Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VI.4.1
VI.4.1 Inleiding
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS379791:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 18-19.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 20.
Roest merkte over dit argument op dat het niet overtuigt 'ten aanzien van alle afgewezen voorstellen tot wijziging'. Zie Roest (2007), p. 965.
Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 17.
Kamerstukken 31058, nr. 3 (MvT), p. 17-18. In 2007 was ik somber over het succes van de voorstellen voor de aanpassing van de wettelijke geschillenregeling. Ik voorspelde dat, ondanks de tijdsbesparing, de geschillenregeling de zwakke zuster van titel 8 van boek 2 BW blijft. Een definitieve oplossing van geschillen tussen aandeelhouders zal in de toekomst de facto toch het snelst op grond van de enquêteregeling verkregen worden. Zie Bulten (2007), p 368.
Het in de literatuur breed gedragen standpunt dat de geschillenregeling in de praktijk niet goed werkt, onderschreef de wetgever blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel Flex-BV, eveneens.1 Als één van de twee knelpunten noemde hij expliciet de lange duur van de procedure.
Bij de aanpassing van de geschillenregeling speelde de Commissie Vennootschapsrecht, net als destijds bij de invoering, weer een belangrijke rol. Reeds in 2004 deed zij een twaalftal aanbevelingen tot verbetering van de geschillenregeling. De helft van deze aanbevelingen zag op de procesrechtelijke aspecten van de regeling. Zij vond het noodzakelijk de procedure te 'stroomlijnen', maar hield grotendeels vast aan de huidige procedurele regels.2 De wetgever onderschreef dit idee. In verband met de 'opbouw van de wettelijke regeling van de geschillenregeling' ontkwam hij er niet aan niet slechts de uittreding aan te passen, maar tevens de uitstoting te wijzigen. De procedure diende versneld te worden en de verhouding met een eigen geschillenregeling in de statuten of een aandeelhoudersovereenkomst verdiende verduidelijking.3
In het wetsvoorstel werden niet alle aanbevelingen overgenomen. Het hoofdargument was dat een groot aantal wijzigingen het bestek van de kern van het wetsvoorstel, de flexibilisering en vereenvoudiging van het BV-recht, te buiten gaat.4 Het valt daarnaast op dat art. 997a Rv niet gewijzigd wordt. De minister gaf aan dit nader te bekijken in het kader van de invoeringswet.5 Ik verwijs naar § VI.3.2, waarin ik omwille van de overzichtelijkheid pleitte voor de verplaatsing van art. 997a Rv naar boek 2 BW. Of een flexibeler BV-recht met meer vrijheid om in de statuten af te wijken van wettelijke regels tot een groter beroep op de rechter zou leiden, vond de minister moeilijk te voorspellen. Het was het lastig in te schatten in hoeverre de conflicten tussen aandeelhouders zouden toenemen.6 De BV's kunnen — zoals gezegd — de gang naar de rechter vermijden door een eigen regeling in de statuten of in een aandeelhoudersovereenkomst op te nemen, zie hierover § VII.2.7