De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie
Einde inhoudsopgave
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.3.1:7.3.1 De bevoegdheden van de Europese ondernemingsraad
De rol van Nederlandse werknemers(vertegenwoordigers) bij een grensoverschrijdende juridische fusie (VDHI 119) 2013/7.3.1
7.3.1 De bevoegdheden van de Europese ondernemingsraad
Documentgegevens:
mr. F.G. Laagland, datum 15-07-2013
- Datum
15-07-2013
- Auteur
mr. F.G. Laagland
- JCDI
JCDI:ADS392090:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Europese ondernemingsraad verschaft de werknemers een vorm van medezeggenschap bij ondernemingen en concerns met een communautaire dimensie. De Europese ondernemingsraad heeft een rol die vanwege het territorialiteitsbeginsel onmogelijk door de Nederlandse (centrale) ondernemingsraad kan worden vervuld. De vormgeving en de inhoud van de bevoegdheden van de Europese ondernemingsraad zijn gestoeld op het contractsmodel. Binnen gestelde kaders zijn het hoofdbestuur en de werknemers vrij de informatieverstrekking en raadpleging toe te snijden op hun eigen situatie. Dat geeft een enorme diversiteit aan overeenkomsten. Alleen indien de partijen niet tot afspraken komen, treden de wettelijke referentievoorschriften in werking zoals die gelden in de lidstaat waar het hoofdbestuur is gevestigd. Hoewel de EOR-Richtlijn een minimumrichtlijn is, zijn zowel Nederland, Duitsland als België wat de bevoegdheden van de referentievoorschriften betreft, zeer dicht gebleven bij de tekst van de EOR-Richtlijn.1
De wettelijke referentievoorschriften geven de Europese ondernemingsraad recht op informatie en raadpleging over specifiek bepaalde onderwerpen, waaronder fusies. Naar mijn mening valt een juridische fusie steeds onder het toepassingsbereik ongeacht de vraag of de fusie geschiedt vanuit het perspectief van de verkrijgende dan wel de verdwijnende vennootschap. Wel moet de fusie van belang zijn voor ‘(…) de gehele communautaire onderneming of voor de gehele communautaire groep (…), of voor ten minste twee ondernemingen of vestigingen van een communautaire onderneming of een communautaire groep in twee verschillende betrokken staten.’ Deze bepaling was oorspronkelijk opgenomen in de referentievoorschriften, maar is met de Herschikkingsrichtlijn verplaatst naar art. 1 lid 4 EOR-Richtlijn. De plaatsing in art. 1 stelt zeker dat ook de bevoegdheid van de bij overeenkomst opgerichte Europese ondernemingsraad beperkt is tot grensoverschrijdende aangelegenheden. Om te bepalen of een aangelegenheid een transnationale dimensie heeft, moet onder meer worden gekeken naar het aantal betrokken lidstaten, het betrokken bestuursniveau en het belang van het onderwerp voor het Europese personeelsbestand (gevolgencriterium). Vindt de grensoverschrijdende fusie plaats binnen concernverband, dan is per definitie aan het criterium van een transnationale dimensie voldaan. Dit hoeft niet het geval te zijn indien een Nederlandse concernvennootschap grensoverschrijdend fuseert met een los van het concern staande buitenlandse vennootschap terwijl de Nederlandse deelnemende vennootschap slechts ondernemingen en vestigingen in Nederland heeft. De bevoegdheid van de Europese ondernemingsraad is dan afhankelijk van de invloed die de fusie heeft voor de werknemers van de buitenlandse onderneming(en) binnen het concern.
