Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.5
5.8.8.5 Schuldeiser niet op de hoogte: te laat is te laat?
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648679:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rotterdam 30 september 2014, JOR 2014/326. Zie in dit kader voorts Hof Amsterdam 23 juli 1993, NJ 1994/132. Zie ook Bungenberg 2015.
Dit vervangt de algemene mededelingsplicht in een landelijk verspreid dagblad echter niet, althans er is geen jurisprudentie waaruit dit blijkt.
Zie Hof Amsterdam 23 juli 1993, NJ 1994/132. Zie hierover voorts Van Zoest 2014, p. 1-4.
In gelijke zin: Spierings 2012. Anders: Ramanna 2008, p. 17-21.
Is de aanspraak na de acceptatie door de schuldeiser getransformeerd in een vorderingsrecht welke niet middels een eenzijdige verklaring teniet kan worden gedaan?
Rb. Rotterdam 15 april 1999, HA ZA 97-2298. Zie Winter 1999.
Rb. Rotterdam 15 april 1999, HA ZA 97-2298, r.o. 6.4.
Wanneer verzet te laat wordt ingediend, kan een verzoeker onder bijzondere omstandigheden toch nog ontvankelijk worden verklaard. Er moet dan wel sprake zijn van een situatie die in strijd kan worden geacht met de redelijkheid en billijkheid wanneer het verzoek wordt afgewezen. Zo kan bijvoorbeeld een uitzondering worden gemaakt op de fatale termijn wanneer sprake is van misbruik van recht.1
Een rechtspersoon die tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid wenst over te gaan, kan uiteraard het zekere voor het onzekere nemen en ervoor kiezen om de schuldeisers individueel op de hoogte te stellen.2 Daarmee wordt mogelijk verzet uitgelokt, dus een erg aantrekkelijke optie is dit niet. De rechtspersoon die tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid wenst over te gaan is slechts onder zeer bijzondere omstandigheden gehouden om schuldeisers individueel op de hoogte te stellen van het voornemen om de overblijvende aansprakelijkheid te beëindigen.3 De omstandigheden in de uitspraak die tot dit oordeel leidden, waren dermate uitzonderlijk dat niet kan worden gesproken van een algemene verplichting om schuldeisers individueel op de hoogte te stellen.4
Een schuldeiser die niet in verzet is gegaan en die ontdekt dat de verzettermijn reeds is verstreken, is niet altijd zijn aanspraak op basis van de 403-verklaring kwijt. Ook zonder dat tijdig verzet is aangetekend, kan de beëindiging van de aansprakelijkheid onder omstandigheden in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid. Wanneer een rechtspersoon die tot de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid wenst over te gaan reeds door de schuldeiser aansprakelijk is gesteld en de procedure van artikel 2:404 BW start, behoeft de schuldeiser geen verzet meer aan te tekenen. De vraag is of hieruit de conclusie kan worden getrokken dat de vordering van de schuldeiser, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht om de consoliderende rechtspersoon die de 403-veklaring heeft afgegeven aan te spreken, nog behoort tot de overblijvende aansprakelijkheid.5 Dat de schuldeiser het niet eens is met het beëindigen van de aansprakelijkheid lijkt in dat geval onmiskenbaar duidelijk en de redelijkheid en billijkheid staan de beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid dan in de weg. De Rechtbank Rotterdam oordeelde in dit verband:6
“Beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid van Netagco jegens Lely op grond van artikel 2:404, lid 3, BW zou in de hiervoor vermelde omstandigheden naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Uit die feiten en omstandigheden blijkt immers dat Netagco relatief korte tijd voordat zij toepassing gaf aan de regeling voor beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid, op grond van die aansprakelijkheid door Lely tot betaling was gesommeerd en Lely, nog tijdens de periode waarin verzet tegen het voornemen tot beëindiging van de overblijvende aansprakelijkheid kon worden gedaan, Netagco terzake had gedagvaard. Uit deze omstandigheden moet het Netagco onmiskenbaar duidelijk zijn geweest dat Lely het met de beëindiging van de aansprakelijkheid niet eens zou zijn en Lely slechts omdat zij van de desbetreffende mededeling van Netagco geen kennis had genomen, daartegen geen verzet had gedaan.”7