Beheer van familievermogen door middel van certificering
Einde inhoudsopgave
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.6.3.2:2.6.3.2 Stichting
Beheer van familievermogen door middel van certificering (AN nr. 185) 2024/2.6.3.2
2.6.3.2 Stichting
Documentgegevens:
mr. A.M. Steegmans, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
mr. A.M. Steegmans
- JCDI
JCDI:ADS958072:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rapport commissie Moltmaker 2000: Rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving, De warme, de koude en de dode hand, 13 maart 2000.
Rapport commissie Moltmaker 2000, onder 1.1.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In maart 2000 verscheen het rapport van de werkgroep modernisering successiewetgeving, ook wel de commissie Moltmaker genoemd. Deze werkgroep had de opdracht gekregen om een onderzoek in te stellen naar de modernisering van de successiewetgeving. In haar rapport1 stelt de commissie voor om een zogenaamde familiestichting te introduceren. De achterliggende gedachte bij deze stichting was dat de grotere vermogens voor Nederland behouden zouden blijven en dat constructies die erop gericht zijn om successiebelasting te besparen overbodig zouden worden.2 Kort gezegd kon de rechthebbende, zonder belastingheffing, zijn vermogen in de stichting inbrengen. Vervolgens kon hij bepalen op welke manier de stichting eventueel uitkeringen zou doen. Deze uitkeringen werden met schenkingsrecht belast, alsof de schenking afkomstig was van de rechthebbende. De stichting zelf was onderworpen aan de Inkomstenbelasting. Het voorstel voor de familiestichting is niet overgenomen door de wetgever. In de interviews wordt meerdere malen gesuggereerd om deze familiestichting als beheerstructuur toe te voegen aan het Burgerlijk Wetboek. Zie bijvoorbeeld een opmerking van een notaris:
“En dan is toch vaak dat mensen zeggen: ik wil het afzonderen in een doelvermogen en ik heb vertrouwenspersonen die ik in het bestuur wil laten zitting nemen en laat hen maar bepalen als mijn kinderen 25 zijn en ik kan het zelf niet meer meemaken. Maar ja, het beste wat je dan zou willen adviseren is een Nederlandse familiestichting in de zin van het vermogen dat het ook eigendom wordt van de stichting. En dat het bestuur de bevoegdheid heeft om uitkeringen ten laste van het vermogen van de stichting te doen. Maar ja, dat kan niet.”
Naast de in het rapport genoemde familiestichting worden ook de SPF op Curaçao en de Angelsaksische trust als inspiratiebron voor een aangepaste stichtingsvorm genoemd.
Als voordeel van bovenstaande stichtingen wordt genoemd dat het vermogen bijeengehouden wordt en dat het bestuur van de stichting kan inspelen op toekomstige situaties door in lijn met het doel van de stichting uitkeringen te doen. Daarnaast kan een gedeelte van het vermogen dat in de stichting is ingebracht eventueel worden gebruikt om (verantwoord) te beleggen, waardoor de omvang van het vermogen voor de langere termijn behouden blijft voor de familie. Ook wordt als voordeel aangegeven dat de stichting over het algemeen erg flexibel is wat de inrichting betreft. Op die manier kan het bestuur bijvoorbeeld rekening houden met motieven zoals belangentegenstellingen, incapabele erfgenamen en de wens van de rechthebbende die het vermogen heeft ingebracht om vermogen al dan niet gelijk te verdelen. De zeggenschap in de stichting kan via de statuten geregeld worden en de rechthebbende van het ingebrachte vermogen kan in het bestuur zitting nemen om de zeggenschap gedurende zijn leven te behouden. (Dat laatste aspect kan voor het motief behoud van zeggenschap van belang zijn.) Door de inbreng in de stichting wordt het vermogen in beginsel beschermd tegen schuldeisers van de (toekomstig) rechthebbenden. Ook het motief van opvoeding kan met behulp van de stichting worden gediend. De stichting voldoet daarmee aan de meeste motieven die onder het hoofdmotief continuïteit vallen in de categorie ‘overgang naar de volgende generatie’. Alleen het motief van het behoud van het vermogen kan wellicht niet geheel worden vervuld. De werkgroep Modernisering successiewetgeving had namelijk voorgesteld dat de familiestichting na zestig jaar van rechtswege zou ophouden te bestaan. Voor het behoud van het vermogen na die tijd zou dan een nieuwe vorm worden gevonden, voor zover er tegen die tijd nog vermogen aanwezig is en voor zover het motief dan nog speelt. Ook in het kader van het motief van het behouden van het vermogen in de familie kan worden betwijfeld of de stichting daaraan bij kan dragen. Het economisch belang ligt immers bij de stichting en niet bij de familieleden. Men kan zich afvragen in hoeverre er nog sprake is van familievermogen. Voor sommige rechthebbenden levert dit een te groot bezwaar op om van de stichting als beheerstructuur gebruik te maken. Daarnaast speelt de vraag in hoeverre er nog sprake is van een scheiding van de zeggenschap en het economisch belang bij het vermogen.
