Einde inhoudsopgave
Waarde en erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2008/9.5
9.5. De verdelingswaarde van een onderneming
prof. dr. mr. W. Burgerhart, datum 31-12-2007
- Datum
31-12-2007
- Auteur
prof. dr. mr. W. Burgerhart
- JCDI
JCDI:ADS619217:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik stel dit begrip uitgebreid(er) aan de orde in bijvoorbeeld hoofdstuk 5, § 11. In de plaats van verdelingswaarde wordt ook wel gesproken van verrekenwaarde en/of rechtssfeerwaarde.
A.G. van Solinge, Erfrecht en vennootschapsrecht, Recht zo die gaat (Van der Ploeg-bundel), Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1976, p. 162.
Zie voor een uitgebreide(re) uiteenzetting over de betekenis van de ‘oude’ literatuur en rechtspraak, hoofdstuk 5, § 12.2.
Ik zal bij deze inventarisatie mijn bevindingen en conclusies overigens niet in extenso herhalen, maar – voor zover de factoren van invloed op de waarde van een onderneming kunnen zijn – op hoofdpunten aanhalen. Voor een volledig beeld dient men de vorige hoofdstukken te raadplegen.
Zie bijvoorbeeld Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 137.
Zie hoofdstuk 5, § 3.1.1, § 3.1.6.3, § 3.1.7.1, § 4.4, § 4.5.1, § 12.1. In deze paragraaf zal ik voor de jurisprudentie als rechtsbron niet naar concrete uitspraken verwijzen, maar naar de desbetreffende paragraaf waarin de bedoelde jurisprudentie wordt besproken of naar verwezen wordt. In enkele gevallen verwijs ik naar een specifiek arrest. Per 1 september 2007 is de Pachtregeling te vinden in art. 7:311 e.v. BW; de Pachtwet is per die datum vervallen.
Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 5, § 3.1.6.3.
Zie over dit punt verder in hoofdstuk 5, § 4.5.1. De dwingendrechtelijke invloed van de wetgever betreft bijvoorbeeld de pachtprijsbepaling (art. 7:327 e.v. BW) en het voorkeursrecht voor een pachter (art. 7:378 e.v. BW).
In de commentaren op bedoelde jurisprudentie hebben in het bijzonder Lubbers, Kleijn en De Vries voor een ‘soepeler’ benadering gepleit. Zie hoofdstuk 5, § 4.4. Stein ziet daarvoor geen aanleiding, zo blijkt uit zijn annotatie van het Leegwaarde-arrest in Ars Aequi, zie hoofdstuk 6, § 3.2.
Zie ook paragraaf 4 voor anterieur aandelenbezit.
Zie voor een heldere lijn in de jurisprudentie, hoofdstuk 5, § 4.5.1. Het quasi-erfrecht, zie hoofdstuk 5, § 9, blijft in deze paragraaf buiten beschouwing omdat het waardevraagstuk daarin slechts – vergelijkenderwijs – wordt toegespitst op de vraag of sprake is van een redelijke tegenprestatie in de zin van art. 4:126 lid 2 letter a BW.
HR 13 februari 2004, NJ 2004, 653, m.nt. WMK, JOR 2004, 125, m.nt. mr. J.M. Blanco Fernández. Zie hoofdstuk 5, § 4.2, § 4.5.1.
Zie voor het commentaar van Blanco Fernández, hoofdstuk 5, § 4.2.
Zie voor het commentaar van Mellema-Kranenburg, hoofdstuk 5, § 4.4. Mellema-Kranenburg concludeert mede naar aanleiding van gemeld arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004 dat er geen wezenlijke verschillen zijn tussen een overdracht, een schenking of een vererving van een onderneming; het gaat erom of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de opvolger verkrijgt voor een andere waarde dan de waarde in het economische verkeer. Het moge uit mijn beschouwingen in deze proeve duidelijk zijn, dat ik deze conclusie niet geheel onderschrijf. Ik ben het met haar eens dat er rechtsvaardigingsgronden dienen te zijn voor een afwijkende waarde, maar zie in de bedoelde rechtshandelingen juist wel wezenlijke verschillen als het om die gronden gaat. Zie hoofdstuk 5, § 11. Bij een overdracht – ten titel van koop neem ik aan – ontbreekt op voorhand iedere omstandigheid om voor de prijsbepaling van een bepaalde waarde uit te gaan; bij een verdeling van een gemeenschap ter afwikkeling van een bestaande rechtsverhouding kan daarvan wel sprake zijn. Ook mis ik in haar conclusie een nuancering al naar gelang het sub-rechtsgebied ten behoeve waarvan een bepaalde waarde moet worden bepaald of worden gerechtvaardigd.
Bij de beoordeling van het manuscript voor deze proeve gaf Van Mourik in de kantlijn aan dat in casu van één rechtssfeer sprake is.
Asser-Hartkamp 4-II, Verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 309-312. Zie eveneens M.J.A. van Mourik, Gemeenschap, Mon. BW B9, Deventer: Kluwer 2006, p. 15, en Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 11, 12. Zie ook hoofdstuk 5, § 11.
Zie over dit onderwerp ook hoofdstuk 6, § 3.1. Ook indien de gemeenschap niet uit een rechtshandeling van de deelgenoten ontstaat, zoals de nalatenschap, verklaart art. 3:166 lid 3 BW op de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten art. 6:2 BW van overeenkomstige toepassing. Het ontbreken van een contractuele relatie tussen de deelgenoten in een dergelijke gemeenschap, laat ruimere toepassing van de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid toe. Zie ook Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 11. Perrick merkt op dat de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid zich in de praktijk vooral zal voordoen bij de verdeling, maar daartoe niet is beperkt.
Zie ook hoofdstuk 8, § 3.
Zie ook hoofdstuk 6, § 3.6.2, § 4. In het Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding worden hieraan nog andere factoren toegevoegd. Ik verwijs daarvoor naar hoofdstuk 6, § 4.
Zie hoofdstuk 6, § 4. Ik heb de indirecte methode ontleend aan de Duitse rechtsliteratuur, waarin deze wordt onderscheiden van de directe methode die de aandelen als zodanig als uitgangspunt voor de waardering neemt. Zie hoofdstuk 11, § 2.2.
Zie voor een overeenkomstige opvatting, bijvoorbeeld Van Solinge in het citaat aan het begin van deze paragraaf alsmede Van de Poll in hoofdstuk 5, § 3.1.3.
Op de invloed van (latente) belastingen op de waarde van vermogenbestanddelen, zal ik niet ingaan. Zie voor enige opmerkingen dienaangaande, hoofdstuk 6, § 4. Men zou de rechtsvormkeuze en -indeling dan wel de beheersovereenkomst en de administratievoorwaarden overigens ook als anterieure rechtssferen kunnen aanduiden.
Van Mourik-Verstappen, Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding, Deventer: Kluwer 2006, p. 568 e.v.
In gelijke zin Klaassen-Eggens-Luijten, Erfrecht; zie hoofdstuk 5, § 3.1.1. In paragraaf 4 heb ik overigens nuancering aangebracht op het mogelijke belang van anterieur aandelenbezit voor zover het de onderlinge verhouding tussen erfgenamen/legitimarissen betreft.
