Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.3.5.4.1
2.3.5.4.1 Interpretatiemethoden
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291501:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81, NJ 1983, 55, r.o. 18-20 (Cilfit).
J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 73-100, A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss.), Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers 2007, p. 265-273 en W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 13. Zie bijv. HvJ EU 9 april 2013, zaak C-85/11, V-N 2013/24.13 (Commissie/Ierland).
Ch.P.A. Geppaart, Fiscale rechtsvinding in het kader van de Europese Unie (afscheidsrede), p. 19, opgenomen op de CD-ROM bij L.J.A. Pieterse, Fiscale oraties en afscheidsredes, Den Haag: Sdu Uitgevers 2011, A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss.), Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers 2007, p. 288, M.A. Maduro, ‘Interpreting European Law - Judicial Adjudication in a Context of Constitutional Pluralism’, European Journal of Legal Studies 2007, Volume 1, nr. 2, p. 141, W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 13 en D.M. Weber, Cursus Belastingrecht, EBR.3.0.2 (online, bijgewerkt t/m 11 maart 2021). Zo komt het voor dat het Hof van Justitie toetst of een grammaticale interpretatie in overeenstemming is met het doel van de bepaling of regeling (J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 99). Ook komt het voor dat het Hof van Justitie aan een bepaling een teleologische (en contextuele) uitleg geeft die moeilijk te rijmen is met de bewoordingen van de bepaling (zie bijv. HvJ EU 21 september 2017, zaak C-605/15, BNB 2018/14 (Aviva) en HvJ EU 21 september 2017, zaak C-326/15, BNB 2018/13 (DNB Banka)).
HvJ EG 6 oktober 1982, zaak 283/81, NJ 1983, 55, r.o. 18 (Cilfit). Voor kritiek op de logica hiervan (waarmee wordt vergeleken als alles gelijkelijk authentiek is?) zie: A. Kornezov, ‘The new format of the acte clair doctrine and its consequences’, CMLR 2016, Volume 53, p. 1320 (voetnoot 18) en aldaar aangehaalde literatuur.
In de Nederlandse literatuur wordt deze interpretatiemethode aangeduid als de wetshistorische interpretatie (G.J. Wiarda, Drie typen van rechtsvinding, vierde druk, bewerkt en van een nabeschouwing voorzien door T. Koopmans, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1999, p. 22, H. Franken e.a., Encyclopedie van de rechtswetenschap, Deventer: Kluwer 2003, p. 196, A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss.), Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers 2007, p. 273 en C.E. Smith, Regels van rechtsvinding, Den Haag: Boom juridische uitgevers 2006, p. 157). Omdat een richtlijn geen wet is hanteer ik de term ‘richtlijnhistorische interpretatie’.
Zie bijv. HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-486/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 21 (Gemeente Emmen), HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 51 (Stichting Goed Wonen I) en HvJ EU 16 november 2017, zaak C-308/16, BNB 2018/26, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 41 (Kozuba).
D.B. Bijl, M.E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Deventer: Kluwer 2001, p. 12 en J. Althena,-Davidsen, L. van den Berge en E. Huijzer, ‘Over mensen die elkaar verstaan. Interview met Sacha Prechal’, AA 2012, p. 23.
HvJ EG 17 oktober 1996, zaak C-283/94, FED 1996/995, r.o. 29 (Denkavit) en HvJ EU 17 december 2020, zaak C-449/19, V-N 2021/3.16, r.o. 44 (WEG Tevesstraße). Zie echter: HvJ EG 25 september 2003, zaak C-58/01, FED 2004/8, m.nt. Thomas, r.o. 83 en 84 (Océ van der Grinten) waarin het Hof van Justitie een onweersproken stelling omtrent de ongepubliceerde richtlijnhistorie tot uitgangspunt neemt bij de uitleg van een richtlijnbepaling.
Vgl. J.J.P. Swinkels, De belastingplichtige en de Europese BTW (diss.), Den Haag: Koninklijke Vermande 2001, p. 104.
Anders: A. van Dongen, De harmonisatie van de btw (diss.), Amersfoort: Sdu Fiscale en Financiële Uitgevers 2007, p. 278.
HvJ EU 15 november 2012, zaak C-532/11, V-N 2012/61.16, r.o. 32 (Leichenich).
