12 worden de overwegingen van het hof met letters aangeduid, waarnaar in de klachten wordt verwezen. In het gedeelte dat in onderdeel 2.2-III met u wordt aangeduid.
MvG rnr 31.
MvG rnr 32
MvG rnrs 33–35.
MvG rnr. 27.
MvG 36–41.
Vgl. Asser/Lutjens 7 — XI 2019/555.
MvG rnrs 27 –42.
Vgl. Asser/Lutjens 7 — XI 2019/555.
Zie MvG rnr. 39.
M. Heemskerk, Pensioenrecht, 2e druk, Den Haag Boom 2020.
Waarin [verweerders] c.s. betogen dat een eenzijdig wijzigingsbeding niet zomaar kan worden getransporteerd naar een pensioenovereenkomst (rnr 32) en dat bekeken moet worden of AFM met [verweerders] c.s. een eenzijdig wijzigingsbeding als bedoeld in art 19 PW is overeengekomen en dat dit het geval is betreffende art 25 Pensioenreglement en dat aldus uitleggend het eenzijdig wijzigingsbeding geen rechtsgevolg heeft gehad (rnrs. 35–41).
En dat zij dus bij aanvang van de arbeidsovereenkomst hebben begrepen, althans hebben moeten begrijpen.
Vgl. Asser/Lutjens 7 — XI 2019/555.
Zie voor [verweerders] c.s. onder meer MvG 27–41 en in het bijzonder rnr. 27 waar wordt gerefereerd aan het ‘eensluidend standpunt van partijen dat de gronden genoemd in artikel 25 van het pensionreglement behorend bij Pensionregeling 2014 zich in deze zaak niet voordoen’ en in eerste aanleg CvR rnr 1 en voor AFM onder meer pleitaantekeningen AFM in appel, onder randnr. 3 ‘Partijen zijn het erover eens dat sprake is van eenzijdig wijzigingsbeding opgenomen in het pensioenreglement gebaseerd op artikel 19 Pensioenwet […]’). En zie in eerste aanleg CvD rnr 2 eerste twee volzinnen: [verweerders] c.s. stellen onder nr. 1 van de conclusie van repliek vast dat de AFM in punt 17 van de conclusie van antwoord erkent dat de redenen voor de wijziging die de AFM heeft aangevoerd niet worden genoemd in artikel 25 van de Pensioenregeling 2015. Die vaststelling klopt inderdaad als zodanig. (…)’
Bijvoorbeeld CvD rnrs. 3–8.
Bijvoorbeeld: MvG rnrs. 27– 42.
HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1867.
Zie hierboven rnrs. 1.3–1.5 met vindplaatsen in de MvG.
Vgl. MvG rnrs. 62 en 78.
HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864.
De Hoge Raad verwijst naar: Kamerstukken II 1995/96, 24615, nr. 3, p. 22.
MvG rnr. 78.
HR 26 februari 2018 ECLI:NL:HR:2018:220 (naam 1] & [naam 2.)
Hierna wordt telkens verwezen als het om rov 3.12 haat naar die onderverdeling in letters in onderdeel 2.2-III
Zie voor deze onderverdeling van rov 3.12 in a t/m v onderdeel 2.2-III
Zie hieromtrent hierboven onder 1.3 t/m 1.5 met vindplaatsen in de MvG.
Zie hieromtrent MvG 138 – 148. Zie verder voor de stelling dat er structureel in de Pensioenregeling 2016 te weinig premie wordt betaald MvG rnrs. 168–170 met een verwijzing naar het rapport Pensioen Perspectief van 7 maart 2019 (productie 12 bij MvG).
De werknemers in schaal H zaten toch al substantieel onder de mediaan (MvG rnr 213). Naar het onderzoek van Hay wordt verwezen in het memorandum van AFM aan de ondernemingsraad van AFM van 15 juni 2015 (productie 2 bij conclusie van antwoord). Op bladzijde 4 van dat memo staat, met betrekking tot werknemers in schaal H, de schaal waarin [verweerders] c.s. zich bevinden, het volgende:‘Het is duidelijk dat zowel voor het maximum van de salarisschalen als voor de daadwerkelijke beloning geldt dat de beloningsniveaus zich onder de mediaan bevinden. Dit geldt voor het vaste inkomen (jaarsalaris plus vakantiegeld, 13• maand en spaarbijdrage), de verschillen worden groter als in de vergelijking ook het variabel (korte en lange) termijn wordt meegenomen en de totale benefitwaarde van de arbeidsvoorwaarden: waaronder de leaseauto en waarde pensioen uitgedrukt in % loon. (…)In eerdere communicatie ging het bestuur er nog vanuit dat de AFM beloningspositie (flink) boven de mediaan zou zitten. Het HAY-rapport geeft het bestuur wat dat betreft andere inzichten. In deze groepen licht het beloningsniveau van de AFM tussen de mediaan van de Overheid en die van de gecombineerde markt. Het verschil met de Markt Financiële Dienstverlening is bij deze schalen het grootst. De afstand tot de gecombineerde markt is substantieel (10%, 12,5% resp. 15%) onder de mediaan. Het bestuur vindt dat een deel van het beloningsverschil met de mediaan uit te leggen valt en te rechtvaardigen: hier speelt vooral het werken bij een organisatie met een maatschappelijke functie richting bedrijfsleven en nauwe betrokkenheid bij de overheid.’
CvA rnr 28.
Zie ook het p-v van de zitting in appel d.d. 27 november 2019 p. 2 laatste twee woordblokken: ‘Voorzitter: u heeft het over die solidariteitsgedachte gehad. Ik vroeg mij af: stel dat het hof uiteindelijk ten voordele van de appellanten oordeelt, wat betekent dat voor de rest van de werknemers van AFM? Mr. Van der Kolk: dat is een vraag die we vaak krijgen. Ik denk formeel juridisch dat anderen zich hier niet op kunnen beroepen, aangezien zij geen partij zijn bij de procedure. Anderen zouden kunnen zeggen dat er sprake is van ongelijkheid, dat creëert wel een dilemma. Vanuit de praktijk heb je een vervelend verhaal en dat zal vragen oproepen bij werknemers.’
CvA rnr. 28 en overgenomen in CvR. rnr 10.
Aldus zal — naar verwachting — het effect op de begroting van de AFM bij ongewijzigde in stand lating van de regeling 2014 gering zijn.
Pleitnota in appel rnr. 27
Voor zover al van toepassing zie onderdeel 2.1
Zie hierboven randnummers 1.3 t/m 1.5 met vindplaatsen.
Voor zover al van toepassing zie onderdeel 2.1
MvG rnr. 74
MvG rnr. 75.
Dit vanwege de gedempte premie. Zie hierboven randnummer 1.1 en MvG rnrs. 139–147 en 170–171. Zie voor wat betreft de indexatie ook MvG rnrs. 116 — 123.
Zie bijvoorbeeld CvA rnr. 21.
Bijvoorbeeld: HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864
Zie ook MvG rnr 61,
Dit lijkt AFM ook te onderschrijven bij MvA rnr. 59 door te onderschrijven dat de OR heeft ingestemd op basis van informatie die hij op collectief niveau heeft gekregen omdat het geen individuele (maar in de visie van AFM collectieve) belangenbehartiger is.
Bijvoorbeeld: HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1864
MvA rnrs. 59 en 60 waar rnrs 202–204 van de MvG worden besproken.
MvG rnrs. 199–204.
Inleidende dagvaarding rnrs. 15 en 32– 39
MvG rnr 7.
De brief van Ministerie van 27 augustus 2015 vermeldt: ‘Voor de beoordeling van de begroting van 2016 is noodzakelijk dat duidelijk wordt welke versoberingen zullen worden doorgevoerd, op welke termijn en welke besparingen dat zal opleveren.’ Het Ministerie heeft dus niet voorgeschreven welke versoberingen moeten worden doorgevoerd. Ze laat dit aan de AFM. Zie rov 2.12, laatste alinea.