Het is overigens niet altijd het besluit tot grensoverschrijdend fuseren zelf waarover aan de Europese ondernemingsraad bevoegdheden toekomen. Binnen concernverband zal de fusie vaak een aspect zijn van een meeromvattend transnationaal herstructureringsbesluit dat op het niveau van de concerntop is voorgenomen. In dat geval komen aan de Europese ondernemingsraad informatie- en raadplegingsrechten toe over het herstructureringsbesluit als zodanig. De raadplegingsprocedure met het hoofdbestuur van de zeggenschapsuitoefende vennootschap die het besluit voorbereidt, biedt aan de Europese ondernemingsraad het meeste perspectief het voorgenomen besluit daadwerkelijk te beïnvloeden. Dat neemt niet weg dat ook het uiteindelijke fusiebesluit van de dochtervennootschap een transnationale kwestie kan behelzen. Het volgende voorbeeld maakt dit duidelijk:
Een Nederlandse BV met vestigingen in Nederland, België en Duitsland is voornemens te fuseren met een Duitse GmbH. De Nederlandse BV is onderdeel van een intracommunautair concern waarin een Europese ondernemingsraad is ingesteld. De Duitse GmbH is een enkelvoudige vennootschap. De fusie van de Nederlandse BV is onderdeel van een herstructureringsoperatie op basis waarvan al meerdere fusies binnen het concern zijn gerealiseerd. De Europese ondernemingsraad is over de herstructureringsoperatie geïnformeerd en geraadpleegd en heeft in dat verband een positief advies gegeven met betrekking tot de fusie van de Nederlandse BV en de Duitse GmbH. De vraag rijst of de Europese ondernemingsraad (wederom) recht heeft op informatie- en raadpleging op het moment dat de fusie van de Nederlandse BV daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
De bevoegdheden uit de EOR-Richtlijn zijn – anders dan de bevoegdheden uit de WOR – niet gekoppeld aan de besluiten van een bepaald orgaan. De EOR-Richtlijn legt de informatieverstrekkings- en raadplegingplicht neer bij het hoofdbestuur of enig passender bestuursniveau. Dat kan het bestuur van een concernvennootschap zijn. Voor de bevoegdheid van de Europese ondernemingsraad is beslissend of het betreffende onderwerp waarop het besluit betrekking heeft, valt binnen het bereik van de overeenkomst dan wel de referentievoorschriften én een transnationale dimensie kent. De Nederlandse, Duitse en Belgische implementatiewetten sluiten hierbij aan. Het bestuur van een concerndochter kan dus gehouden zijn het voorgenomen besluit tot grensoverschrijdend fuseren ter informatie en raadpleging aan de Europese ondernemingsraad voor te leggen. In de praktijk zal het veelal zijn dat de concrete uitwerking van het fusiebesluit van de dochter reeds in het informatie- en raadplegingstraject met betrekking tot het transnationale herstructureringsbesluit is meegenomen. In dat geval meen ik dat de Europese ondernemingsraad zijn bevoegdheden reeds heeft uitgeoefend en hem niet nogmaals informatieen raadplegingsbevoegdheden toekomen met betrekking tot het fusiebesluit van de dochter.
Voor de effectiviteit van de bevoegdheden is cruciaal het ogenblik waarop de Europese ondernemingsraad in het besluitvormingsproces wordt betrokken. De informatie en raadpleging dient te geschieden op een moment dat informatie en raadpleging zinvol zijn. De Europese ondernemingsraad moet bovendien de mogelijkheid hebben een advies aan de ondernemer uit te brengen zonder dat het aanpassingsvermogen van de ondernemer in het gedrang komt. De oorspronkelijke EOR-Richtlijn bevatte geen precieze duiding van het tijdstip. De Herschikkingsrichtlijn bracht op dit punt meer duidelijkheid. Art. 2 (f) en (g) benadrukt dat de informatieverstrekking en raadpleging op zodanige wijze wordt vastgesteld en uitgevoerd dat de nuttige werking van de bepalingen zijn gewaarborgd. Informatieverstrekking en raadpleging dienen te gebeuren op een passend tijdstip, op een passende wijze en met een passende inhoud. De Nederlandse, Duitse en Belgische implementatieregelgeving hanteren gelijke definties.2 De explicitering van een zinvol tijdstip kent overeenkomsten met het adviesrecht van art. 25 WOR dat dient plaats te vinden op een moment dat een en ander nog van wezenlijke invloed is.