Einde inhoudsopgave
Verbod en evenredigheid in het intellectuele-eigendomsrecht (O&R nr. 150) 2024/5.3.2.4
5.3.2.4 Bastei Lübbe
mr. P. Teunissen, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. P. Teunissen
- JCDI
JCDI:ADS955542:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie HvJ EG 29 januari 2008, C-275/06, ECLI:EU:C:2008:54 (Promusicae); HvJ EU 27 maart 2014, C-314/12, ECLI:EU:C:2014:192 (UPC Telekabel); HvJ EU 15 september 2016, C-484/14, ECLI:EU:C:2016:689 (McFadden).
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 43-46.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 47-50.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 51-52.
HvJ EU 18 oktober 2018, C-149/17, ECLI:EU:C:2018:841 (Bastei Lübbe), rov. 53. Het Hof wees er daarnaast op dat de rechter ook andere voorzieningen, procedures en rechtsmiddelen kan aanwenden om in gevallen als het onderhavige de informatie te verstrekken die kan leiden tot het vaststellen van de identiteit van de inbreukmaker, daarmee vermoedelijk doelend op een bevel gericht aan een derde (rov. 54). Twijfelachtig is overigens of de rechthebbende daarmee iets opschiet: inbreuk door filesharing laat in de regel geen andere sporen na dan een IP-adres; zie concl. A-G M. Szpúnar 6 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:400 (Bastei Lübbe), pt. 29.
De zaak Bastei Lübbe draaide om een Duitse internetgebruiker die via een website voor peer to peer filesharing een downloadbaar e-book had aangeboden. Dit was althans de lezing van Bastei Lübbe, zowel fonogrammenproducent als auteursrechthebbende in deze zaak, die zich ter onderbouwing van dit standpunt baseerde op de analyse van een IT-expert. Naar Duits recht werd in zulke gevallen vermoed dat de inbreuk was begaan door de persoon op wiens naam de aansluiting stond. De houder van de aansluiting kon dit vermoeden weerleggen door aan te tonen dat anderen via de internetverbinding inbreuk konden maken, bijvoorbeeld omdat de internetverbinding onbeveiligd was of omdat anderen zelfstandig toegang hadden tot de verbinding. Hij moest daarbij ook de relevante feiten omtrent de gemaakte inbreuk vermelden, inclusief de identiteit van de personen die volgens hem de inbreuk hadden gepleegd.1 De aangeslotene kon echter niet worden verplicht tot bewijslevering tegen familieleden die ook toegang hadden tot de aansluiting, omdat dit in strijd zou zijn met de door art. 7 Handvest en art. 6 lid 1 Grundgesetz gewaarborgde bescherming van huwelijk en gezin.2 Het Amtsgericht verwees de zaak naar het Hof van Justitie, met de vraag of dit familiale verschoningsrecht verenigbaar was met het Unierecht.
Het Hof ving aan met een bespreking van de betrokken grondrechten. Voor Bastei Lübbe waren dit het recht op een doeltreffende voorziening in rechte (art. 47 Handvest) en het recht op intellectuele eigendom (art. 17 lid 2 Handvest). Tegenover deze rechten stond het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven (art. 7 Handvest) van de internetgebruiker.3 Het Hof benadrukte het belang van een hoog niveau van bescherming van de intellectuele eigendom, de uitleg van richtlijnbepalingen in het licht van het Handvest en het beginsel van een rechtvaardig evenwicht dat bij die uitleg in acht moet worden genomen. Het overwoog daarnaast dat nationale autoriteiten en rechterlijke instanties het gewenste evenwicht tot stand dienen te brengen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel en met inachtneming van de wezenlijke inhoud van de betrokken grondrechten.4
Het Hof toetste vervolgens de nationale wettelijke regeling aan het vereiste van een rechtvaardig evenwicht. Met betrekking tot het recht op privéleven overwoog het Hof dat gezinsleden op grond van art. 7 Handvest bijzondere bescherming genieten, wat inhoudt dat zij niet verplicht zijn elkaar te beschuldigen van inbreuk. Dit werd volgens het Hof ondersteund door 8 lid 3 sub dHandhavingsrichtlijn, dat toestaat dat inbreukmakers de mogelijkheid wordt geboden te weigeren gegevens te verstrekken die hen zouden dwingen deelname door henzelf of door naaste verwanten aan een inbreuk op een intellectueel-eigendomsrecht toe te geven.5 Het Hof overwoog vervolgens echter dat een regel die de eiser van een vordering tot schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk kan beletten om bewijsmateriaal inzake gezinsleden van de wederpartij te verkrijgen, de vaststelling van die inbreuk onmogelijk maakt. Hierdoor werden volgens het Hof het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op intellectuele eigendom in de kern aangetast, waardoor geen rechtvaardig evenwicht tussen de aan de orde zijnde grondrechten kon worden bereikt.6
Uit het voorgaande volgt niet dat een verschoningsrecht dat zich uitstrekt tot familieleden a priori ongeoorloofd is, maar enkel dat een beroep daarop de belangen van de rechthebbende niet dusdanig mag ondermijnen dat handhaving van het auteursrecht onmogelijk wordt. Hieruit volgt op zichzelf al dat het bestaan van alternatieve handhavingsmiddelen tot een andere conclusie kan leiden. Het Hof overwoog in dit verband dat het vereiste evenwicht kan worden bereikt wanneer het nationale recht een andere doeltreffende voorziening biedt, zoals een regeling die toestaat de wettelijke aansprakelijkheid van de internethouder te doen vaststellen.7