Zie het citaat in MvG rnr. 214.
MvG rnrs. 208 en 212.
MvG rnr. 215.
Daarin wordt onder meer aangegeven:‘In het rapport van WTW wordt de conclusie getrokken dat de regeling qua inhoud marktconform is (met uitzondering van het destijds voorgestelde risico partnerpensioen, maar dit is in het uiteindelijke akkoord gewijzigd in een opbouw partnerpensioen). Het vervolg van de conclusie stelt echter dat de financiële opzet niet marktconform is (zelfs ongebruikelijk). De in het onderzoek betrokken financiële instellingen die zijn betrokken in het onderzoek kennen een feitelijke premie die een marge bevat van 30%–45% ten opzichte van de zuivere kostendekkende premie. Daarnaast is bij overgang de dekkingsgraad van het fonds via een storting verhoogd, of is het verleden niet ingebracht in de COC-regeling. (…)Uit de marktvergelijking die WTW heeft gemaakt blijkt dat de partijen die in de financiële sector zijn overgegaan naar een CDC-regeling, de feitelijke premie 130%-145% van de zuivere kostendekkende premie is. Deze opslag compenseert dan voor het risico dat naar de deelnemers is verschoven. Uit ‘Bijlage II Resultaten ALM-studie (11 december 2015, uitgevoerd door Mercer)’ bij het ‘Pensioenakkoord AFM 2016’ (Productie 10) blijkt de gemiddelde zuivere kostendekkende premie (15-jaars gemiddelde) 25,1% bedraagt. Dit betekent dus een marktconforme CDC-premie van 32,6% tot 36,4% van de salarissom. De gemiddelde overeengekomen CDC-premie bedraagt in deze periode 26,9% (namelijk 25% premie + 1,9% gemiddelde aanvullende premie voor de indexatiegarantie van 1,5% gedurende de eerste 10 jaar). De feitelijke premie omvat dus een marge van 7% ten opzichte van de zuivere kostendekkende premie. De kans dat de opbouw in enig jaar gekort moet worden is daarmee aanmerkelijk hoger door het niet marktconforme premieniveau.In de bijlage met ALM-resultaten valt dan ook terug te lezen dat het gemiddelde opbouwpercentage niet 1,875% is in de onderzochte 15-jaars periode, maar 1,793%. Een gemiddelde procentuele verlaging van de opbouw van 4,4%.Volgens de bijlage met ALM-resultaten bij het pensioenakkoord zou de gemiddelde verschuldigde premie van de huidige regeling 34,1% bedragen in de 15-jaars periode. Door de wijziging van de regeling is het gemiddelde premieniveau dus verlaagd met 21,1% (verlaging van 34,1% naar 26,9%). Op termijn is het verschil nog groter, omdat de aanvullende indexatiegarantie slechts geldt in de eerste 10 jaar.Het premieniveau is dus verlaagd met 21,1%, terwijl ook nog eens het risico verschuift naar de deelnemers en de deelnemersbijdrage op termijn omhoog gaat.’
CvR rnrs. 33 en (gedeeltelijk) MvG 206 en 207 eerste zin.
Die in het geweer zijn gekomen tegen de eenzijdige wijziging, waarvoor eveneens een zaak bij Uw Raad aanhangig is. CvR rnr 39/
Dit is te vinden op p. 3 van productie 2 bij CvA onder 3 ‘Beloningbenchmark’ eerste gedachtestreepje en is zoals uit de aanhef onder voornoemd kopje blijkt dat AFM haar stellingen baseert op het beloningbenchmark van de Hay Group van begin 2015.
Zie bijvoorbeeld MvG rnr. 70–77 (i.h.b. rnrs. 70 en 77 sub vii).
MvG rnr. 77.
MvG rnr. 93
MvG rnrs. 228–236. i.h.b. 230.
MvG rnr. 88
MvG rnr. 170
MvG rnr. 136
MvG rnr. 237.
Gesteld noch gebleken is immers dat AFM de minister uit de droom heeft geholpen. In plaats daarvan heeft men dit aangegrepen om de voor de werknemers meest ongunstige en voor de (begroting van de) AFM meest gunstige variant in te kunnen voeren. Kennelijk kwam AFM deze onjuiste beeldvorming dus wel goed uit.
MvG rnr. 136, voetnoot 24. De werkelijkheid is nog veel erger: In 2020 van 1,875% maar 1,813% In 2021 van 1,813% naar 1,273%. Dit betekent dat er zo'n 30% te weinig pensioen wordt opgebouwd.
Het hof noemt dat sub g. de pensioenuitkeringsovereenkomst ter discussie stellen vanwege de volatiliteit van de daarmee samenhangende financiële verplichtingen en de daarmee gepaard gaande budgettaire problemen bij het beheersen van de kosten en de onzekerheden als gevolg van de prudentiële toezichtwetgeving met betrekking tot de berekening van de aan te houden voorzieningen en de (minimaal) aan te houden buffers.
MvG rnr. 170.
MvG rnr. 196
Zie bijvoorbeeld MvG rnr. 70–77 (ihb. rnrs. 70 en 77 sub vii).
MvG rnr 77 sub vii. Zie ook MvG rnrs. 228–237.
Uiteraard voor zover van toepassing zie onderdeel 2.1.
Zie stelling 4, 2e gedachtestreepje.
Uiteraard voor zover van toepassing zie onderdeel 2.1.
Uiteraard voor zover van toepassing zie onderdeel 2.1.
MvG rnr 17–23 betreffende de slechte financiële positie van het pensioenfonds en de noodzaak tot herstelbetalingen.jo. rnr. 77 sub (i) en rnr 239 (i).
MvG rnr 77 sub (ii).
MvG rnr 77 sub (vi): AFM betaalt slechts een lage gedempte kostendekkende premie. Zie ook MvG rnrs. 139–147 en MvG rnrs. 168–170 met een verwijzing naar het rapport Pensioen Perspectief van 7 maart 2019 (productie 12 bij MvG).
MvG rnr 77 sub (vi) en rnrs. 228–237 Zie ook MvG 149–152.
Uiteraard voor zover van toepassing zie onderdeel 2.1.
MvG rnr 77 sub (vii), 78 en
MvG rnrs. 77 (ii) en 239 (ii) zie ook stelling 3.
Uiteraard voor zover van toepassing zie onderdeel 2.1.
Bijvoorbeeld MvG rnrs. 77 (ii) en 239 (ii)
Zie bijvoorbeeld MvG rnr. 70–77 (i.h.b. rnrs. 70 en 77 sub vii).
Beroepschrift 05‑03‑2021
Procesinleiding vorderingsprocedure Hoge Raad
Algemeen
Datum indienen | 2 februari 2021 |
Gerecht | Hoge Raad der Nederlanden |
Uiterste verschijndatum verweerder | 5 maart 2021 |
De enkelvoudige civiele kamer van de Hoge Raad behandelt de zaken, vermeld op het in artikel 15 van het Besluit orde van dienst gerechten bedoelde overzicht van zaken, op vrijdagen zoals vermeld in hoofdstuk 1 van het procesreglement Hoge Raad der Nederlanden, om 10.00 uur.
Partijen en advocaten
Eiseres tot cassatie
Naam | Autoriteit Financiële Markten |
Woonplaats | Amsterdam |
Rechtsvorm | Stichting |
Toevoeging | Nee |
Eiseres tot cassatie wordt hierna ook aangeduid als ‘de AFM’.
