Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/III.2.3
III.2.3 Adressaat van bestuurlijke sancties
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460506:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wie aangemerkt kan worden als overtreder komt aan bod in par. III.4 en III.6.
Lees meer over de adressering van de last onder dwangsom in Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, par. 6.3.4.
Zie over dit onderscheid hierna par. III. 4.6.3.
Dat een last onder dwangsom moet worden opgelegd aan een overtreder volgt uit onder meer 5:32 lid 1 Awb.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 28 maart 1995, ECLI:NL:RVS:1995:AN4431, AB 1995/528. Zie voorts Damen 2016, par. 15.5.2; Vermeer, Visser & Sibma 2016, par. 2.5.2; Damen 2016, p. 635.
“Het bestuur kan iemand niet dwingen tot iets waartoe hij feitelijk of juridisch niet in staat is.” Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 81.
Vermeer, Visser & Sibma 2016, p. 44-45. Zie bijvoorbeeld ook ABRvS 27 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB3306 en ECLI:NL:RVS:2001:AN6893, AB 2002/102, m.nt. Blomberg (Faillissement Teka); ABRvS 29 mei 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE3309, r.o. 2.6.2; ABRvS 23 maart 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT1966, AB 2005/236 m.nt. Michiels, par. 2.8.2; ABRvS 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4856, AB 2002/311, m.nt. Van Hall; ABRvS 4 september 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE7213, AB 2003/207, m.nt. Nijmeijer. De laatstgenoemde uitspraak doet vermoeden dat het voor het machtscriterium de aanwezigheid van feitelijke macht belangrijker is dan juridische macht.
Zie onder meer Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, p. 176-177; Damen 2016, p. 628-629; ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1719, AB 2018/88, m.nt. Sanders.
ABRvS 24 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:489, AB 2013/308, m.nt. Vermeer.
ABRvS 9 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4249, Milieurecht Totaal 2010/3098; CBB 17 april 2009, AB 2009/227, m.nt. Michiels.
CBb 17 april 2009, AB 2009/227, m.nt. Michiels; CBb 20 november 2014, JOR 2015/42, m.nt. Nuijten; Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, p. 82-184.
Vermeer, Visser & Sibma 2016, par. 2.5.4 en Buuren, Jurgens & Michiels 2014, par. 4.2.4.
Zo volgt uit 5:2 lid 1 sub c Awb. Zie ook Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3, p. 133 e.v.; Michiels, Blomberg & Jurgens. 2016, p. 175.
ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2429, AB 2018/405, m.nt. Stijnen.
Zie o.a. Damen 2016, p. 603. ABRvS 27 maart 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB3306, AB 2002/101 en ECLI:NL:RVS:2001:AN6893, AB 2002/102, m.nt. Blomberg (Faillissement Teka). Bij een herstelsanctie komt de overtreder geen beroep op ‘afwezigheid van alle schuld’ toe. Hierbij plaats ik de kanttekening dat in sommige overtrederschapsvormen al een bepaalde mate van verwijtbaarheid ‘ingebakken’ zit. Voor functioneel plegerschap is bijvoorbeeld (ten minste) een zorgplichtschending vereist. Voor feitelijk leidinggeven en medeplegen is in beginsel ook opzet op de samenwerkingshandeling en de verboden gedraging vereist. Zie verder par. III.4.
Zie ook de artikelsgewijze toelichting van de wetgever bij 5.4.1.2. in Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3.
Voor voorbeelden zie Michiels, Blomberg & Jurgens 2016, p. 176.
Een bestuurlijke sanctie moet meestal worden geadresseerd aan de overtreder,1 maar voor sommige sancties gelden aanvullende eisen, en bij andere sancties is het overtrederschap geen voorwaarde. Ik bespreek kort de adressaten van de hiervoor genoemde bestuurlijke sancties.2
De adressaat van een sanctie (degene aan wie een sanctie kan worden opgelegd) moet niet worden verward met de adressaat van een norm (de ‘normadressaat’).3 Verder moet ook de adressering van de sanctie worden onderscheiden van aan wie de sanctie moet worden bekend gemaakt en/of verzonden. De last onder bestuursdwang moet ook worden bekend gemaakt aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager (art. 5:24 lid 3 Awb).