Zie over de waardering van certificaten ook, hoofdstuk 6, § 4.
Zie ook hoofdstuk 6, § 4.
Ik heb dit standpunt ook in hoofdstuk 6, § 4 verkondigd.
Kraan komt tot een vergelijkbaar resultaat als het om de waarde van certificaten in een verdeling gaat. Ik kan zijn betoog geheel onderschrijven, maar wil daaraan voor de goede orde toevoegen dat dit mijns inziens niet opgaat voor de bepaling van de economische waarde van certificaten (zie paragraaf 4). Kraan oppert bovendien nog de mogelijkheid om met art. 6:248 lid 2 BW de niet-royeerbaarheid van certificaten buiten werking te stellen. CA. Kraan, Certificeren van vermogen, FTV juni 2007, nr. 6.
Voor de goede orde herhaal ik nog maar eens dat voor deze waarde nimmer een uitputtende opsomming van maatstaven en factoren te geven valt, omdat met alle relevante factoren rekening gehouden dient te worden, en van geval tot geval zal moeten worden bezien welke factoren aanwezig zijn om vervolgens de (eventuele) invloed daarvan op de waarde vast te stellen. De economische waarde van de betrokken goederen en schulden is daarbij de enige constante, altijd aanwezige factor. Voorts wijs ik op de hiervoor gemelde waarderingsmaatstaven en -factoren uit de aan het erfrecht voorafgaande rechtssferen, welke maatstaven en factoren mijns inziens als zodanig ook in het erfrecht een rol kunnen of moeten spelen.
M.J.A. van Mourik, Onderneming en Erfrecht (oratie Leiden), Zwolle: BV. Uitgeversmaatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1975, p. 22. De bedoelde meerwaarde van het ondernemingsvermogen ‘vertegenwoordigt’ volgens Van Mourik de activiteit van de ondernemer, welke de voortzetter zelf zal moeten ontplooien.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383. Dit voorbeeld wordt herhaald in Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 136.
T.J. Mellema-Kranenburg, Waarderingsmaatstaven bij bedrijfsopvolging, WPNR 6647 (2005). Zie voor een uitgebreidere uiteenzetting van deze publicatie, hoofdstuk 5, § 4.4.
Voor de goede orde teken ik hierbij aan dat in oudere literatuur voor de bij een nalatenschapsverdeling in aanmerking te nemen waarde van een onderneming werd aangesloten bij de objectieve verkoopwaarde daarvan. Zie bijvoorbeeld hoofdstuk 5, § 3.1.2. Met het verstrijken van de tijd en mede dan wel in het bijzonder onder invloed van het arrest van de Hoge Raad van 23 december 1965 (NJ 1967, 44 (Hendriksen-Maatkamp), wordt van deze verkoopwaarde afstand genomen en worden op grond van de redelijkheid en billijkheid daarop correcties aangebracht.
In het voorbeeld wordt dit element niet betrokken; het ademt echter wel de sfeer van de zoon die tegen ‘kost en inwoning’ jarenlang op het ouderlijk bedrijf heeft geploeterd.
Zie over dit onderwerp in een breder verband, hoofdstuk 5, § 12.2.
Van der Burght c.s., Parl. Gesch. Invoeringswet Boek 4, Deventer: Kluwer 2003, p. 1761, 1764, 1767 en 1768.
Pitlo/Van der Burght, Erfrecht, Arnhem: Gouda Quint 1997, p. 361. Zie ook hoofdstuk 5, § 3.1.7.1.
Ik verwijs – nogmaals – naar het citaat van Van Solinge aan het begin van deze paragraaf.
Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 195, 196, en Asser-Perrick 6A, Erfrecht en Schenking, Deventer: Kluwer 2002, p. 288, 289. Zie verder, hoofdstuk 5, § 3.1.6.1, § 8.1.
Men kan hierin een parallelle benadering ontwaren met de persoonlijke onderneming van een erflater. Deze onderneming en de daarin besloten liggende meerwaarde (goodwill) blijft door erflaters overlijden in beginsel in stand. De erfgenamen kunnen besluiten de onderneming als ‘algemeenheid’ aan een derde te vervreemden of aan een voortzettende erfgenaam toe te delen, en op deze wijze de meerwaarde te behouden dan wel te realiseren. Zij kunnen ook besluiten de onderneming te ‘breken’ en de daartoe behorende bestanddelen over de erfgenamen te verspreiden, in welk geval de meerwaarde door de erfgenamen teniet is gedaan. Zie ook hoofdstuk 10, § 2.4, § 5.
Zo zou mijns inziens een in het kader van de verdeling tussen de erfgenamen gesloten aandeelhouders- of stemovereenkomst ook op de waarde van de aandelen invloed kunnen zijn, evenals het op andere wijze optreden als ‘samenwerkende groep’.
Ik ga telkens uit van gelijksoortige aandelen. Zouden verschillende soorten aandelen tot de nalatenschap behoren, kunnen de uitgangspunten mijns inziens dezelfde blijven, maar zal een differentiatie naar de betreffende soort dienen plaats te vinden. Het behoeft geen betoog dat dit de toch al niet eenvoudige waardering van aandelen in toenemende mate zal compliceren.
Zie ook Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1996, p. 383, alsmede Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 136.
Zie hoofdstuk 5, § 4.5.1. Zie ook Asser-Perrick 3-IV, Gemeenschap, Deventer: Kluwer 2007, p. 11 ,134.
Zie ook hoofdstuk 11, § 2.3.
Zoals in paragraaf 2 aangegeven worden de rechtsverhoudingen tussen de betrokken rechtssubjecten in een aantal erfrechtelijke sub-rechtsgebieden geconcretiseerd aan de hand van de zogenoemde verdelingswaarde.1 De verdelingswaarde vloeit als het ware uit de desbetreffende rechtsverhouding voort. De redelijkheid en billijkheid gebieden de betrokken rechtssubjecten om bij de waardebepaling van de betreffende goederen en schulden niet slechts de waarde in het economische verkeer in aanmerking te nemen, maar daarin tevens alle factoren te betrekken die de waarde van de te waarderen bestanddelen voor de desbetreffende deelgenoten mede kunnen bepalen. De verdelingswaarde is daarmee, zo schreef ik in hoofdstuk 5, § 11, in feite de – meestal in geld gekwantificeerde – expressie van de redelijkheid en billijkheid, die een rechtvaardige, evenwichtige (gelijkwaardige) rechtsverhouding tussen de deelgenoten in een gemeenschap in civilibus concretiseert. Indien men deze benadering voor ogen houdt, is een nadere, abstracte invulling van de verdelingswaarde aan de hand van bijvoorbeeld uitgangspunten, zoals in de vorige paragraaf voor de economische waarde is gedaan, in feite onmogelijk. Men dient immers te allen tijde met alle relevante waardebepalende factoren rekening te houden.