De door de AFM aangewezen advocaten bij de Hoge Raad, die haar in het geding zullen vertegenwoordigen en bij wie de AFM woonplaats kiest:
Naam | mrs. B.F.L.M. Schim en F.E. Vermeulen (NautaDutilh N.V.) |
Adres | Beethovenstraat 400 |
Plaats | 1082 PR Amsterdam |
Verweerders in cassatie
Verweerder 1 | |
Voornamen | [verweerder 1] |
Achternaam | [verweerder 1] |
Woonplaats | [woonplaats] |
Verweerder 2 | |
Voornamen | [verweerder 2] |
Achternaam | [verweerder 2] |
Woonplaats | [woonplaats] |
Verweerder 3 | |
Voornamen | [verweerder 3] |
Achternaam | [verweerder 3] |
Woonplaats | [woonplaats] |
Advocaat in vorige instantie
Naam | mr. G.R. Derksen (KienhuisHoving advocaten & notarissen) |
Adres | Postbus 109 |
Plaats | (7500 AC) Enschede |
Verweerders in cassatie worden hierna ook aangeduid als ‘[verweerders] c.s.’.
Bestreden uitspraak
Instantie | Gerechtshof Amsterdam |
Zaaknummer | 200.250.384/01 |
Datum | 3 november 2020 |
Appellanten | [verweerders] c.s. |
Geïntimeerde | de AFM |
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming nietigheid meebrengt, doordat het hof ten onrechte heeft geoordeeld en beslist zoals weergegeven in zijn hiervoor vermelde op 3 november 2020 uitgesproken arrest, zulks om één of meer van de volgende, waar nodig in onderling verband en samenhang te beschouwen, redenen.
Onderdeel 1 — Wijziging van indexatie
1.1
In rov. 3.6 heeft het hof het tweede onderdeel van grief 2 gegrond bevonden, met de in rov. 3.5 weergegeven strekking dat sprake is van een wijziging van een onvoorwaardelijke in een voorwaardelijke indexatie en dat deze wijziging nietig is op grond van art. 20 PW. Daarbij heeft het hof de indexatie waarop uit hoofde van het pensioenreglement (zoals dat luidde vóór de wijziging, ook wel aangeduid als ‘pensioenreglement 2014’1.) aanspraak kan worden gemaakt, gekwalificeerd als (onderdeel van) een ‘pensioenaanspraak’ in de zin van art. 1 PW. Voorts heeft het hof overwogen dat ‘volgens art. 95 PW […] een toeslag alleen voorwaardelijk [is] indien in de pensioenovereenkomst, de uitvoeringsovereenkomst, het pensioenreglement, de opgaven op grond van […] alsmede in de overige, persoonlijke, informatieverstrekking over de toeslagverlening door de pensioenuitvoerder een voorwaardelijkheidsverklaring is opgenomen.’ Tussen partijen is, aldus het hof, niet in geschil dat de toeslag op basis van de algemene (niet-incidentele) loonontwikkeling bij AFM over het voorafgaande boekjaar in art. 9 lid 3 van pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is. Net als de jaarlijkse inkoop van ouderdomspension eindigt deze toeslagverlening bij einde van het dienstverband en betaalt de AFM jaarlijks een koopsom voor de inkoop van de toeslag. De tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken worden niet gewijzigd als bedoeld in art. 20 PW indien en zo lang […] art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 van toepassing blijft op de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken zolang [verweerders] c.s. in dienst blijven van de AFM en dus nog deelnemer zijn, aldus het hof.
Deze oordelen geven om de volgende redenen blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd.
1.1.1
Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de in art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 bedoelde toeslagverlening, die eindigt bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst,2. onvoorwaardelijk is in de zin dat deze kan worden gekwalificeerd als een pensioenaanspraak waarop art. 20 PW van toepassing is. In een geval zoals het onderhavige, waarin de regeling bepaalt dat op de ‘pensioenaanspraken voor deelnemers […] jaarlijks een toeslag [wordt] verleend’ (die door de werkgever wordt voldaan),3. is rechtens géén sprake van een volledig onvoorwaardelijke4. toeslagverlening, maar van een toeslagverlening met een voorwaardelijk element, te weten: de voortzetting van de arbeidsrelatie (deelname aan de regeling).5. Bijgevolg kan een dergelijke toeslagverlening niet worden gekwalificeerd als een pensioenaanspraak in de zin van art. 1 PW althans is art. 20 PW daarop niet van toepassing. Zoals de AFM heeft gesteld,6. volgt uit art. 9 lid 3 (jo. 22) pensioenreglement 2014 dat de daarin toegezegde toeslag een van een onzekere toekomstige gebeurtenis afhankelijk en dus voorwaardelijk element bevat, aangezien de toekenning van de toeslag afhankelijk is van het zijn van ‘deelnemer’ en eindigt bij het einde van het dienstverband. In dit verband heeft AFM voorts gesteld dat de financiering van dergelijke toeslagen met een voorwaardelijk element jaarlijks plaatsvindt op basis van koopsommen en niet op dezelfde wijze als een volledig onvoorwaardelijke toeslag, waarbij vooraf in één keer de contante waarde wordt gefinancierd van alle toekomstige uitkeringen, inclusief toekomstige groei van jaar tot jaar. Daarbij komt dat er geen logische reden is toeslagverlening met een voorwaardelijk element zoals de onderhavige onder de bescherming van het aantastingsverbod van art. 20 PW te brengen. Benadrukt zij dat de legitimiteit van de toepasselijkheid van het aantastingsverbod op onvoorwaardelijke toeslagen erin ligt dat voor opgebouwd pensioen al is betaald, wat niet aan de orde is bij toeslagen met een voorwaardelijk element zoals de onderhavige.
1.1.2
Voor zover het hof in rov. 3.6 mocht hebben geoordeeld dat sprake is van een onvoorwaardelijke toeslag omdat (en zo lang) [verweerders] c.s. in dienst zijn (en dus als deelnemer gelden) bij de jaarlijkse toekenning van de toeslag en dus voldaan is aan de bovenbedoelde voorwaarde, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijke en/of ontoereikend gemotiveerde beslissing gegeven. De beoordeling of sprake is van een onvoorwaardelijke dan wel een voorwaardelijke toeslagverlening, moet immers plaatsvinden op basis van (uitleg van) de indexati etoezegging zoals deze door de AFM bij het aangaan van de pensioenovereenkomst is gedaan met art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014. Daarbij komt rechtens geen betekenis toe aan de omstandigheid dat [verweerders] c.s. tot 1 januari 2016 (alsook daarna) daadwerkelijk in dienst zijn geweest.
1.1.3
Onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat niet in geschil is dat de toeslag op basis van de algemene (niet-incidentele) loonontwikkeling bij AFM over het voorafgaande boekjaar in art. 9 lid 3 van Pensioenreglement 2014 geen voorwaardelijke toeslag is.
- A.
De AFM heeft onmiskenbaar gesteld dat de toeslag uit hoofde van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 het voorwaardelijk element bevat dat zij alleen geldt zo lang [verweerders] c.s. als werknemer in dienst zijn (en dus gelden als deelnemer).7. Daarbij heeft de AFM, tegen de achtergrond van de in subonderdeel 1.1.1 verdedigde uitleg van het begrip pensioenaanspraak in de zin van art. 1 PW en van art. 20 PW, betoogd dat laatstgenoemde bepaling niet in de weg staat aan wijziging van de bedoelde toeslag in een voorwaardelijke. [verweerders] c.s. hebben dit verweer van de AFM blijkens Plta HB nr. 40 en 41 opgevat in de zin dat de toeslag het bedoelde voorwaardelijk element bevat.
- B.
De AFM heeft erop gewezen dat art. 9 lid 3, slotzin, pensioenreglement 2014 bepaalt:
‘Het bestuur beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenaanspraken worden aangepast’.
In dat licht heeft de AFM gesteld dat niet vaststaat dat er altijd geïndexeerd zal moeten worden tot de pensioendatum.8. De AFM heeft ook hiermee (los van wat onder A. hierboven is gesteld), kenbaar voor [verweerders] c.s. en het hof, bestreden dat sprake was van een onvoorwaardelijke toeslag.
