Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.4.5
VI.4.5 Versnellende aanpassingen en wat behouden blijft
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS382184:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In het voorontwerp bedroeg de termijn voor dagvaarding vier weken, waarbij de gedaagde binnen twee weken moest aangeven of hij verweer wilde voeren. Deze regeling is vervallen, omdat de gedaagde waarschijnlijk voor de zekerheid de verklaring zou afleggen dat hij verweer wilde voeren. Tot tijdwinst kwam het dus niet, het voorschrift leidde hooguit tot tijdverlies, aldus de toelichting. De status van de zuivering van het verstek of een verzetprocedure bleef ook onduidelijk. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 109.
Zie aanbeveling sub 11, opgenomen in de Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 19.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 102. De toelichting geeft aan dat in de notariële leveringsakte de inhoud van het vonnis met het bevel tot overdracht nauwkeurig omschreven moet worden. Bij een volgende overdracht is de nieuwe verkrijger dan op de hoogte van de situatie.
Zie § VI.3.6.d. De Commissie Vennootschapsrecht zag geen aanleiding om de in het enquêterecht populaire mogelijkheid voorlopige voorzieningen te treffen (de in art. 2:349a lid 2 BW genoemde onmiddellijke voorzieningen) in de geschillenregeling ook toe te staan. Zie aanbeveling sub 9, opgenomen in Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 19. Zie ook de uitgebreide bepaling van de Antilliaanse uittredingsregeling in art. 2:255 BWNA. In de uittredingsprocedure kan de rechter op verzoek van een belanghebbende een in de wet opgenomen voorlopige voorziening treffen. Zie Frielink (2006), p. 167-170. Deze bepaling was geënt op de onmiddellijke voorziening van het enquêterecht, aldus Van Schilfgaarde (2000), p. 276.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 102-103. De minister gaf nog aan dat de vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening een incidentele vordering is. Hij wees op art. 208 Rv en beschreef de gang van zaken. De comparitie van partijen waarbij de incidentele vordering aan de orde komt, is een verschijning op de voet van art. 131 Rv. In verband met art. 208 lid 1 jo. 134 Rv is dit tevens de comparitie in de hoofdzaak. Het afzonderlijk bepleiten van de vordering tot uitstoting of uittreding is dan niet meer nodig, aldus de minister.
In het consultatiedocument tweede tranche was de oproeping in vrijwaring, voeging of tussenkomst geheel geschrapt met het motief dat het aan de eisende uittredende aandeelhouder was te bepalen tegen wie hij wenste te procederen. Uit de reacties op het consultatiedocument volgde dat het schrappen weinig steun genoot. Art. 2:343 lid 2 BW keerde in aangepaste vorm terug in het wetsvoorstel Flex-BV. Zie Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 21 en p. 110.
In Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 110, merkte de minister op dat de gedaagde uitstel kan vragen voor het nemen van de conclusie van antwoord. Dit doet de snelheid van de procedure natuurlijk geen goed. De Adviescommissie burgerlijk procesrecht had overigens gesuggereerd om snellere afhandeling van incidentele vorderingen in de huidige geschillenregeling 'te bezien'. De minister reageerde vervolgens met het afschaffen van de incidentele vordering.
Zie aanbeveling sub 10, opgenomen in Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 19.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 105. De betekenis van een zekerheidstelling naast een voorschot valt niet in te zien, aldus de minister. Overigens gaat de Antilliaanse regeling uit van het stellen van zekerheid door de eisende aandeelhouder, zie art. 2:252 lid 1 BWNA: 'Hij kan bepalen dat de eiser zekerheid moet stellen voor de met het deskundigenbericht gemoeide kosten.'
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 106-107. Ook deze aanpassing op advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht 'dient de duidelijkheid', nu 'de meest gerede partij' aanleiding zou kunnen geven tot onduidelijkheid.
Naast deze min of meer majeure aanpassingen, zijn in het wetsvoorstel Flex-BV ook enkele wijzigingen op ondergeschikte punten opgenomen.
Zo is omwille van de duidelijkheid de verwijzing naar de procesrechtelijke bepalingen in een apart art. 343 lid 2 Wv Flex-BV opgenomen. De bepalingen van de uitstotingsprocedure zijn van toepassing of overeenkomstige toepassing op de uittredingsprocedure 1
De codificatie van de Hoffmann-regel dat een deskundigenbenoeming niet langer een wettelijke verplichting is, zal ook tot versnelling van de procedure leiden. Ik verwijs naar § V.2.2.b. Daarnaast is de positie van de vennootschap is in de voorgestelde uittredingsprocedure minder ondoorzichtig (zie § IV.4). Indien de vordering tegen haar wordt ingesteld, dan is zij een gewone procespartij.