Ter illustratie van het web waarin men bij een waardebepaling in verstrikt kan raken, dient het volgende citaat van Van Solinge, waarin hij over de verdelingswaarde van aandelen het volgende schreef:
‘De waardering van aandelen voor de boedelscheiding (cursivering, WB) geeft herhaaldelijk tot moeilijke problemen aanleiding. Bij de waardering behoren alle relevante omstandigheden in aanmerking te worden genomen. Hoe zwaar die, ook ten opzichte van elkaar, wegen valt niet altijd bij voorbaat te zeggen. In blokkeringsbepalingen treft men nogal eens aan dat bij de vaststelling van de prijs van een aangeboden pakket een evenredig deel van de waarde van alle geplaatste aandelen moet worden genomen. Zo’n bepaling bewerkt dat de factor macht buiten aanmerking wordt gelaten. Meerderheids- en minderheidspakket zijn per aandeel evenveel waard. Bij de waardering van de aandelen in het kader van de boedelscheiding behoort met zo’n clausule als zij in de statuten voorkomt, rekening te worden gehouden. Immers de prijs die bedongen kan worden is een factor bij de taxatie voor de boedelscheiding. Hetzelfde geldt wanneer de factor macht langs andere weg is teruggedrongen of uitgeschakeld.’2
Uit dit citaat kan worden afgeleid dat een verdelingswaarde in abstracto wordt bepaald door alle relevante waardebepalende factoren te inventariseren, waarna de eventuele invloed daarvan en de mate waarin dient te worden vastgesteld, om vervolgens – aan de hand van een of meer waarderingsmethoden – tot een waarde te komen. Het enige kompas, om de beeldspraak uit de vorige paragraaf nog maar eens te gebruiken, waarmee de route kan worden bepaald, zijn de redelijkheid en billijkheid, geplaatst tegen de achtergrond van het betrokken sub-rechtsgebied en hetgeen de erflater heeft bepaald en/of de betrokken rechtssubjecten overeengekomen zijn.
Zoals in paragraaf 3 aangegeven, sluit de aard van de verdelingswaarde begripsconvergentie tussen het erfrecht en het huwelijksvermogensrecht in beginsel uit, waarmee niet is gezegd dat factoren die in bijvoorbeeld een verdeling van een huwelijksgemeenschap een waardebepalende rol kunnen vervullen, dat niet ook in de verdeling van een nalatenschap kunnen doen. De gemeenschappelijke noemer wordt immers veelal gevormd door de verbintenisrechtelijke en/of goederenrechtelijke rechtsverhouding tussen de deelgenoten in een – al dan niet obligatoire – gemeenschap. Óf en de mate waarin daarvan voor het erfrecht sprake is, staat met de relevantie van bedoelde factoren in een voorafgaande rechtssfeer niet vast, maar zal opnieuw beoordeeld moeten worden binnen het kader van de erfrechtelijke sfeer. Het onderzoek naar het waardebegrip in het huwelijksvermogensrecht heeft verschillende waardebepalende factoren opgeleverd, welke ik, voor zover deze relevantie kunnen hebben voor de waarde van een onderneming, hieronder zal samenvoegen en ordenen. In paragraaf 3 heb ik voorts gewezen op de relevantie van ‘voorafgaande’ rechtssferen voor de verdelingswaarde; deze rechtssferen kunnen als zodanig eveneens waardebepalende factoren zijn.
Een rangorde tussen de verschillende waardebepalende factoren kan mijns inziens niet worden gegeven. In beginsel zijn alle factoren even relevant; de concrete feiten en omstandigheden van het geval bepalen, de redelijkheid en billijkheid in acht nemend, of en zo ja, welke invloed daaraan dient te worden toegekend.
In hoofdstuk 5, § 1 heb ik geschreven dat de literatuur en de rechtspraak met betrekking tot het waardebegrip voor het tot 1 januari 2003 geldende erfrecht onverminderd van betekenis blijven, omdat concretisering van dat begrip in Boek 4 BW achterwege gebleven is. Gezien het feit dat erfrechtelijke geschillen onder het oude erfrecht zich immer manifesteerden in of rondom een nalatenschapsverdeling, geldt die betekenis derhalve in het bijzonder voor de onderhavige verdelingswaarde.3 In hoofdstuk 5, § 12.2 heb ik de vraag gesteld of de ingrijpende wijziging van Boek 4 BW per 1 januari 2003 zonder gevolgen is gebleven voor de in de bedoelde literatuur en jurisprudentie toegepaste waarderingsmaatstaven en -factoren. Met andere woorden, zouden de casus uit de ‘oud-erfrechtelijke’ jurisprudentie en de literatuur op dit moment – onder het huidige erfrechtelijke regime – tot een gelijke uitkomst – dienen te – leiden? In laatstgemelde paragraaf ben ik aan de hand van verschillende onderwerpen en voorbeelden tot de slotsom gekomen, dat de in de ‘oud-erfrechtelijke’ jurisprudentie en literatuur ontwikkelde waardebegrippen, waarderingsmaatstaven en -methoden voor de toepassing in het huidige erfrecht nuancering behoeven dan wel in voorkomende gevallen geen functie meer kunnen en zullen vervullen. De oorzaak daarvan is gelegen in de gewijzigde ‘wil’ van de wetgever. De invoering van het huidige Boek 4 BW heeft, bij de aanwezigheid van de wettelijke verdeling en de andere wettelijke rechten, de rol van het ongeschreven recht in de erfrechtelijke verdeling in bepaalde gevallen teruggedrongen. In die zin dient behoedzaam te worden omgegaan met ‘gevestigde’ waarderingsmaatstaven en -factoren, zo sloot ik hoofdstuk 5 af.
Met deze conclusie heb ik niet willen aangeven dat bedoelde, onder ‘oud erfrecht’ relevante maatstaven en factoren thans, onder vigeur van het huidige erfrecht, niet meer als zodanig in aanmerking genomen kunnen worden. In die zin blijven de oude rechtsbronnen ‘in tact’. De vraag of deze voor de bepaling van een verdelingswaarde onder het huidige erfrecht een rol kunnen spelen, en wat de eventuele invloed daarvan op die waarde is, zal echter telkens van geval tot geval – opnieuw – moeten worden beoordeeld.
Mijn ‘inventarisatie’ van waarderingsmaatstaven en waardebepalende factoren voor een verdelingswaarde vangt aan met de enige waardebepalende factor die te allen tijde aanwezig is, te weten de waarde in het economische verkeer.4 Voor enige concretisering van dit begrip, verwijs ik in het bijzonder naar paragraaf 4. Met de aanwezigheid van deze waarderingsmaatstaf is nog niets gezegd over de invloed daarvan op de verdelingswaarde; deze zal mede door de redelijkheid en billijkheid worden bepaald.
Voor de ordening van voor een verdelingswaarde relevante waarderingsmaatstaven en -factoren, sluit ik aan bij hetgeen ik onder meer in paragraaf 3 heb opgemerkt over de – verhouding tussen de – aan het erfrecht ‘voorafgaande’ rechtssferen, de anterieure rechtssferen, en de erfrechtelijke rechtssfeer als het om de waarde in laatstbedoelde rechtssfeer gaat.