1.1.4
- A.
Voor zover het hof, mede gelet op de verwijzing in rov. 3.6 naar art. 95 PW en het vereiste van een voorwaardelijkheidsverklaring, heeft geoordeeld dat in dit geval niet aan dit vereiste zou zijn voldaan, heeft het hof in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vorderingen van [verweerders] c.s. aangevuld en/of in strijd met art. 19 Rv en art. 6 EVRM een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. [verweerders] c.s. hebben ter zake van enig voorwaardelijk element in de toeslag van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 geen beroep gedaan op art. 95 lid 3 PW en/of betoogd dat ten aanzien daarvan een voorwaardelijkheidsverklaring ontbreekt en de toeslag daarom niet dit door de AFM gestelde voorwaardelijke element bevat.
- B.
Voorts/althans heeft het hof met zijn oordeel, mede in het licht van de in subonderdeel 1.1.3 vermelde stellingen van de AFM, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. De strekking van art. 95 PW en dus ook van lid 3 van die bepaling is te waarborgen dat bij een deelnemer geen verkeerde verwachtingen worden gewekt.9. Deze strekking maakt dat het vereiste van art. 95 lid 3 PW van een voorwaardelijkheidsverklaring niet geldt ten aanzien van het — reeds op zich voldoende kenbare — voorwaardelijk element van het voortduren van de arbeidsovereenkomst en deelname aan de pensioenregeling zoals bedoeld in subonderdeel 1.1.1. Althans kan rechtens ook aan art. 95 lid 3 PW zijn voldaan, indien de voorwaardelijkheid van een aanspraak voldoende duidelijk blijkt uit de bepalingen van de pensioenovereenkomst of het pensioenreglement dan wel uit de overige in art. 95 PW genoemde stukken. Uit de door het hof in rov. 3.6 weergegeven bepalingen van het pensioenreglement 2014 en de in subonderdeel 1.1.3 onder B. weergegeven slotzin van art. 9 lid 3 pensioenreglement 2014 volgt voldoende duidelijk dat de toekenning van de bedoelde toeslag afhankelijk is van het voortduren van het dienstverband en/of van een beslissing van het bestuur van het pensioenfonds. Het hof heeft in dit licht dan ook een onjuiste maatstaf aangelegd, althans had het hof nader moeten motiveren waarom met de bedoelde bepalingen van het pensioenreglement niet zou zijn voldaan aan art. 95 lid 3 PW.
1.2
Het hof oordeelt in rov. 3.6 dat de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken niet worden gewijzigd, als bedoeld in art. 20 PW, indien en zo lang ‘pensioenaanspraken [van [verweerders] c.s.] vanaf uitdiensttreding of pensionering worden aangepast op basis van de voorwaardelijke toeslagregeling van art. 22 van Pensioenreglement 2014’. Het hof vervolgt met het oordeel dat bij gebreke van een waardeoverdracht in de zin van art. 83 lid 1 PW ‘de gewijzigde toeslagregeling in art. 22 van Pensioenreglement 2016, als sprake zou zijn van een rechtsgeldige wijziging, alleen van toepassing is op de pensioenaanspraken van [verweerders] c.s. opgebouwd vanaf 1 januari 2016’. Het hof overweegt vervolgens dat het daarom met toepassing van art. 20 PW voor recht zal verklaren dat ‘vanaf hun [lees: [verweerders] c.s.] uitdiensttreding bij AFM de voorwaardelijke toeslagregeling van art. 22 pensioenreglement 2014 van toepassing zal zijn op alle uit hoofde van de pensioenregeling 2014 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten, behoudens het bepaalde in art. 76, 78, 83 en 134 PW’.
Het hof heeft hiermee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd oordeel gegeven. Aangezien het hof in rov. 3.6 de toeslagregeling van art. 22 pensioenreglement 2014, die van toepassing is vanaf het moment van uitdiensttreding, — terecht — kwalificeert als voorwaardelijk, kan een krachtens die regeling toe te kennen toeslag rechtens niet worden gekwalificeerd als een pensioenaanspraak in de zin van art. 1 PW, ook niet voor zover die toeslag betrekking heeft op tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken. Bijgevolg kan art. 20 PW niet in de weg staan aan een wijziging van deze bepaling uit het pensioenreglement en toepasselijkheid van die wijziging op toeslagen die betrekking hebben op tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken. De omstandigheid dat een collectieve waardeoverdracht ontbreekt, is in dit verband niet relevant, omdat art. 20 PW niet van toepassing is.
1.3
Met het slagen van de subonderdelen 1.1 t/m 1.1.2 ontvalt de grond aan de verklaring voor recht in het dictum dat de wijziging van de pensioenovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de onvoorwaardelijke indexatie van tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en de daarmee verband houdende veroordeling tot nakoming van de pensioenovereenkomst 2014. Met het slagen van subonderdeel 1.2 ontvalt de grond aan genoemde oordelen voor zover deze betrekking hebben op de voortdurende gelding van art. 22 pensioenreglement 2014.
Onderdeel 2 — Beëindiging van (1) herstelpremieverplichting, (2) verplichting tot bijdrage in kostenoverschrijdingen en (3) verplichting tot bijstorten bij wijzigingen in grondslagen; overstap naar methodiek van gedempte kostendekkende premie
2
In rov. 3.7 overweegt het hof toe te komen aan bespreking van het eerste onderdeel van grief 2, gericht tegen de toepassing van art. 7:613 BW door de kantonrechter. Het hof neemt terecht de in HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1867 geformuleerde maatstaf tot uitgangspunt.
In rov. 3.8 oordeelt het hof dat, bij de beoordeling van het zwaarwichtig belang van de AFM bij het verlagen van haar pensioenlast in toekomstige begrotingen tot 25% van de ongemaximeerde loonsom en het daar tegenover staande belang van de werknemers, moet worden beoordeeld (1) wat de impact is van wijzigingen die van invloed zijn op alle opgebouwde pensioenaanspraken van de werknemers en gewezen deelnemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden en (2) wat de impact is van de wijziging van de pensioenovereenkomst op de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers. Het eenzijdig wijzigingsbeding in de arbeidsovereenkomst geldt naar het oordeel van het hof niet per definitie voor wijzigingen die ook gelden voor gewezen deelnemers en gepensioneerden.
In rov. 3.10, eerste alinea, eerste volzin, oordeelt het hof dat het eenzijdig wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot de toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers en niet, zoals in het onderhavige geval, voor wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst tussen AFM en haar pensioenfonds die effect hebben op de door gewezen deelnemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en — rechten.
Het hof oordeelt in rov. 3.10, tweede alinea, dat de voorgestelde pensioenovereenkomst gebaseerd is op een beschikbare premie. Gegeven dit feit heeft, aldus het hof, de eenzijdige beëindiging van de herstelpremieopslag, de gegarandeerde bijdrage aan kostenoverschrijdingen boven € 700.000,- en de afschaffing van de verplichting om bij te storten bij wijzigingen in de grondslagen anders dan de rekenrente, in feite alleen effect op de tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van alle (gewezen) deelnemers en pensioenrechten van gepensioneerden en vergroot die wijziging de kans op korten of verlaagt zij de kans op prijsindexatie van die in het verleden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten. Het zwaarwichtig belang van de AFM bij die wijzigingen in de Uitvoeringsovereenkomst 2014 speelt in deze procedure over de wijziging van de pensioenovereenkomst geen rol en zou door de AFM moeten zijn aangekaart in een voorstel aan alle gerechtigden met vóór 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten om hun aanspraken en rechten in te brengen in een nieuwe pensioenregeling met toepassing van art. 83 PW.
