De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/1.1.6:1.1.6 De gevolgen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/1.1.6
1.1.6 De gevolgen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397291:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In dat licht dient ook het ESF-arrest te worden gezien (HvJEG 13 maart 2008, gevoegde zaken C-383/06-C-385/06 (ESF-arrest), Jur. 2008, p.1-1561, AB 2008, 207, m.nt. W. den Ouden, JB 2008/104, m.nt. AJB, Nj 2008, m.nt. M.R. Mok, SEW 2010, p. 163-167, m.nt. M.J.M. Verhoeven en R.J.G.M. Widdershoven). Zie Den Ouden 2008, p. 18.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De hiervoor geschetste problemen bij de uitvoering van de Europese subsidieregelingen door Nederlandse uitvoeringsorganen hebben tot gevolg dat het risico bestaat dat de Europese Commissie overgaat tot het terugvorderen van voor Nederland gereserveerde Europese gelden. Dit gebeurde bijvoorbeeld naar aanleiding van de hiervoor geschetste EsF-affaire. Hoewel de Europese subsidieregelgeving hiertoe wel verplicht, blijkt het niet altijd mogelijk te zijn om de aan de eindontvangers verstrekte Europese subsidies in te trekken en terug te vorderen. In dat geval dient de Nederlandse staatskas te worden aangesproken. De Nederlandse onmogelijkheid om Europese subsidies waarmee zich onregelmatigheden hebben voorgedaan in alle gevallen terug te vorderen, leidt bovendien tot het risico dat de Europese Commissie een infractieprocedure start omdat de Europese verplichting tot terugvordering bij de eindontvangers niet wordt nagekomen. De Nederlandse intrekkings- en terugvorderingsprocedures naar aanleiding van terugvorderingen door de Europese Commissie leiden voorts tot veel rechtsonzekerheid bij de eindontvangers van de Europese subsidies. Nederlandse uitvoeringsorganen blijken onder invloed van hun relatie met de Europese Commissie minder betrouwbare partners; de kans bestaat dat ook jaren na de subsidievaststelling de Europese subsidie alsnog wordt ingetrokken en teruggevorderd. De drempel voor de eindontvangers om bij Nederlandse uitvoeringsorganen Europese subsidies aan te vragen, ligt dan ook hoog. Het gevaar daarvan is dat niet alle Europese subsidies, die voor Nederland op de Europese begroting zijn gereserveerd, worden benut. Nederland loopt derhalve het risico Europese subsidies mis te lopen.
Ook de EU ondervindt nadeel van de problemen die zich voordoen bij de uitvoering van Europese subsidieregelingen door Nederlandse uitvoeringsorganen. Ten eerste heeft de omstandigheid dat het minder aantrekkelijk wordt om Eu-subsidies te ontvangen, tot gevolg dat de doelstellingen van het EUbeleid minder gemakkelijk kunnen worden bereikt. Ten tweede lijdt de EU imagoschade. Indien Europese subsidies, waarvan vast staat dat zich daarmee onregelmatigheden hebben voorgedaan en moeten worden terugbetaald aan de Europese Commissie, niet door nationale uitvoeringsorganen worden teruggevorderd van de eindontvangers, heeft dit tot gevolg dat deze Europese subsidies onrechtmatig bij de eindontvangers ressorteren. Dit is niet in het belang van de EU, die graag af wil van de indruk dat het voor lidstaten eenvoudig is om het met Europese gelden wat minder nauw te nemen. De EU tracht dan ook meer grip te krijgen op de nationale uitvoerings- en handhavingspraktijk en een meer uniforme toepassing van handhavingsbevoegdheden in de lidstaten te bewerkstelligen.1