Anterieure rechtssferen:pacht, vennootschap, huwelijksvermogensregime
Naar algemeen wordt aangenomen in de jurisprudentie en de doctrine kunnen ten tijde van het overlijden bestaande rechtsverhoudingen invloed hebben op de omvang en samenstelling van de nalatenschap alsmede op de waarde daarvan die de deelgenoten in aanmerking kunnen of moeten nemen. Deze rechtsverhoudingen ‘bevinden’ zich in de meerbedoelde anterieure rechtssferen. Voor de verdelingswaarde van een onderneming en een aandelenpakket treft men in de jurisprudentie en/of de doctrine de volgende rechtssferen aan: huur- en pachtovereenkomsten, vennootschapsovereenkomsten, het ten tijde van het overlijden bestaande huwelijksvermogensregime, stemovereenkomsten en overige contractuele verplichtingen, zoals bijvoorbeeld anti-speculatiebedingen.5 Omdat de door mij onderzochte jurisprudentie uitsluitend pacht- en vennootschapsverhoudingen alsmede het huwelijksvermogensregime betreft, zullen mijn hierna volgende beschouwingen zich tot deze rechtssferen beperken.
Pacht
Een door de erflater – tijdens leven – gesloten pachtovereenkomst heeft invloed op de verdelingswaarde van de betrokken onroerende zaken in de nalatenschapsafwikkeling, zo wordt in de literatuur algemeen aangenomen en in de jurisprudentie bevestigd.6 Een pachtovereenkomst heeft objectief bezien in beginsel een drukkende invloed op de waarde van de betrokken zaken, hetgeen tot uitdrukking kan komen in de economische waarde daarvan die mede voor de verdelingswaarde van belang is. Het feit dat een pachtovereenkomst met de verkrijger(s) van deze onroerende zaken is gesloten, doet hieraan niet af.7 De pachtovereenkomst, zo blijkt uit de onderzochte jurisprudentie, werd veelvuldig gebruikt als onderdeel van een geplande bedrijfsopvolging. Uit deze jurisprudentie is niet gebleken dat de redelijkheid en billijkheid een rol kunnen spelen bij de afwikkeling van een dergelijke opvolging, hetgeen – zoals hierna zal blijken – wel bij de ‘opvolging uit een personenvennootschap’ het geval kan zijn. Een verklaring daarvoor kan mogelijk gevonden worden in het feit dat de rechtsverhouding tussen de verpachter en de pachter voor een belangrijk deel door de wetgever, in de pachtregeling, vormgegeven is.8
Over de vorenbedoelde invloed van een pachtovereenkomst heerst communis opinio, over de mate waarin wordt getwijfeld. Dienen de betrokken goederen voor de waarde in verpachte staat, gelijk aan de prijs die een willekeurige derde zou willen betalen, in de verdeling te worden betrokken, of is nuancering daarvan mogelijk en/of geboden? In de jurisprudentie wordt voor de ‘harde lijn’ gekozen, de betrokken zaken dienen voor objectieve waarde in verpachte staat in de verdeling te worden betrokken. In de literatuur zijn andere geluiden te horen; de in de verdeling in aanmerking te nemen waarde zou hoger dienen te zijn dan de verpachte waarde, wellicht het gemiddelde van deze waarde en die in onverpachte staat, maar in ieder geval met de laatstbedoelde waarde als bovengrens.9 Zo werd betoogd dat juist met het oog op de familieverhoudingen en/of indien de ouderlijke boerderij aan een kind werd verpacht, de redelijkheid en billijkheid kunnen gebieden om – in positieve zin – van de waarde in verpachte staat af te wijken.
In de gedachte dat de redelijkheid en billijkheid in een verdeling onder omstandigheden kunnen nopen om, als billijkheidscorrectie, van een hogere waarde dan de verpachte waarde uit te gaan, kan ik mij vinden. De samenstelling van het vermogen van een deelgenoot kan onder omstandigheden van invloed zijn op de waarde van de in de verdeling betrokken en aan hem toegedeelde goederen.10 Ik merk daarbij voor de goede orde op dat de werking van deze beginselen in een verdeling moet worden onderscheiden van die in de rechtsverhouding tussen verpachter en pachter, waarin zij – zo blijkt althans uit de rechtspraak – geen dan wel een ondergeschikte rol spelen.
Personenvennootschap
Met door een erflater – tijdens leven – gesloten (personen)vennootschapsovereenkomst ontstaat eveneens een anterieure rechtssfeer, die van invloed kan zijn op de in een verdeling in aanmerking te nemen waarde.11 Primair bepaalt de inhoud van deze overeenkomst óf en in welke mate daarmee rekening gehouden moet worden. Wordt een personenvennootschap door het overlijden van een vennoot ontbonden en ontbreken voortzettingsregelingen, is er in beginsel geen reden om in de verdeling van de nalatenschap van deze vennoot met de tijdens diens leven bestaand hebbende samenwerkingsovereenkomst rekening te houden. Dat wordt vanzelfsprekend anders indien medevennoten, ook al zijn deze tevens erfgenamen, bij en door het overlijden afdwingbare rechten aan in een vennootschapsovereenkomst opgenomen voortzettingsregelingen kunnen ontlenen.
In deze benadering valt een parallel te onderkennen met hetgeen hiervoor met betrekking tot een pachtovereenkomst is opgemerkt. Zoals in hoofdstuk 5, § 4.5.1 reeds uiteengezet, dienen beide rechtssferen evenwel van elkaar te worden onderscheiden, zowel in verbintenisrechtelijk als in goederenrechtelijk opzicht. De op de Pachtwet gebaseerde verbintenisrechtelijke rechtsverhouding komt, zoals hiervoor aangegeven, grotendeels van de hand van de wetgever; het (personen)vennootschapsrecht is nagenoeg geheel regelend recht, de vennoten geven vorm aan die rechtsverhouding. Voorts ontbreekt bij een pachtverhouding een goederenrechtelijke rechtsverhouding tussen de betrokkenen in de vorm van een gemeenschap, terwijl daarvan bij een personenvennootschap meestal wel sprake is.
De verbintenisrechtelijke en de goederenrechtelijke rechtsverhoudingen tussen de vennoten in een personenvennootschap worden in het bijzonder bepaald door de vennootschapsovereenkomst en de redelijkheid en billijkheid. De verhoudingen beheersen niet slechts het bestaan maar ook de afwikkeling van het desbetreffende samenwerkingsverband, en derhalve ook de daarbij in aanmerking te nemen verdelingswaarde. Voor de goede orde zij opgemerkt dat ik hiermee doel op de verdelingswaarde in een vennootschappelijke gemeenschap, in een anterieure rechtssfeer derhalve.
Naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 200412 zijn Blanco Fernández en Mellema-Kranenburg in hun commentaar op deze uitspraak onder meer ingegaan op de hiervoor bedoelde, in een personenvennootschap bestaande, verbintenisrechtelijke en goederenrechtelijke rechtsverhouding(en) tussen de vennoten. In deze uitspraak destilleert de Hoge Raad voor de verdeling van een vennootschapsvermogen relevante waardebepalende factoren uit de redelijkheid en billijkheid en de aard van de tussen de vennoten/deelgenoten bestaande rechtsverhouding. Blanco Fernández wijst deze aanpak af; het onderzoeken van ‘de bloedloze aard van de gemeenschap’ is volgens hem niet de juiste methode om tot een juiste waarderingsmaatstaf te komen. Hij legt de nadruk op de – uitleg van de – vennootschapsovereenkomst. Een zoektocht naar de gerechtvaardigde verwachtingen van partijen, tegen de achtergrond van hun contractuele samenwerking, leidt volgens hem tot een juistere en meer precieze maatstaf. Overigens hoeft het gebruik van de ene of de andere uitlegmaatstaf (aard van de gemeenschap of gerechtvaardigde partijverwachtingen) volgens Blanco Fernández niet tot verschillende uitkomsten te leiden, zeker niet indien de aard van de gemeenschap door de vennootschapsovereenkomst bepaald wordt.13 Mellema-Kranenburg merkt in haar commentaar op gemeld arrest op dat met het toenemen van de omvang van een onderneming de rechtssfeer van de contractuele relatie vanwege doorgaans meer gedetailleerde opvolgingsregelingen, in vergelijking met de rechtssfeer van de gemeenschap, een belangrijker plaats inneemt.14
Ik heb met het commentaar van beide schrijvers enige moeite. Om met Mellema-Kranenburg te beginnen. Zij onderscheidt in een personenvennootschap – althans zo lijkt het – twee rechtssferen, te weten de contractuele relatie en de gemeenschap. Ik vraag mij af of de ‘auctor intellectualis’ van de rechtssfeer, Van Mourik, dat ook zo ziet, maar ik heb mijn twijfels.15 Volgens mij kunnen binnen de personenvennootschap, de definitie van art. 7:800 lid 1 BW voor ogen houdend, de overeenkomst en de – inbreng in de – vennootschappelijke gemeenschap niet van elkaar worden gescheiden. Naar mijn mening is er binnen de personenvennootschap slechts één rechtssfeer, te weten de vennootschappelijke rechtssfeer. Dat binnen deze rechtssfeer de rechtsverhoudingen tussen de vennoten, ten opzichte van de tussen hen bestaande goederenrechtelijke verhouding, in toenemende mate worden beheerst door de contractuele relatie naar de mate waarin de opvolgingsregelingen gedetailleerder worden, kan ik als uitgangspunt onderschrijven. Mellema-Kranenburg lijkt met haar conclusie over het toenemende belang van de contractuele relatie echter tevens te willen suggereren, althans zo begrijp ik haar tekst, dat de goederenrechtelijke rechtsverhouding en de daarin mede heersende redelijkheid en billijkheid ‘rechtevenredig’ aan belang inboeten. Met deze conclusie kan ik op grond van mijn vorenstaande overwegingen niet instemmen.
Met dit punt kom ik op het commentaar van Blanco Fernández. Beide auteurs lijken voor de werking van de redelijkheid en billijkheid te onderscheiden naar de verbintenisrechtelijke en de goederenrechtelijke rechtsverhouding tussen de deelgenoten in een personenvennootschap. Zo ziet Blanco Fernández voor de zoektocht naar een juiste waarderingsmaatstaf meer heil in de uitleg van de contractuele relatie tussen de deelgenoten dan in het doorgronden van de gemeenschap. Naar mijn indruk willen beide auteurs een keuze tussen de ene en de andere rechtsverhouding maken voor de al dan niet beschikbare rol voor de redelijkheid en billijkheid, terwijl deze keuze mijns inziens niet gemaakt kan worden.
De redelijkheid en billijkheid beheersen volgens Hartkamp immers alle vermogensrechtelijke rechtsbetrekkingen in een gemeenschap, en dus ook de onverdeeldheid als rechtstoestand en de verdeling als meerzijdige vermogensrechtelijke rechtshandeling (zie art. 6:2, 6:216 en 6:248 BW).16 De beginselen zijn alom tegenwoordig. Naar de mate waarin de contractuele regelingen duidelijker en gedetailleerder zijn, wordt het ‘beeld’ in de rechtssfeer alsmaar duidelijker. Daarmee is echter niets gezegd over de rol van de redelijkheid en billijkheid in deze rechtssfeer, die wellicht van een aanvullende in een (meer) corrigerende werking overgaat. Evenmin is daarmee mijns inziens iets gezegd over het belang van de goederenrechtelijke rechtsverhouding voor deze rechtssfeer.17
Het belang van onder meer gemeld arrest voor het erfrechtelijke waardevraagstuk, zo concludeerde ik in hoofdstuk 5, § 4.5.1, is primair gelegen in de relevantie van de daarin gegeven waarderingsmaatstaven voor de vraag of voor de legitieme- en de inbrengregeling van een gift sprake is, en zo ja, met welke omvang ‘gerekend’ moet worden. De bedrijfsopvolging is immers reeds tijdens leven voltooid, zodat niet van een anterieure rechtssfeer in meerbedoelde zin kan worden gesproken. Gemeld arrest en de andere in laatstgemelde paragraaf in hetzelfde kader aan de orde geweest zijnde jurisprudentie, geven echter eveneens inzicht in enige, mogelijk relevante waardebepalende factoren bij de afwikkeling van een vennootschappelijke gemeenschap, welke factoren ook een rol zouden kunnen spelen in de erfrechtelijke sfeer. Daarmee betoog ik niet dát deze factoren per definitie daarin die rol zullen vervullen en zeg ik evenmin iets over de mate van invloed, maar wil ik daarmee slechts aangeven dát zij als zodanig aangemerkt kunnen worden.
De bedoelde jurisprudentie heeft, zo heb ik in hoofdstuk 5, § 12.1 geconstateerd, de volgende waardebepalende factoren opgeleverd:
de door partijen gecreeerde vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen in een personenvennootschap, die mede door de redelijkheid en billijkheid worden beheerst;
de bedoeling van de vennoten dat voortzetting door de opvolger zal plaatsvinden, waarbij een waarde wordt gehanteerd die de continuïteit van de onderneming niet in gevaar brengt;
de aard van de rechtsverhouding tussen de vennoten, indien bijvoorbeeld sprake is van een familiebedrijf dat van generatie op generatie overgaat;
het ‘geheel van de rechtsverhouding’ in een personenvennootschap;
de rol van een meerwaardeclausule.
Huwelijksvermogensregime
In paragraaf 3 ben ik ingegaan op de mogelijke relevantie van anterieure rechtssferen, en de daarin toegepaste waarderingsmaatstaven en mogelijk in aanmerking te nemen waarderingsfactoren, voor de waarde in het erfrecht. De afwikkeling van de huwelijksvermogensrechtelijke rechtssfeer bepaalt – mede – de omvang en samenstelling van de nalatenschap alsmede de daarbij in aanmerking te nemen verdelingswaarde.18 In die zin hebben bedoelde maatstaven en factoren een indirecte invloed op de erfrechtelijke waarde. Zij zouden echter ook een directe invloed daarop kunnen hebben, indien deze maatstaven en factoren als zodanig voor de bepaling van een verdelingswaarde relevantie hebben. Daarmee is niet gezegd dát zij van belang zijn, noch iets over de mate waarin. De huwelijksvermogensrechtelijke rechtssfeer is in beginsel niet identiek aan de erfrechtelijke rechtssfeer.