In rov. 3.10, derde alinea, oordeelt het hof dat voor wijziging van de in de tweede alinea vermelde verplichtingen van de AFM de medewerking nodig is van alle gerechtigden op pensioen opgebouwd vóór 2016 en geen beroep kan worden gedaan op art. 7:613 BW respectievelijk art. 19 PW. Verder overweegt het hof onder verwijzing naar rov. 3.6 dat wijzigingen van de pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan gesloten (gewijzigde) uitvoeringsovereenkomst alleen kunnen worden toegepast op reeds opgebouwde pensioenaanspraken door een (interne) waardeoverdracht. Daarvan is niet gebleken. Het hof concludeert dat de uitvoeringsovereenkomst zoals die gold vóór de wijziging (ook wel aangeduid als de uitvoeringsovereenkomst 2014) in stand is gebleven, zij het beperkt tot alle tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en met dien verstande dat de herstelpremie gekoppeld blijft aan de pensioenpremie die AFM betaalt voor toekomstige pensioenopbouw en eindigt in 2023 of eerder als het vereist eigen vermogen in relatie tot de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken door waarden is gedekt.
In rov. 3.11 overweegt het hof dat de AFM weliswaar heeft gesteld dat een werknemer (zoals [verweerders] c.s.) juist voordeel heeft bij de gewijzigde premiesystematiek ten koste van slapers en gepensioneerden. Het hof oordeelt echter dat de AFM uitdrukkelijk erkent dat de met het pensioenfonds gemaakte afspraak om de beschikbare premie aan te wenden voor inkoop van pensioen op basis van de regels voor een gedempte premie in plaats van een zuiver kostendekkende premie ten nadele strekt van de gewezen deelnemers en gepensioneerden. Ook voor dat onderdeel van het pensioenakkoord geldt dat eenzijdig wijzigen niet mogelijk is met een beroep op art. 7:613 BW. Bij zijn verdere beoordeling neemt het hof dit als uitgangspunt.
Deze oordelen van het hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans zijn onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd om de volgende, in onderling verband te beoordelen, redenen.
2.1
Met zijn bestreden oordelen heeft het hof miskend dat, nu vaststaat dat [verweerders] c.s. als werknemers in dienst zijn10. en dus géén gewezen werknemers of gepensioneerden zijn, bij de beoordeling van de rechtsverhouding tussen de AFM en [verweerders] c.s. geen betekenis toekomt aan de omstandigheden (i) dat de door de AFM voorgestane wijzigingen nadelige effecten (kunnen) hebben voor opgebouwde pensioenaanspraken van gewezen werknemers en ingegane pensioenrechten van gepensioneerden en (ii) dat het wijzigingsbeding niet ten aanzien van deze categorie van belanghebbenden kan worden ingeroepen. Dit geldt ongeacht of het hof met zijn bestreden oordelen toepassing heeft beoogd te geven aan art. 19 PW en art. 7:613 BW dan wel aan art. 20 PW of een daaraan analogische norm (zie ook subonderdelen 2.4 en 2.5 hieronder). Althans geldt dat indien één of meer wijzigingen niet inroepbaar zijn tegenover (één of meer) gewezen werknemers en gepensioneerden, dit rechtens, gelet hun onderscheiden belangen, nog niet maakt dat die wijzigingen evenzeer niet geldig/inroepbaar zijn tegenover [verweerders] c.s. als werknemers. Het hof mocht dan ook niet volstaan met het vaststellen van de ongeldigheid/niet-inroepbaarheid van de wijzigingen in de verhouding tot gewezen werknemers en gepensioneerden, maar had nader moeten motiveren waarom die ongeldigheid/niet-inroepbaarheid ook geldt in de — rechtens te onderscheiden — rechtsverhouding tussen de AFM en [verweerders] c.s.
2.2
Het hof heeft ten onrechte betekenis eraan toegekend dat het eenzijdig wijzigingsbeding niet geldt voor wijzigingen in de uitvoeringsovereenkomst tussen de AFM en haar pensioenfonds die effect hebben op de door gewezen werknemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten.
2.2.1
Het hof heeft aldus in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vorderingen van [verweerders] aangevuld, althans het beginsel van hoor en wederhoor zoals verankerd in art. 6 EVRM en art. 19 Rv geschonden en een ontoelaatbare verrassingsbeslissing gegeven. [verweerders] c.s. hebben immers niet (kenbaar) aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat een deel van de door de AFM voorgestane wijzigingen betrekking heeft op de uitvoeringsovereenkomst en effect heeft op de door gewezen werknemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Het beroep van [verweerders] c.s. op art. 20 PW in appel is bovendien beperkt tot specifiek en uitsluitend de wijziging van een onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke indexatie.11. Ten aanzien van de andere door de AFM voorgestane wijzigingen hebben [verweerders] c.s. uitsluitend betoogd dat een belangenafweging ex art. 7:613 BW ertoe leidt dat hun belangen zwaarder moeten wegen dan de belangen van de AFM. In dat verband hebben zij gesteld dat de wijzigingen in verschillende opzichten zeer nadelig zijn voor [verweerders] c.s. (en dus niet: voor anderen), dat de door de AFM getroffen compensatie- of mitigatiemaatregelingen onvoldoende zijn voor [verweerders] c.s. (en dus niet: voor anderen) en dat de AFM om verschillende redenen een onvoldoende zwaarwegend belang heeft bij de wijziging.12. De AFM had er redelijkerwijs niet bedacht op kunnen zijn dat het hof betekenis eraan zou toekennen dat één of meer door de AFM voorgestane wijzigingen betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst en effect hebben op de door gewezen werknemers en gepensioneerden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en -rechten. Het hof heeft in ieder geval nagelaten partijen in de gelegenheid te stellen het processuele debat dienaangaande al dan niet aan te gaan.
2.2.2
Althans heeft het hof met de onder 2 vermelde oordelen, rov. 3.9, eerste volzin) en/of rov. 3.3, laatste volzin, de gedingstukken van [verweerders] c.s. en in het bijzonder grief 2 onbegrijpelijk uitgelegd. De stellingen van [verweerders] c.s. die betrekking hebben op art. 20 PW waren immers, zoals in subonderdeel 2.2.1 is toegelicht, uitsluitend kenbaar gericht op de wijziging van de indexatie. [verweerders] c.s. hebben voor de overige door de AFM voorgestane wijzigingen uitsluitend een beroep gedaan op art. 7:613 BW en 19 PW. De daarvoor door [verweerders] c.s. aangevoerde stellingen zien alleen op de door die bepalingen voorgeschreven belangenafweging en op hun eigen belangen. De AFM heeft het beroep van [verweerders] c.s. op art. 20 PW zo begrepen13. en mogen begrijpen dat dit uitsluitend betrekking heeft op de kwestie van de indexatie en dat met betrekking tot de overige door haar voorgestane wijziging uitsluitend een beroep op art. 7:613 BW en art. 19 PW is gedaan.14. 's Hofs uitleg van de gedingstukken en in het bijzonder grief 2 is temeer onbegrijpelijk, omdat zij onverenigbaar is met de — juiste, tot wijziging van de indexatie beperkte — uitleg daarvan in rov. 3.5.
2.3
Het hof heeft in rov. 3.10, tweede alinea, en rov. 3.11 uit een tweetal omstandigheden afgeleid dat sprake is van een wijziging van de opgebouwde pensioenaanspraken waartegen art. 20 PW of een daaraan analogische norm zich verzet. Deze omstandigheden zijn (i) dat de eenzijdige beëindiging van de herstelpremieopslag, de gegarandeerde bijdrage aan kostenoverschrijdingen boven € 700.000,- en de afschaffing van de verplichting om bij te storten bij wijzigingen in de grondslagen anders dan de rekenrente in feite alleen effect heeft op de tot 2016 opgebouwde pensioenaanspraken van alle (gewezen) deelnemers en pensioenrechten van gepensioneerden en de kans vergroot op korten of de kans verlaagt op prijsindexatie van die in het verleden onder eerdere pensioenovereenkomsten opgebouwde pensioenaanspraken en pensioenrechten en (ii) dat het aanwenden van de beschikbare premie conform de regels voor een gedempte premie ten nadele strekt van de gewezen werknemers en gepensioneerden.