De last onder dwangsom kan alleen worden opgelegd aan een overtreder4 die het bovendien feitelijk en juridisch in de macht heeft de last uit te voeren.5 De last strekt in principe tot het beëindigen van de onrechtmatige situatie. Een niet-uitvoerbare last, waarbij de niet-uitvoering wordt bestraft met een dwangsom, komt immers neer op een verkapte boete.6 Dit vereiste kan worden aangeduid als het ‘machtscriterium’. Overigens is de rechter niet snel bereid aan te nemen dat de macht tot het nakomen van de last ontbreekt. Ook wanneer de overtreder de toestemming of medewerking van een ander nodig heeft om te voldoen aan de last, kan de overtreder voldoen aan het machtscriterium.7
De wetgever heeft niet geëxpliciteerd aan wie de last onder bestuursdwang kan worden opgelegd. In de literatuur gaat men ervan uit dat de last onder bestuursdwang niet alleen kan worden opgelegd aan de overtreders, maar ook aan bepaalde niet-overtreders,8 zoals rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft, derden-belanghebbenden en andere betrokkenen. Dit is te verklaren omdat de last onder bestuursdwang vooral bedoeld is om de geadresseerde de gelegenheid te bieden om zelf maatregelen te treffen de onrechtmatige situatie te beëindigen.9 Het accent ligt dus niet op de overtreder, maar op de overtreding.10 Voor niet-overtreders heeft deze last echter geen tanden, want de kosten voor de toepassing van bestuursdwang kunnen alleen worden verhaald op de overtreder (art. 5:25 lid 1 Awb).
Indien er meerdere overtreders zijn aan wie een herstelsanctie kan worden opgelegd, dan is het bestuursorgaan niet verplicht om alle overtreders aan te schrijven.11 Evenmin bestaat er een algemene regel die het bestuursorgaan ertoe verplicht te motiveren waarom aan een bepaalde overtreder geen sanctie is opgelegd.12 Dit lijkt me ook terecht, want bij de reparatoire handhaving van milieuvoorschriften staat immers het herstellen van de rechtmatige toestand voorop, niet de persoon van de overtreder. Als er meerdere overtreders zijn, kan het bevoegd gezag er ook voor kiezen om meerdere sancties op te leggen.13 Dat geldt zowel voor de herstelsancties als voor de bestraffende sancties.
De bestuurlijke boete kan slechts worden opgelegd aan een overtreder.14 Anders dan bij de last onder dwangsom, is hierbij niet vereist dat de beboete overtreder het in zijn macht heeft om de overtreding te beëindigen.15 De bestuurlijke boete is immers niet op herstel gericht, maar is bedoeld om de overtreder leed toe te voegen in reactie op een reeds begane overtreding. Naast het overtrederschap gelden nog andere voorwaarden voor de adressaat van een bestuurlijke boete. Anders dan bij herstelsancties het geval is,16 is voor de oplegging van een bestuurlijke boete ingevolge artikel 5:41 Awb vereist dat de overtreding aan de overtreder kan worden verweten.17 De verwijtbaarheid mag worden verondersteld, de overtreder zal het tegendeel aannemelijk moeten maken. Naast verwijtbaarheid zijn er soms nog specifieke aanvullende vereisten voor beboeting opgenomen in de bijzondere wet met de grondslag voor de boete.18
Voor bestuurlijke sancties geldt in beginsel dat de adressaat van de sanctie betaalt.19 Verbeurde dwangsommen, boetes en de kosten voor de toepassing van bestuursdwang zullen de overtreder aan wie de sanctie is opgelegd dus in het privévermogen raken. In paragraaf III.2.7 ga ik kort in op de mogelijkheid voor bestuurders om zich te verzekeren tegen bestuursrechtelijke milieuaansprakelijkheid.