HvJ EU 16 oktober 2014, zaak C-605/12, V-N 2014/57.13, r.o. 44-47 (Welmory).
HvJ EU 18 juni 2020, zaak C-276/18, V-N 2020/31.14, r.o. 55-57 (KrakVet Marek Batko).
Uit het Cilfit-arrest is af te leiden dat het Hof van Justitie zich bij de interpretatie van het unierecht laat leiden door de bewoordingen (grammaticale interpretatie), de context van de bepaling of regeling (contextuele interpretatie) en het doel (telos) van de bepaling of regeling (teleologische interpretatie).1 Dit is ook in btw-zaken het geval.2 Van een duidelijke rangorde tussen deze interpretatiemethoden is geen sprake. Niettemin valt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie op te maken dat het zwaartepunt ligt bij het doel van de bepaling (al dan niet gecombineerd met de context van de bepaling).3 Het Hof van Justitie kan de grammaticale interpretatie ook niet altijd toepassen. Alle taalversies van de Btw-richtlijn en Btw-uitvoeringsverordening zijn gelijkelijk authentiek. Een grammaticale interpretatie vereist volgens het Hof van Justitie dan ook een vergelijking van de (thans 24) verschillende taalversies.4 Levert een vergelijking van de taalversies verschillende uitkomsten op – en dat is met 24 verschillende taalversies niet zelden het geval – dan is de grammaticale interpretatie ontoereikend.
Het Hof van Justitie bedient zich ook van de richtlijnhistorische interpretatie.5 Meestal dient deze interpretatiemethode als onderbouwing van het doel van een richtlijnbepaling.6 Dit onderstreept dat het Hof van Justitie het meeste gewicht toekent aan het doel van de bepaling. Dat het Hof deze interpretatiemethode spaarzaam gebruikt, houdt verband met de omstandigheid dat zij veronderstelt dat uit de richtlijnhistorie kenbaar is wat de Raad met de bepaling heeft beoogd. En dat is lang niet altijd het geval. Omdat de vergaderingen van de Raad over de Btw-richtlijn en haar voorgangers in alle beslotenheid plaatsgevonden hebben, zijn de redenen waarom wordt afgeweken van een door de Europese Commissie voorgestelde bepaling lang niet altijd bekend. In de literatuur is die onbekendheid betreurd.7 In dit onderzoek wil ik die richtlijnhistorische leemte opvullen door – voor zover voor relevant – in te gaan op hetgeen de vergaderstukken vermelden omtrent de eventuele afwijkingen van de voorgestelde bepalingen in de Tweede en Zesde Richtlijn. Dit kan het doel verhelderen van de bepalingen die in dit onderzoek aan bod komen. Ook hetgeen de lidstaten zijn overeengekomen om in de notulen op te nemen van de vergadering waarin de Tweede en Zesde Richtlijn is aangenomen, komt – voor zover relevant – aan bod. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het Hof van Justitie aan die vastgestelde afspraken geen rechtskracht toekent, omdat deze afspraken niet in bepalingen van dwingend recht zijn opgenomen.8 Niettemin kunnen ook deze afspraken licht werpen op het doel van een bepaling.9
In een enkel geval anticipeert het Hof van Justitie bij zijn uitleg van het unierecht op toekomstig unierecht (anticiperende interpretatie).10 Zowel in het Leichenich-arrest11 als het Welmory-arrest12 sluit het Hof aan bij de definitie van een uniebegrip in de Btw-uitvoeringsverordening, hoewel die verordening ten tijde van de feiten in deze zaken nog niet van kracht was. Hierbij moet worden aangetekend dat de anticiperende interpretatie in beide zaken te rijmen was met de bewoordingen in de betreffende bepaling in de Btw-richtlijn. Het ligt gelet op het rechtszekerheidsbeginsel niet voor de hand dat het Hof van Justitie ook zou kiezen voor een anticiperende interpretatie indien deze interpretatie in strijd zou zijn met de bewoordingen van de toepasselijke unierechtelijke bepaling.13 Het toepassen van de anticiperende interpretatie in voormelde btw-zaken lijkt dan ook de spreekwoordelijke uitzondering te zijn die de regel (geen anticiperende interpretatie) bevestigt.