Het hof heeft aldus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze achter (i) en (ii) vermelde omstandigheden maken niet dat sprake is van een wijziging van een opgebouwde pensioenaanspraak, zodat art. 20 PW geen (analogische) toepassing kan vinden. Het begrip pensioenaanspraak omvat niet de (wijze van) financiering van het door het pensionfonds uit te keren pensioen,15. welk onderwerp in beginsel in de uitvoeringsovereenkomst is neergelegd. De omstandigheid dat door een wijziging van een uitvoeringsovereenkomst (wellicht) een risico ontstaat dat op opgebouwde pensioenaanspraken of -rechten moet worden gekort of de kans geringer wordt dat over dergelijke rechten indexatie zal kunnen plaatsvinden, maakt nog niet dat een pensioenaanspraak als zodanig wordt gewijzigd.16. Mocht op enig moment (moeten) worden gekort (wat wél een wijziging van pensioenaanspraken en -rechten inhoudt), dan is dat door de verwijzing in art. 20 PW naar art. 134 PW expliciet van het verbod van art. 20 PW uitgezonderd.
2.4
De onder 2 vermelde oordelen zijn enerzijds gebaseerd op het uitgangspunt dat de wijzigingen zien op de uitvoeringsovereenkomst en/of anderzijds op het uitgangspunt dat het eenzijdig wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot de toekomstige pensioenopbouw van werknemers en niet, zoals het onderhavige geval, voor reeds opgebouwde/ingegane aanspraken/rechten van gewezen werknemers en gepensioneerden. Beide uitgangspunten leveren om de volgende redenen evenwel geen toereikende grondslag op voor 's hofs oordelen.
2.4.1
Aangezien het hof tot uitgangspunt heeft genomen dat de betreffende wijzigingen de uitvoeringsovereenkomst betreffen en dus niet de pensioenovereenkomst, had het hof die wijzigingen niet mogen toetsen aan art. 20 PW dan wel een daaraan analogische norm. Art. 20 PW ziet uitsluitend op een wijziging van de pensioenovereenkomst en niet op de uitvoeringsovereenkomst. Deze bepaling leent zich vanwege haar strekking en gelet op het systeem van de Pensioenwet niet voor extensieve of analogische toepassing op de uitvoeringsovereenkomst die is gesloten tussen de werkgever en een pensioenfonds. Het stelsel van de PW gaat immers uit van een driehoeksverhouding, waarbij de rechtsverhouding tussen de werkgever en de deelnemer in de zin van art. 1 PW uit hoofde van de pensioenovereenkomst rechtens moet worden onderscheiden van die tussen de werkgever en het pensioenfonds uit hoofde van de uitvoeringsovereenkomst en die tussen de deelnemer en het pensioenfonds uit hoofde van het pensioenreglement. Daarbij heeft het pensioenfonds een eigen verantwoordelijkheid bij een beslissing om al dan niet de uitvoeringsovereenkomst met de werkgever te wijzigen en dient het pensioenfonds hierover zelf een eigen afweging te maken. Om voormelde redenen is ook rechtens onjuist dat een ter uitvoering van een gewijzigde pensioenovereenkomst gesloten uitvoeringsovereenkomst alleen kan worden toegepast op een opgebouwde pensioenaanspraak (zie evenwel subonderdeel 2.3) door een (interne) waardeoverdracht zoals het hof oordeelt in rov. 3.10, derde alinea.
2.4.2
Nu de door het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 bedoelde wijzigingen de uitvoeringsovereenkomst betreffen en dus niet de pensioenovereenkomst, had het hof die wijzigingen evenmin mogen toetsen aan art. 7:613 BW en/of art. 19 PW (voor zover het hof dat mocht hebben gedaan). Die bepalingen zien immers evenzeer op een wijziging van de pensioenovereenkomst en lenen zich evenmin voor een extensieve of analogische toepassing op een wijziging van de uitvoeringsovereenkomst.
2.4.3
Voorts is, gegeven het feit dat de door het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 bedoelde wijzigingen betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst, bij de beoordeling van de geldigheid/inroepbaarheid van díe wijzigingen rechtens irrelevant of in de arbeids- of pensioenovereenkomst een bevoegdheid is overeengekomen om die wijzigingen (eenzijdig) aan te brengen en, zo ja, of die kan worden ingeroepen. Die wijzigingen zien immers op de rechtsverhouding tussen de AFM en het pensioenfonds en niet op die tussen de AFM en [verweerders] c.s. Daarbij is van betekenis dat het hof niet heeft vastgesteld dat [verweerders] c.s. op enigerlei wijze partij zouden zijn geworden bij de uitvoeringsovereenkomst tussen de AFM en het pensioenfonds. Evenmin heeft het hof vastgesteld dat de wijzigingen van de uitvoeringsovereenkomst tussen de AFM en het pensioenfonds in enig opzicht zouden kunnen worden gezien als (mede) betrekking hebbend op de pensioenovereenkomst tussen de AFM en [verweerders] c.s. of dat zij een tekortkoming in de nakoming van die pensioenovereenkomst zouden vormen (wat overigens niet kan leiden tot ongeldigheid van de wijziging van de uitvoeringsovereenkomst). [verweerders] c.s. hebben over dit alles ook niets gesteld.17.
2.4.4
's Hofs uitgangspunt dat het wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers, is onbegrijpelijk omdat het hof dit oordeel niet in rov. 3.8, 3.10 en 3.11 (noch elders) heeft gemotiveerd. Het valt dan ook niet na te gaan welke rechtsgrond het hof aan dit oordeel ten grondslag heeft gelegd, welke maatstaf het hof daarbij heeft aangelegd, of dit de juiste maatstaf is en of het hof alle relevante omstandigheden in de beoordeling heeft betrokken. Voor zover het hof een uitleg heeft gegeven aan art. 10 van de arbeidsovereenkomst, heeft het hof die uitleg ten onrechte niet gemotiveerd tegenover de essentiële stellingen van de AFM dat zij de door haar voorgestane wijzigingen kon aanbrengen omdat art. 10 arbeidsovereenkomst daarvoor een toereikende grondslag vormt18. (voor zover die wijzigingen al een grondslag zouden behoeven in de arbeids- of pensioenovereenkomst, zie subonderdeel 2.4.3).
2.4.5
's Hofs uitgangspunt dat het wijzigingsbeding slechts geldt voor wijzigingen in de pensioenovereenkomst met betrekking tot toekomstige pensioenopbouw voor de werknemers, geeft bovendien blijk van een onjuiste rechtsopvatting althans is onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft in rov. 3.4, tweede alinea (p. 14), immers vastgesteld dat het eenzijdig wijzigingsbeding van art. 10 arbeidsovereenkomst ook betrekking heeft op de pensioenovereenkomst en voldoet aan de eis van art. 19 PW, terwijl een pensioenovereenkomst blijkens HR 6 september 2013, NJ 2014/67 (ECN/Omen) kan blijven ‘doorwerken’ na beëindiging van de arbeidsovereenkomst en ook na beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan worden gewijzigd indien de pensioenovereenkomst een daartoe strekkend wijzigingsbeding bevat. De AFM heeft art. 10 arbeidsovereenkomst ingeroepen als grondslag voor de door haar voorgestane wijzigingen en heeft betoogd dat het begrip ‘werknemer’ in art. 19 PW ruimer is dan in art. 7:613 BW in die zin dat art. 19 PW ook betrekking kan hebben op een gewezen werknemer.19. Het hof had tegen deze achtergrond niet tot voornoemd uitgangspunt kunnen komen zonder te onderzoeken of art. 10 arbeidsovereenkomst blijft doorwerken via de pensioenovereenkomst. Het hof heeft dan ook de regel van ECN/Omen miskend dan wel een onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven.