Blijkens de onderzochte huwelijksvermogensrechtelijke jurisprudentie, kunnen voor de bepaling van de waarde van een onderneming de volgende factoren een rol spelen:19
de aard van de onderneming;
de rendementen die in de toekomst met de onderneming kunnen worden behaald; een rendabele exploitatie moet mogelijk zijn;
de in aanmerking te nemen waarde, op basis waarvan wordt afgerekend, mag de continuïteit van de voortgezette onderneming niet in gevaar brengen; matige tegenslagen in de toekomst moeten kunnen worden overleefd;
de afrekening mag niet in de weg staan aan een ‘normale’ bedrijfseconomische financieringsstructuur van de onderneming.
Op basis van deze factoren kan de betrokken onderneming onder omstandigheden op basis van de agrarische waarde, de waarde waarbij een lonende exploitatie nog net mogelijk is, in de afwikkeling van een huwelijksvermogensregime worden betrokken.
Enkele opmerkingen over de waarde van aandelen en certificaten
De waardering van aandelen in een N.V./B.V., zo bleek in de vorige paragraaf en zal zich hierna ook nog openbaren, roept veelal bijzondere vraagstukken op, die naar mijn mening voornamelijk toe te schrijven zijn aan de verschillende aspecten die aan deze vermogensrechten kleven. Te denken valt aan de (on)overdraagbaarheid, de (mede)zeggenschap en de uit of met aandelen te realiseren voordelen. Uitgaande van de indirecte waarderingsmethode, is de waarde van de door de rechtspersoon gedreven onderneming telkens het vertrekpunt.20 De waarde van die aandelen is daarmee echter niet per definitie gelijk aan die – van een evenredig deel – van de onderneming. Zij kan daarvan afwijken als gevolg van de contractuele en/of statutaire vormgeving van de desbetreffende rechtspersoon, waarbij kan worden gedacht aan de invloed van blokkeringsregelingen en stemrecht- en winstrechtbepalingen.21 Indien de betrokken aandelen zijn gecertificeerd, dient zich nog een volgende vraag aan, te weten of de waarde van de certificaten overeenkomt met die van de onderliggende aandelen.22
Het Handboek Nederlands vermogensrecht bij scheiding verstrekt, vanuit een huwelijksvermogensrechtelijk perspectief overigens, de volgende waarderingsfactoren voor aandelen/certificaten:
de te waarderen aandelen behoren tot een minderheidspakket in het kapitaal van een vennootschap, hetgeen tot gevolg kan hebben dat de macht ontbreekt om invloed uit te oefenen op de gang van zaken in de vennootschap en op het dividendbeleid, terwijl wellicht ook een reele kans op tegeldemaking van de aandelen ontbreekt;
hetgeen onder 1 is opgemerkt voor aandelen geldt eveneens voor certificaten van aandelen, waarbij de mogelijkheid om deze certificaten te royeren niet van belang is.23
De onder 1 genoemde waarderingsfactor vloeit uit de toepassing van de indirecte methode voort, waarin immers de statutaire en/of contractuele vormgeving van de rechtspersoon waarin de aandelen worden gehouden, mede van belang voor de waarde van die aandelen is. De invloed van deze vormgeving op de waarde kan min of meer objectief worden vastgesteld, waarmee de economische waarde van de aandelen is gegeven (zie ook paragraaf 4). Deze economische waarde is een voor de bepaling van de verdelingswaarde in aanmerking te nemen maatstaf; voor deze waarde dient echter ook rekening te worden gehouden met alle andere relevante (waarde)bepalende factoren. Zo kan men, daarbij terugverwijzend naar mijn opmerkingen dienaangaande in paragraaf 4, de vraag stellen of het gegeven dat aandelen tot een te verkrijgen minderheidspakket behoren voor de waarde daarvan relevant is, indien de verkrijger reeds aandelen in dezelfde rechtspersoon houdt en deze tezamen met de te verkrijgen aandelen een meerderheidspakket, met doorslaggevende zeggenschap, zullen vormen. Anders dan ik in paragraaf 4 voor de economische waarde in het kader van de legitiemeregeling heb betoogd, kan het tot het eigen vermogen van de verkrijger behorende anterieure aandelenbezit voor de verdelingswaarde wel van belang zijn.24 Voor die waarde dienen – op grond van de redelijkheid en billijkheid – immers alle relevante factoren in aanmerking te worden genomen, waaronder de samenstelling van het eigen vermogen van de verkrijger tevens kan zijn begrepen.
Met betrekking tot de waarde van certificaten van aandelen dient mijns inziens een vergelijkbare redenering te worden aangehouden.25 Zoals in paragraaf 4 aangegeven dient de objectieve, economische waarde van certificaten te worden vastgesteld, met inachtneming van de invloed van de vigerende certificeringsvoorwaarden. De waarde van deze certificaten wordt onder meer bepaald door de mate waarin deze een economisch belang bij en de zeggenschap in de rechtspersoon verschaffen waarvan de aandelen zijn gecertificeerd. De waarde van een certificaat kan overeenkomen met dat van het onderliggende aandeel, maar daarvan is niet per definitie sprake.26
In afwijking van hetgeen in gemeld handboek wordt geschreven, ben ik van mening dat de mogelijkheden om certificaten te royeren voor de waarde daarvan wel van belang kan zijn.27 Zo heb ik in paragraaf 4 geconcludeerd dat daarmee voor de bepaling van de economische waarde van certificaten rekening kan worden gehouden, indien en voor zover de geobjectiveerde wil van een economisch rationeel handelende verkrijger tot royement zou overgaan. Het royement als wilsrecht is immers een ‘onderdeel’ van het certificaat als vermogensrecht.
Anders dan bij de bepaling van bedoelde economische waarde, dient voor de verdelingswaarde van certificaten met alle relevante factoren en omstandigheden rekening te worden gehouden. Zo kan rekening – moeten – worden gehouden met het feit dat de verkrijger van de certificaten reeds bestuurder van de Stichting Administratiekantoor is, met de samenstelling van diens eigen vermogen waartoe reeds certificaten van aandelen in dezelfde rechtspersoon behoren en met een daadwerkelijk royement of decertificering. Dientengevolge is het naar mijn mening niet onmogelijk dat de economische waarde van certificaten wél en de verdelingswaarde daarvan níet van de waarde van de onderliggende aandelen afwijkt.28
Verdelingswaarde van een onderneming en van aandelen
In de voorgaande paragrafen heb ik reeds verwezen naar de thans aan de orde komende verdelingswaarde. Ik zal hierna inventariseren welke waarderingsmaatstaven en -factoren het onderhavige onderzoek heeft opgeleverd voor de verdelingswaarde van een onderneming en van aandelen.29
De onderzochte jurisprudentie leverde noch voor een onderneming noch voor aandelen waarderingsmaatstaven en -factoren op voor de bepaling van de erfrechtelijke verdelingswaarde daarvan. Voor zover de jurisprudentie al betrekking had op de waarde van een onderneming, was telkens sprake van een pacht- of vennootschapsovereenkomst, waarmee de bedrijfsopvolging reeds tijdens leven was ingezet (en soms ook was voltooid). De waarde van een onderneming in een ‘vrije’ verdeling van een nalatenschap, zonder de invloed van anterieure rechtssferen, is niet ‘in geding’ geweest.