Het in art. 2:338 lid 1 (jo. 2:343 lid 1) BW opgenomen vervreemdingsverbod van de aandelen voor de gedaagde aandeelhouder kan gehandhaafd blijven, aldus de Commissie Vennootschapsrecht.2 Het vereiste dat toestemming nodig is voor vervreemding is, in overeenstemming met de opvatting van de Commissie Vennootschapsrecht, niet gewijzigd. In het verlengde hiervan overwoog de wetgever om de vervreemding van de aandelen, die op grond van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis reeds zijn overgedragen maar waartegen ook hoger beroep is ingesteld, eveneens aan toestemming te onderwerpen. Zij zag hier uiteindelijk vanaf omdat een voorlopige voorziening de problemen afdoende kan oplossen.3
De verwijzing naar de voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv vindt men vervolgens terug in art. 338 lid 3 Wv Flex-BV.4 De voorlopige voorziening in een geschillenregelingprocedure eindigt op grond van deze nieuwe bepaling niet met het einde van het geding. De werking van de voorziening kan voortduren tot het moment dat de aandelen zijn overgedragen. Vindt tijdens de procedure reeds een overdracht plaats, dan kan ook in die situatie de voorlopige voorziening haar geldigheid behouden. Naar de opvatting van de wetgever is een totaal aparte regeling van voorlopige voorzieningen, zoals in het enquêterecht in art. 2:349a lid 2 BW, voor de geschillenregeling niet nodig. Met verwijzing naar de voorlopige voorziening van art. 223 Rv, in combinatie met een kleine uitbreiding, werd volstaan. De schorsing van het stemrecht (zie § VI.3.6.d) van het huidig art. 2:339 lid 2 BW, vervalt.5
De vrijwaring of gedwongen tussenkomst van een aandeelhouder in een uittredingsprocedure blijft mogelijk. De gedaagde aandeelhouder die meent dat de uittredingsvordering ook tegen een andere aandeelhouder of tegen de vennootschap had behoren te worden ingesteld, kan deze (rechts)personen in het geding oproepen. Art. 343 lid 3 Wv Flex-BV tracht de vertraging van deze procedurele complicatie tot een minimum te beperken.6 De gedwongen tussenkomst van een aandeelhouder is daarom niet langer een incidentele vordering. De art. 210-216 Rv over de oproeping in vrijwaring zijn niet meer van overeenkomstige toepassing. Voor de gedwongen tussenkomst is straks geen rechterlijk verlof vereist. De oproeping van de andere aandeelhouder of de vennootschap geschiedt ingevolge de tweede zin van art. 343 lid 3 Wv Flex-BV uiterlijk tegen de dag voor het nemen van conclusie van antwoord. Na die dag is een oproeping niet meer mogelijk.7
Over de wijze waarop de kostenveroordeling was vormgegeven, was de Commissie Vennootschapsrecht in 2004 tevreden. Zij wenste een (kleine) wetswijziging om de rechter de optie te geven de verplichting tot het stellen van zekerheid voor de kosten van het deskundigenbericht aan een of meer partijen op te leggen.8 Het treffen van zekerheid is echter niet nodig. Art. 195 Rv is van toepassing op het deskundigenbericht in de geschillenregelingprocedure en voorziet in het geven van een voorschot.9
Het valt op dat de dubbele veroordeling bij de uittredingsprocedure anders geformuleerd is dan bij de uitstotingsprocedure. Art. 2:340 lid 2 BW is ongewijzigd verplaatst naar art. 340 lid 4 Wv Flex-BV. Het uitstotingsvonnis houdt 'tevens een veroordeling in van eisers', is de regel. Voor de uittreding geldt een nieuw art. 343 lid 5: 'Bij toewijzing van de vordering tot uittreding bevat het vonnis tevens een veroordeling van de eiser (...)'. Bij de uitstoting houdt het vonnis een veroordeling in, terwijl bij de uittreding het vonnis tevens een veroordeling bevat. Het 'bevatten' duidt erop dat de veroordeling expliciet in het vonnis moet worden opgenomen. Het 'inhouden' kan er toe leiden dat de veroordeling van de eiser in het vonnis kan worden 'ingelezen', zie ook § VI.3.6.b. Het lijkt mij verstandig dat de wettekst op dit punt geen onduidelijkheid laat bestaan. Omdat art. 343 lid 5 Wv Flex-BV minder ondubbelzinnig is dan art. 340 lid 4 Wv Flex-BV, stel ik voor de laatste bepaling tekstueel in overeenstemming te brengen met de eerste. Overigens is in art. 343 lid 5 Wv Flex-BV de zinsnede `de toewijzing van de vordering' overbodig. Het is logisch dat een afwijzend vonnis niet een veroordeling van de eiser bevat. Op dit punt is de dubbele veroordeling in een uitstotingsprocedure van art. 340 lid 4 Wv Flex-BV dus duidelijker.
Tot slot is de 'meest gerede partij' niet langer. Zij kwam voor in art. 2:341 lid 7 en 2:343 lid 9 BW. Het wetsvoorstel Flex-BV vervangt haar op advies van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht door 'eenani) ij '.10