Zoeken naar zekerheid
Einde inhoudsopgave
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.5:6.5 Conclusie
Zoeken naar zekerheid (SteR nr. 46) 2019/6.5
6.5 Conclusie
Documentgegevens:
R.W.J. Severijns, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
R.W.J. Severijns
- JCDI
JCDI:ADS180221:1
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In dit hoofdstuk heb ik laten zien hoe medewerkers van de IND verschillende typen feiten vaststellen. Daarbij valt op dat de status die zij toekennen aan informatiebronnen en methoden om de onzekerheid over feiten te verminderen, doorslaggevend zijn voor de wijze waarop zij feiten vaststellen. De meeste informatiezekerheid wordt volgens medewerkers verkregen door deskundigenonderzoek. De medewerkers van de IND geven niet vaak opdracht voor dit soort onderzoek, vanwege de kosten die hieraan zijn verbonden en de extra tijd die met het onderzoek is gemoeid. De resultaten van dit onderzoek worden door de meeste medewerkers van de IND als harde informatie beschouwd, hoewel deze deskundigen verschillende waarschijnlijkheidsgradaties in hun conclusies hanteren. Dat komt mijns inziens vooral doordat de medewerkers dit type onderzoek uitsluitend instellen bij twijfel die volgens hen niet op een andere manier weggenomen kan worden. Het onderzoek fungeert dus als een gewicht op de weegschaal dat de balans het laatste zetje geeft. Niet iedere medewerker is in dezelfde mate [zelf] overtuigd van de mate van zekerheid die dit onderzoek verschaft. Zij zien voor zichzelf geen inhoudelijke rol om zich van de kwaliteit van het onderzoek te vergewissen. Ze hebben weinig zicht op de wijze waarop het onderzoek wordt uitgevoerd en achten zichzelf niet tot controle hiervan in staat. Ze vertrouwen erop dat deze kwaliteitscheck op een ander niveau in de organisatie wordt uitgevoerd. Medewerkers van de IND hebben het meeste vertrouwen in deskundigenonderzoek dat wordt uitgevoerd door deskundigen die door de IND zelf worden ingeschakeld. Onderzoek van het iMMO wordt bijvoorbeeld veel kritischer benaderd en er bestaat wantrouwen over de objectiviteit daarvan. Toch zeggen de medewerkers ook dit onderzoek als harde informatie te moeten beschouwen. Al hebben zij kritiek op de (gepercipieerde) werkwijze.
Ten aanzien van sommige feiten is het verkrijgen van een grote mate van zekerheid bijzonder moeilijk. Dit geldt met name voor bekeringen en de seksuele gerichtheid van de asielzoeker, omdat het innerlijke processen en overtuigingen betreft. Medewerkers beschikken niet over een informatiebron met voldoende status om uitsluitsel te kunnen geven. De informatieonzekerheid blijft bij dit type feiten groot. Bij het gebrek aan objectief referentiemateriaal om de geloofwaardigheid van verklaringen over dit type feit te beoordelen, zijn de medewerkers aangewezen op een beoordeling op basis van de interne consistentie en plausibiliteit van de verklaringen. Het kan voorkomen dat medewerkers hun eigen overtuigingen en referentiekader substitueren als referentiemateriaal. Deze kaders en overtuigingen kunnen verschillen tussen medewerkers, waardoor er in de praktijk verschillend met dit type aanvragen wordt omgegaan.
De paragraaf over specifieke aandachtsgroepen laat zien dat het risico bij terugkeer volgens IND-medewerkers steeds specifieker wordt voorgeschreven in het beleid. Daardoor wordt steeds meer uitgegaan van een groepsgerichte benadering, in plaats van een individuele risicobeoordeling. De nadruk van hoor- en beslismedewerkers komt hierdoor zwaarder te liggen bij vaststelling van wie de asielzoeker is en of hij tot een bepaalde categorie behoort, dan op wat hij heeft meegemaakt. De vaststelling richt zich dus meer op persoonlijke kenmerken van de asielzoeker, dan op gebeurtenissen in het land van herkomst die redengevend kunnen zijn voor internationale bescherming. Daarnaast valt op dat er ten aanzien van deze groepen verschillend wordt omgegaan met de vraag wat als geringe of beperkte individuele indicaties moet worden gekwalificeerd. Dit verschil komt vooral voort uit de interpretatieonzekerheid over de betekenis van deze termen. Daarnaast bestaan er verschillen tussen medewerkers of zij de aanwezigheid van een beperkte, of geringe indicatie wel of niet ambtshalve invullen.
Bij onderzoek dat zich niet expliciet richt op feitenvaststelling die verband houdt met de materiële voorwaarden voor internationale bescherming, maar op informatie die van invloed is op het proces, zoals onderzoek van FMMU (en voorheen MediFirst) gaan medewerkers op een praktische manier om met de resultaten van het onderzoek. Ze noemen de resultaten daarvan op de juiste momenten in de procedure om in het verslag van het gehoor te kunnen laten zien dat ze ervan kennis hebben genomen, maar zeggen tijdens de gehoren meer te vertrouwen op hun algemene gesprekstechnieken en gezonde verstand dan op dit advies. Zij hebben dus een routine gevonden, om met de uit het advies voortkomende actieonzekerheid om te gaan.
Ten slotte kan worden geconcludeerd dat de wijze waarop informatie moet worden gekwalificeerd op basis van het beleid, medewerkers soms frustreert. Ze zijn daardoor minder goed in staat om zelf te bepalen wie wel en niet voor vergunningverlening in aanmerking komt. Ten aanzien van bepaalde groepen, voor wie de bewijslast is verlaagd, moeten zij eerder aannemen dat er een risico bestaat bij terugkeer. Doordat de informatie die hiervoor wordt overgelegd vaak niet door middel van objectief referentiemateriaal is te beoordelen, zijn ze soms geneigd om aanvragen in te willigen zonder dat ze overtuigd zijn van de beschermingsbehoefte van de asielzoeker. In het volgende hoofdstuk ga ik na wat de bevindingen van dit en het vorige hoofdstuk betekenen, in het licht van het theoretisch kader.