In de literatuur is, zoals vaker in deze proeve opgemerkt, mondjesmaat aan het erfrechtelijke waardevraagstuk van de onderneming en van aandelen aandacht besteed. Ik zal enige visies daaromtrent thans bij elkaar brengen en van commentaar voorzien.
Verdelingswaarde van een onderneming
In zijn Leidse oratie ontvouwde Van Mourik zijn visie op de erfrechtelijke verdelingswaarde van een onderneming in – onder meer – de volgende bewoordingen:
‘Naar ik meen gebieden de beginselen van de redelijkheid en billijkheid het ondernemingsvermogen aan de voortzetter toe te delen voor een waarde welke lager is dan die welke in de vorm van een prijs verkregen zou worden indien een derde de activiteit zou continueren. Ik voel er voor de door de activiteit van erflater opgebouwde meerwaarde bij de verdeling buiten beschouwing te laten.’30
Perrick geeft in 1996 het volgende voorbeeld:
‘Wanneer de redelijkheid en billijkheid medebrengen, dat de boerderij waarop een zoon sinds jaren werkzaam is, aan hem wordt toegedeeld dan zal in de regel de waarde waarvoor hem de boerderij wordt toegedeeld lager zijn dan de waarde, die de boerderij voor de andere erfgenamen heeft.’31
Ook Mellema-Kranenburg ziet ruimte voor een lagere waarde; het gaat er volgens haar om of er omstandigheden zijn die rechtvaardigen dat de opvolger verkrijgt voor een andere waarde dan de waarde in het economische verkeer.32 De opvatting kan ik onderschrijven; de vraag welke omstandigheden een dergelijke rechtvaardiging kunnen vormen, is daarmee nog niet beantwoord.33
Van Mourik ziet in de door de erflater opgebouwde meerwaarde een aanknopingspunt voor de waardebepaling; door deze buiten beschouwing te laten, kan toedeling tegen een lage(re) waarde plaatsvinden. Die meerwaarde wordt ook wel aangeduid als goodwill. Naar mijn mening, die ik in hoofdstuk 10, § 5 zal onderbouwen, ‘verdwijnt’ door het overlijden van een ondernemer slechts de niet-realiseerbare, persoonlijke goodwill; de wel realiseerbare, zakelijke goodwill ‘volgt’ de onderneming van erflater en zal derhalve in beginsel in de verdeling van diens nalatenschap betrokken dienen te worden. De redenering van Van Mourik kan ik als zodanig dan ook niet (geheel) onderschrijven, hetgeen overigens niet wegneemt dat het onder omstandigheden denkbaar is dat de – waarde van de – bedoelde zakelijke goodwill buiten de verdelingswaarde blijft, maar dat is mijns inziens geen ‘automatisme’. Daarvoor dienen omstandigheden aanwezig te zijn, die zulks rechtvaardigen.
Een dergelijke omstandigheid zou wel in het voorbeeld van Perrick gelezen kunnen worden. Indien de op de boerderij werkzame zoon immers de bedoelde meerwaarde van de onderneming heeft opgebouwd, zou men kunnen betogen dat deze buiten de verdeling van de nalatenschap dient te blijven. Het voorbeeld dient mijns inziens echter ‘in de tijd’ te worden geplaatst. Onder het oude erfrecht kende Boek 4 BW geen genoegdoening voor de niet- of onderbetaalde thuiswerker.34 Het is dan ook de vraag of dit voorbeeld onder het huidige erfrecht tot hetzelfde resultaat zou leiden. De wetgever verstrekt in art. 4:36 BW aan de thuiswerker immers een som ineens als billijke vergoeding voor verrichte arbeid. Indien de wetgever de door de ‘onderbetaling’ toegevoegde waarde ‘vergoedt’, hoeft daarmee bij de verdeling niet opnieuw rekening te worden gehouden. Dit sluit vanzelfsprekend niet uit dat via de redelijkheid en billijkheid andere omstandigheden tot een waardecorrectie van de boerderij kunnen leiden, echter niet voor zover de toegevoegde waarde een gevolg is van onderbetaling. Dat heeft de wetgever thans geregeld.35
In de parlementaire geschiedenis, zo heb ik in hoofdstuk 3, § 3 uiteengezet, is de erfrechtelijke waarde van een onderneming ook nauwelijks aan de orde geweest. Een van de weinige momenten waarop men ‘uit de school klapte’, was bij de behandeling van art. 4:38 BW.
Indien men aanneemt, zo heb ik in hoofdstuk 5, § 7.2 beargumenteerd, dat de redelijke prijs van art. 4:38 BW kan worden vereenzelvigd met de erfrechtelijke verdelingswaarde van het betrokken ondernemingsvermogen, kunnen in de parlementaire geschiedenis de volgende maatstaven en factoren voor deze waarde gevonden worden:36
De overnameprijs (oftewel de verdelingswaarde) dient redelijk te zijn, in de zin dat het niet onmogelijk moet zijn het bedrijf voort te zetten.
De waarde in het economische verkeer is een waardebepalende factor; het is de bovengrens.
Het verwachte rendement van de onderneming zal mede bepalend en in zekere zin ook waardedrukkend zijn.
Voor landbouwbedrijven kan onder omstandigheden de agrarische waarde als maatstaf worden gehanteerd, waarbij het rendement een doorslaggevende rol speelt, en welke waarde lager is dan de waarde in het economische verkeer.
Verdelingswaarde van aandelen
Hiervoor heb ik aangegeven dat de verdelingswaarde van aandelen noch in de jurisprudentie noch in de parlementaire geschiedenis aandacht heeft gekregen. In de literatuur is daaraan wel enige aandacht besteed, waarvoor ik primair verwijs naar hetgeen de hiervoor gemaakte opmerkingen over de waarde van aandelen en certificaten. Enkele in de literatuur gesignaleerde aspecten met betrekking tot de waarde(ring) van aandelen, welke in hoofdstuk 5 overigens de revue zijn gepasseerd, zijn daarbij onderbelicht gebleven. Ik zal daarop thans nog kort ingaan.
Zo merkt Van der Burght op dat voor de waardering van het aandeel in een onverdeeld pakket incourante effecten depreciërende werking moet worden toegekend aan het feit dat de gerechtigde tot een aandeel in die onverdeeldheid geen of weinig invloed op de vennootschap heeft en dat het samen eigenaar zijn ongerief met zich mee kan brengen.37 Mocht dit uitgangspunt al juist zijn voor de waarde gedurende het bestaan van bedoelde gemeenschap, waarbij ik me overigens afvraag voor welk erfrechtelijk vraagstuk de waarde bepaald zou moeten worden, acht ik het niet houdbaar bij de verdeling daarvan. Die verdeling maakt een einde aan de onverdeeldheid en dus aan het eventuele daarmee samenhangende ongerief. Voor een verdelingswaarde speelt het ongerief tijdens het bestaan van de gemeenschap mijns inziens geen rol; men kan immers te allen tijde verdeling vorderen om deze ‘onprettige’ situatie te beëindigen. Bovendien hebben de deelgenoten allen in beginsel even veel ongerief ondervonden, zodat dat evenmin als een rechtvaardigingsgrond voor een bepaalde (lagere) waarde lijkt te kunnen worden ingezet. De toedeling zal vervolgens uitwijzen of de gerechtigde met de toegedeelde aandelen wel of geen invloed op de vennootschap heeft.