De familiestichting zou ook een rol kunnen spelen bij de op zichzelf staande motieven uit de vierde categorie, te weten het behoud van zeggenschap, incapabele erfgenamen, het (on)gelijk verdelen van het vermogen, opvoeding en bescherming van personen. Daarnaast kan de rechthebbende die fiscaliteit als hoofdmotief heeft bij deze stichting gebaat zijn, nu de voorgestelde familiestichting fiscaal transparant is en de inbreng niet is belast. Hiermee ontstaat een estate planningsinstrument. En tot slot kan de stichting wellicht ook een rol spelen bij de motieven die in de categorie van het uit handen geven van het dagelijks beheer vallen. Dit zal in elk geval gelden op het moment dat de rechthebbende van het vermogen zelf niet meer in staat is om het vermogen te beheren. Daarbij zal dan wel de vraag spelen of de stichting niet een te complexe structuur is om deze motieven te dienen, zeker als het kortdurende motieven zijn.
Door de respondenten wordt aangegeven dat de gevolgen van de stichting op andere rechtsgebieden goed moet worden overdacht. Zo moet bijvoorbeeld worden bekeken wat de gevolgen zijn voor de legitieme portie3 en hoe moet worden omgegaan met een eventueel faillissement van de inbrenger van het vermogen.
Een aantal respondenten oppert dat een familiestichting eventueel ook nog een rol kan spelen als executeur en/of bewindvoerder ten behoeve van nalatenschappen van familieleden. Ook de mogelijkheid dat deze stichting tevens als een stichting administratiekantoor zou kunnen fungeren wordt geopperd.
Niet iedereen is enthousiast over een eventuele familiestichting. Een estate planner geeft bijvoorbeeld aan:
“We hebben nu nog een paar van die oudjes die we aan het afwikkelen zijn. Dat er een familiestichting is die het belang van de mannelijke afstammelingen van meneer huppeldepup in stand houdt. Maar er zijn helemaal geen mannelijke afstammelingen meer en hoe gaan we daar dan mee om? De vraag is ook wat je dan voor juridische gedrochten creëert waar we over vier generaties dan weer mee te maken hebben. Dus ik weet ook niet of we het moeten willen.”
Dit bezwaar zou overigens kunnen worden weggenomen door te bepalen dat de stichting na een x-aantal jaar van rechtswege zou ophouden met bestaan.
Nader onderzoek zou moeten uitwijzen in hoeverre de familiestichting in meer gevallen zal worden gebruikt voor het beheer van familievermogen dan nu het geval is bij de huidige stichting. Het wegnemen van een aantal bezwaren die bij de huidige stichting naar voren komen als deze wordt ingezet voor beheer van familievermogen leidt wellicht tot een breder inzetbare beheerstructuur. Voor deze bezwaren wordt verwezen naar de opmerkingen in paragraaf 2.4.4.