Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.3.2:IV.3.3.2. Tijdstip beoordeling redelijkheid
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.3.2
IV.3.3.2. Tijdstip beoordeling redelijkheid
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS580335:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nota naar aanleiding van het Verslag, 17 213, nr. 6, p. 21.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De redelijkheid van de tegenprestatie wordt beoordeeld op het moment van overlijden en niet op het moment van het aangaan van het beding. Dit volgt uit de strekking van de regeling.1 Er wordt met de quasi-legatenregeling immers gefingeerd dat de goederen gelegateerd zijn en er tijdens leven ‘niets gebeurd is’. Als ten aanzien van een onroerende zaak een verblijvingsbeding wordt gesloten voor het geval van vóóroverlijden van een van de deelgenoten, tegen vergoeding van de waarde ten tijde van het sluiten van de overeenkomst, en de onroerende zaak stijgt in waarde dan moeten men zich bij overlijden afvragen hoe de waarde ten tijde van het overlijden zich in redelijkheid verhoudt ten opzichte van de te vergoeden waarde. Daalt de waarde en is de te vergoeden waarde hoger dan de waarde ten tijde van het overlijden dan is van een quasi-legaat geen sprake. Dit alles is plausibel als men beseft dat indien een goed wordt gelegateerd tegen inbreng van de werkelijke waarde, bijvoorbeeld legitimarissen, die als zodanig slechts een geldaanspraak hebben, ook niets tekort komen. Ook al is het onderhavige beding geen quasi-legaat, wil dat echter in mijn optiek niet zeggen dat geen sprake is van quasi-erfrecht. Er is immers nog steeds sprake van een regeling die in uitwerking zeer sterk lijkt op een uiterste wilsbeschikking.
Met ‘glijclausules’, waarmee de te vergoeden waarde bij het overlijden wordt vastgesteld, kunnen, zo gewenst, erfrechtelijke verrassingen voorkomen worden. Hiermee wil ik niet zeggen dat er enig gevaar schuilt in het feit dat een beding als een quasi-legaat zou worden aangemerkt. Veelal zal een verkrijging binnen de ruimte vallen waarbinnen de erflater ‘in economische zin’ onaantastbaar kan beschikken. Ook goederenrechtelijk bestaan geen problemen.