Dit laatste brengt mij bij de vraag of een pakketbreuk van invloed kan zijn op de bij een verdeling in aanmerking te nemen waarde van aandelen. Aan de door de erflater gehouden aandelen, het gehele pakket derhalve, kan een bepaalde waarde worden toegekend. Deze waarde dient, zoals onder meer in paragraaf 4 betoogd, voor de berekening van de legitieme portie in aanmerking te worden genomen. Bij de indirecte waarderingsmethode kan, zoals eerder aangegeven, de statutaire en/of contractuele vormgeving van de rechtspersoon invloed hebben op de waarde van de daarin gehouden aandelen, omdat deze vormgeving mede bepalend is voor het economisch belang bij en zeggenschap in de desbetreffende rechtspersoon.38 In veel, zo niet de meeste, gevallen gaan zeggenschap, economisch belang en waarde ‘hand in hand’, in die zin dat bij toenemende zeggenschap het economisch belang bij de onderneming en de waarde van de aandelen stijgen; bij afnemende zeggenschap daalt het economisch belang en de waarde. Ik ga thans van deze ‘wetmatigheid’ uit.
Aan aandelen kan derhalve een meerwaarde worden toegekend indien deze tot een bepaald pakket behoren; de waarde van het geheel is groter dan die van de som van de afzonderlijke delen. Deze meerwaarde verdwijnt in beginsel niet door erflaters overlijden, als gevolg waarvan de aandelen tot diens nalatenschap gaan behoren. De waarde-ontwikkeling van de aandelen eindigt niet met erflaters overlijden; zij kan nadien, zowel tijdens het bestaan van de gemeenschap als bij de verdeling daarvan, mede door de erfgenamen worden beïnvloed.
Ondanks de ‘functionele’ eenheid van het aandelenpakket, verzet zich in civielrechtelijk opzicht niets tegen het uiteenvallen daarvan bij een verdeling van de nalatenschap.
Over de gevolgen die dit voor de waarde van de tot het pakket behorende aandelen heeft, schrijft Perrick schrijft het volgende:
‘Niettemin wordt niet elk aandeel afzonderlijk gewaardeerd. De waardering moet betrokken worden op de omstandigheden van het geval. Er zal rekening mede gehouden moeten worden of en op welke wijze het pakket gebroken wordt.’39
Het is derhalve aan de erfgenamen of zij de bedoelde, in het aandelenpakket als geheel belichaamde meerwaarde in stand houden door het pakket aan één deelgenoot toe te delen, of deze teniet doen, door het pakket in twee of meer delen te breken. Vanzelfsprekend kunnen de erfgenamen de (meer)waarde van het pakket ook realiseren door het aan een derde te vervreemden.40 Óf deze meerwaarde al dan niet in stand blijft, eventueel wordt verzilverd, of teniet wordt gedaan, berust in beginsel op een gezamenlijk besluit van de erfgenamen. Het belang bij de – waarde van de – aandelen gaat hen in een gemeenschap even veel aan, hetgeen in de verdelingswaarde tot uitdrukking komt.41 Zoals hiervoor reeds betoogd, kan de verdelingswaarde van een aandelenpakket worden beïnvloed door anterieur aandelenbezit (in dezelfde rechtspersoon) van de deelgenoot aan wie het pakket toegedeeld wordt. Alle omstandigheden dienen voor deze waarde immers in aanmerking te worden genomen, waaronder de samenstelling van het eigen vermogen van de verkrijger tevens kan zijn begrepen.
Ondanks de ‘pakketbenadering’ voor de waardering van aandelen in een verdeling, mag niet uit het oog worden verloren dat de bepaalde waarde in beginsel aan ieder afzonderlijk aandeel dient te worden toegekend, hetgeen in beginsel geschiedt door de pakketwaarde te delen door het aantal daartoe behorende aandelen.42 De waarde van ieder afzonderlijk aandeel, zal – de hiervoor bedoelde ‘wetmatigheid’ volgend – afnemen met het toenemen van het aantal pakketten. Indien de nagelaten aandelen over meerdere erfgenamen worden verspreid, en de waarde daarvan met inachtneming van de pakketbreuk wordt bepaald, kan en dient daarop onder omstandigheden nog een nadere ‘verfijning’ te worden aangebracht. Het is immers niet ondenkbaar dat een aandeel voor de ene erfgenaam in de verdeling een grotere waarde heeft dan voor een andere erfgenaam, bijvoorbeeld vanwege het anterieure aandelenbezit van die ene erfgenaam.43 Voor de verdelingswaarde van aandelen dient immers met alle factoren rekening te worden gehouden.
Peilmoment
Dit brengt mij bij de laatste waardebepalende factor waarbij ik in deze paragraaf (en in dit hoofdstuk) wil stilstaan, te weten het waarderingstijdstip. Dat de waarde van de in een verdeling te betrekken goederen en schulden mede afhankelijk is van het tijdstip dat voor de bepaling daarvan in aanmerking wordt genomen, is – uitgaande van immer optredende waarde-ontwikkelingen – vanzelfsprekend. Daarmee is het waarderingstijdstip tevens een waardebepalende factor geworden, waarmee – dus – voor een verdelingswaarde rekening gehouden dient te worden. De (over)heersende rol van de redelijkheid en billijkheid bij dit waardebegrip komt ook voor dit tijdstip tot uitdrukking, zo wordt in constante rechtspraak bevestigd.44 Primair wordt aangesloten bij het tijdstip waarop de verdeling plaatsvindt of het tijdstip dat partijen overeengekomen zijn, tenzij de redelijkheid en billijkheid gebieden om van een ander tijdstip, zoals bijvoorbeeld het moment van feitelijke verdeling, uit te gaan. Dit verbaast allerminst bij een verdelingswaarde.45
Met het vorenstaande heb ik getracht het erfrechtelijke waardebegrip – nader – te concretiseren aan de hand van verwijzingen naar het voor deze proeve verrichte waarde-onderzoek, met voorbeelden en het formuleren van uitgangspunten. Met de in de inleiding van paragraaf 4 gegeven beeldspraak, kan op voorhand worden geconcludeerd dat een navigatiesysteem voor het bereiken van deze waarde daarmee niet is gegeven. De verlossende woorden ‘bestemming bereikt’ klinken (nog) niet. De ‘ontdekkingsreis’ in deze proeve heeft naar mijn mening nieuwe werelddelen opgeleverd, maar over de beschikbare infrastructuur ter plaatse is nog veel onbekend.