2.5
Voor zover (anders dan de AFM meent) het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 op de voet van art. 7:613 BW en art. 19 PW heeft geoordeeld dat de AFM bij enige door haar voorgestane wijziging van de pensioenovereenkomst geen zwaarwichtig belang heeft althans dat de belangen van [verweerders] c.s. zwaarder dienen te wegen, heeft het hof niet de juiste maatstaf aangelegd althans is 's hofs oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het hof heeft in rov. 3.10 en 3.11 immers nagelaten in te gaan op verschillende belangen die de AFM heeft ingeroepen in het kader van de belangenafweging op de voet van art. 7:613 BW en art. 19 PW en die volgens de door het hof in rov. 3.7 terecht vooropgestelde maatstaf van HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1867, rechtens relevant zijn — kort gezegd: de noodzaak tot versobering gelet op de acute financieringsproblematiek, de toekomstige kostenontwikkeling van de pensioenregeling en de publieke taak van de AFM.20. Het hof heeft in rov. 3.10, tweede alinea, (p. 19, 10e regel) overwogen dat in deze procedure over de wijziging van de pensioenovereenkomst geen rol speelt dat de AFM, gegeven de brief van de Minister van Financiën, een zwaarwichtig belang heeft bij de wijziging van de uitvoeringsovereenkomst 2014. Deze belangen zijn echter (tevens) door de AFM ingeroepen om te betogen dat zij een zwaarwichtig belang heeft bij de wijzigingen van de pensioenovereenkomst en dat die belangen zwaarder wegen dan die van [verweerders] c.s.21. Evenmin heeft het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 betekenis toegekend aan de, door de AFM in dit verband ingeroepen22. en rechtens relevante, omstandigheid dat de OR van de AFM heeft ingestemd met de door de AFM voorgestane wijzigingen.23. In rov. 3.12 heeft het hof de door de AFM gestelde belangen en de instemming van de OR wél betrokken in de belangenafweging ex art. 7:613 BW en art. 19 PW ten aanzien van de wijzigingen van de pensioenovereenkomst die alleen betrekking hebben op de toekomstige pensioenopbouw van werknemers.
2.6
Voorts/althans is 's hofs beoordeling in rov. 3.8 t/m 3.11 van de geldigheid van de door de AFM voorgestane wijzigingen, uitmondend in het oordeel dat die wijzigingen ongeldig/nietig zijn en in de toewijzing van de vorderingen van [verweerders] c.s., onvoldoende gemotiveerd omdat het hof heeft nagelaten te responderen op het beroep dat de AFM heeft gedaan op de eisen van goed werknemerschap. In haar conclusie van antwoord nr. 22 en 26 e.v. heeft de AFM onder verwijzing naar HR 11 juli 2008, NJ 2011/185 (Stoof/Mammoet) betoogd dat indien geen beroep zou kunnen worden gedaan op een eenzijdig wijzigingsbeding, het onder omstandigheden van de werknemer in redelijkheid gevergd kan worden dat hij met een redelijk voorstel van de werkgever strekkende tot een wijziging van de arbeidsvoorwaarden instemt. Dit geldt ook voor de arbeidsvoorwaarde pensioen. Bij gegrondbevinding van dit verweer hadden de vorderingen van [verweerders] c.s. niet toegewezen kunnen worden. Nu het hof in rov. 3.8 t/m 3.11 heeft geoordeeld dat géén wijzigingsbeding van toepassing is ten aanzien van de door de AFM voorgestane wijzigingen, had het hof moeten ingaan op dit verweer van de AFM. Voor zover het hof heeft miskend dat dit verweer vanwege de devolutieve werking van het appel ambtshalve had moeten worden beoordeeld, heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
2.7
Met het slagen van één of meer van bovenstaande klachten, ontvalt de grond aan 's hofs oordeel dat de door de AFM voorgestane wijziging ongeldig/nietig zijn en aan 's hofs toewijzing in het dictum van de vorderingen van [verweerders] c.s.
Onderdeel 3 — Dictum is onjuist
3
In rov. 2.17 vat het hof de per 1 januari 2016 gewijzigde pensioenovereenkomst en de ter uitvoering daarvan tussen de AFM en het pensioenfonds gesloten uitvoeringsovereenkomst samen onder de term ‘pensioenregeling’, al dan niet met de toevoeging 2016. In het dictum spreekt het hof (onder meer) de volgende verklaringen voor recht uit en de volgende veroordeling tot nakoming:
- a.
de verklaring voor recht dat de eenzijdige wijziging door de AFM van de Pensioenregeling 2014 naar de Pensioenregeling 2016, niet rechtsgeldig is geweest voor zover die wijziging betrekking heeft op de premiesystematiek op basis van premiedemping, op de maximering van de bijdrage van AFM in de uitvoeringskosten en op de beëindiging van de onvoorwaardelijke indexatie van de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken, en daarmee in zoverre geen rechtsgevolg heeft gehad;
- b.
de verklaring voor recht dat de wijziging van de Uitvoeringsovereenkomst 2014 nietig is voor wat betreft de afschaffing van de herstelpremieopslag van 10% van de premie, de vergoeding van de werkelijke uitvoeringskosten die zijn toe te rekenen aan de tot 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken en de verplichting om de extra last voor het pensioenfonds als gevolg van grondslagwijzigingen (anders dan ten gevolge van wijzigingen in de rekenrente) te vergoeden die zijn toe te rekenen aan de voor 1 januari 2016 opgebouwde pensioenaanspraken;
- c.
een veroordeling uit tot nakoming van de Pensioenovereenkomst 2014, de Pensioenovereenkomst 2016, de Uitvoeringsovereenkomst 2014 en de Uitvoeringsovereenkomst 2016 met inachtneming van de verklaringen voor recht.
Hiermee heeft het hof om de hiernavolgende redenen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
3.1
Het hof had deze onderdelen van het dictum die betrekking hebben op de uitvoeringsovereenkomst niet mogen uitspreken. Aangezien [verweerders] c.s. geen partij zijn bij de uitvoeringsovereenkomst, gelden zij niet als onmiddellijk bij die rechtsverhouding betrokken persoon zoals bedoeld in art. 3:302 BW en/of hebben zij rechtens geen (voldoende) belang in de zin van art. 3:303 BW bij het doen vaststellen van de (on)geldigheid van enige wijziging van de inhoud van de uitvoeringsovereenkomst. Evenmin was de AFM uit hoofde van de uitvoeringsovereenkomst jegens [verweerders] c.s. gehouden tot enige prestatie, zodat geen veroordeling tot nakoming kon worden uitgesproken op de voet van art. 3:296 BW. Het hof heeft niet vastgesteld dat [verweerders] c.s. op enigerlei wijze als partij zouden zijn toegetreden tot de uitvoeringsovereenkomst tussen de AFM en pensioenfonds AFM. Dat kon het hof ook niet vaststellen, omdat [verweerders] c.s. nergens hebben gesteld dat zij wél partij waren bij die uitvoeringsovereenkomst of anderszins rechten aan die overeenkomst konden ontlenen.24.
3.2
In elk geval geldt dat het hof geen verklaring voor recht met betrekking tot en/of een veroordeling tot nakoming van de uitvoeringsovereenkomst had kunnen uitspreken zonder dat het pensioenfonds in deze procedure is betrokken — zelfs indien [verweerders] c.s. wél partij zouden zijn geworden bij of rechten zouden kunnen ontlenen aan de aanvankelijke uitvoeringsovereenkomst. Het dictum en de daaraan ten grondslag gelegde eindbeslissingen kunnen immers geen gezag van gewijsde tegenover het pensioenfonds hebben, terwijl de AFM jegens déze partij haar prestaties zal moeten leveren uit hoofde van de uitvoeringsovereenkomst, met welke prestatie de AFM gekweten zal moeten (kunnen) zijn jegens het pensioenfonds. Hierbij geldt bovendien dat — naar het hof zo nodig ambtshalve had moeten constateren — het rechtens noodzakelijk is dat de inhoud van de rechtsverhouding uit hoofde van de uitvoeringsovereenkomst gelijk luidt ten aanzien van alle partijen bij die overeenkomst, waaronder dus ook begrepen het pensioenfonds AFM. Het hof was gehouden, zo nodig ambtshalve, gelegenheid te geven om het pensioenfonds alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping op de voet van art. 118 Rv binnen een daartoe te stellen termijn.25. Het hof heeft dit klaarblijkelijk miskend door de onder 3 vermelde onderdelen van het dictum te wijzen zonder dat het pensioenfonds in rechte was betrokken.
3.3
Het hof is bovendien met de onder 3 vermelde onderdelen van het dictum buiten het petitum van [verweerders] c.s. getreden en heeft art. 23 Rv geschonden. [verweerders] c.s. hebben immers géén veroordeling tot nakoming van de uitvoeringsovereenkomst gevorderd, noch enige verklaring voor recht die ziet op de geldigheid van enige wijziging van die overeenkomst. De vorderingen tot nakoming van [verweerders] c.s. (onderdelen II en IV van het petitum in de MvG) hebben expliciet betrekking op de pensioenovereenkomst en niet op de uitvoeringsovereenkomst. De vorderingen tot verklaring voor recht (onderdelen I en III van het petitum in de MvG) verwijzen naar de Pensioenregeling 2014 resp. 2016, waarmee [verweerders] c.s. echter — anders dan het hof in rov. 2.17 — niet mede hebben bedoeld de uitvoeringsovereenkomst. Dit strookt met het feit dat [verweerders] c.s. niet hebben gesteld dat zij als partij tot de uitvoeringsovereenkomst zouden zijn toegetreden dan wel anderszins enig recht jegens de AFM zouden hebben verkregen tot nakoming van die overeenkomst. Voor zover het hof het petitum anders heeft uitgelegd, is die uitleg onbegrijpelijk, want onverenigbaar met de stellingen die [verweerders] c.s. aan dat petitum ten grondslag hebben gelegd.
Eis tot cassatie
Op de hierboven vermelde gronden vordert de AFM dat de Hoge Raad het bestreden arrest vernietigt met hoofdelijke veroordeling van [verweerders] c.s. in de kosten, zulks met bepaling dat over die proceskostenveroordeling de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het te dezen te wijzen arrest.
Advocaat bij de Hoge Raad
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 05‑03‑2021
Productie 10 bij Dgv.
Rov. 3.6.
Zie art. 9 lid 3 pensioenreglement (productie 10, p. 11 bij Dgv.), ingeroepen door de AFM in MvA nr. 42 en plta HB nr. 13.
Zie ook subonderdeel 1.1.3 onder B.
Vgl. Kamerstukken II 2005–2006, 30 413, nr. 17, p. 33 en Kamerstukken I, 2006–2007, 30 413, C, p. 30–31. Op laatstgenoemde plaats is te lezen: ‘Ten eerste kan er sprake zijn van een onvoorwaardelijke toeslag in de periode tot aan pensionering, die óók gegeven wordt indien de deelnemer slaper wordt. […] In de toeslagtoezegging is dan geen enkele beperking opgenomen ten aanzien van het deelnemerschap aan de pensioenregeling. Op voorhand staat dan vast, dat er altijd geïndexeerd zal moeten worden tot in ieder geval de pensioendatum. In die omstandigheden zal dus vóóraf de tot de pensioendatum toegezegde toeslag over de opgebouwde pensioenaanspraken moeten worden afgefinancierd door het treffen van reserveringen. Ten tweede kan er ook een onvoorwaardelijke toeslag zijn toegezegd die alleen wordt gegeven zolang aan de pensioenregeling wordt deelgenomen, en die níet — althans niet onvoorwaardelijk — doorloopt nadat de deelnemer slaper is geworden. In feite is hier sprake van een voorwaardelijk element in de verlening van onvoorwaardelijke toeslagen: namelijk de voorwaarde ‘deelname aan de regeling’. […] Deze tweede vorm van onvoorwaardelijke toeslagverlening hoeft dan ook niet vóóraf te worden gefinancierd. Financiering in de vorm van een technische voorziening en het daarbij behorende eigen vermogen kan plaatsvinden op het moment van toekenning van nieuwe aanspraken in een middelloonregeling, zoals ook in de door de leden van de CDA-fractie bedoelde eindloonregeling gebeurt. Als daarentegen een onvoorwaardelijke toeslag is toegezegd zonder enige beperking aan het deelnemerschap (dat kan dus ook in een eindloonregeling zijn), zal bij uitdiensttreding de ex-werknemer ook direct de toekomstige toeslagen over de op dat moment opgebouwde aanspraken moeten meekrijgen.’
MvA nr. 42 en Plta HB nr. 13. Ook het hof gaat in rov. 3.6 kennelijk daarvan uit.
MvA nr. 42 en plta HB nr. 13.
Plta HB nr. 13.
Kamerstukken II 2005/06, 30413, 3, p. 240 en Asser/Lutjens 7-XI Pensioen 2019/104.
Zie rov. 2.2. Tussen partijen is dit overigens ook in confesso.
MvG § IV.3.3.2, aldaar wordt telkens en uitsluitend verwezen naar de wijziging van de indexatie/toeslag. Zie m.n. nr. 124: ‘Bovendien geldt dat de wijziging van Pensioenregeling 2014 naar Pensioenregeling 2016 deels nietig is. Op het punt van de opgebouwde aanspraken is de wijziging van onvoorwaardelijke indexatie naar voorwaardelijke indexatie in strijd met artikel 20 PW’ (curs. adv.). Ook in Plta HB nr. 39 hebben [verweerders] c.s. hun beroep op art. 20 PW beperkt tot de wijziging van een onvoorwaardelijke naar een voorwaardelijke indexatie.
MvG § IV.3.3.3 t/m IV.5.
Zie MvA nr. 25 t/m 37 en 42 en Plta HB nr. 13.
Wellicht behoudens afwijkende regeling in de pensionovereenkomst of een derdenbeding in de uitvoeringsovereenkomst. Daarover is evenwel niets gesteld door [verweerders] c.s.
Vgl. MvA nr. 33, waar de AFM stelt dat een risicoverschuiving op zich nog geen nadeel oplevert, omdat niet op voorhand zeker is dat het risico zich zal verwezenlijken.
In MvG nr. 108 stellen [verweerders] c.s. zelf dat de AFM en het pensioenfonds partijen waren bij de uitvoeringsovereenkomst.
CvA nr. 20 en 21 en MvA nr. 15, 16 en 18.
MvA nr. 16.
CvA nr. 13 t/m 16, CvD nr. 9 t/m 24, MvA nr. 8, 11 t/m 13 en 24 t/m 37 en plta HB nr. 10 t/m 13.
Zie de vindplaatsen in de voorgaande voetnoot.
CvA nr. 12 en 17 (in verbinding met 13 t/m 16), CvD nr. 25 t/m 27, MvA nr. 25 t/m 28 en plta HB nr. 8 en 9.
Rov. 2.14 en 2.15.
In MvG nr. 108 stellen [verweerders] c.s. zelf dat de AFM en het pensioenfonds partijen waren bij de uitvoeringsovereenkomst.
HR 2 december 2005, NJ 2006/444, HR 30 januari 2015, NJ 2018/78 en HR 10 maart 2017, NJ 2018/81.