Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.3.5:IV.3.3.5. Kanscontract als redelijke tegenprestatie
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/IV.3.3.5
IV.3.3.5. Kanscontract als redelijke tegenprestatie
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS575586:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 februari 1997,NJ 1997, 595 (WMK; Kanscontract).
Voor de berekening van de omvang van het quasi-legaat wordt de wederkerigheid eveneens buiten beschouwing gelaten. Zie Asser-Perrick, Erfrecht en Schenking 6B, nr. 448, waar in dit kader de link met art. 4:122 BW wordt gelegd.
Anders ten onrechte Kleijn, Verblijvingsbedingen bij partnerovereenkomsten en het nieuwe erfrecht, JBN 2000, nr. 90.
Handboek Nieuw Erfrecht (2002), Waaijer, p. 327.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Onder oud recht werd onder meer een verblijvingsbeding met werking bij overlijden, zonder (redelijke) vergoeding, onder omstandigheden gezien als een kanscontract zonder bevoordelingsbedoeling, zodat geen sprake was van een voor inkorting vatbare gift. Zie ook par. 1.7.1 van dit hoofdstuk. In het Kanscontract-arrest1 wilden de legitimarissen het verblijvingsbeding in de samenlevingsovereenkomst, dat met zich bracht dat onder meer het woonhuis (onverdeelde helft) aan de boedel werd onttrokken, aanmerken als een voor inkorting vatbare bevoordeling. Het Hof wees de vordering van de legitimarissen toe, ondanks het feit dat ook het Hof van mening was dat sprake was van een kanscontract. Het Hof anticipeerde op art. 7.3.12b, waarin de regeling die thans (deels) in art. 4:126 lid 2 onder a BW is neergelegd, was terug te vinden. De Hoge Raad was niet bereid om te anticiperen en verwierp het beroep van de legitimarissen. De Hoge Raad oordeelde dat geen sprake is van een bevoordelingsbedoeling en ook niet van een gift in de zin van art. 4:967 BW(oud).
Was onder oud recht sprake van een kanscontract, dan visten de legitimarissen achter het net. Legitimarissen konden zich immers slechts verzetten tegen giften en uiterste wilsbeschikkingen, die hier niet aan de orde zijn.
Onder het huidige recht is dit echter anders, nu in art. 4:126 lid 2 onder a BW is bepaald dat ‘wederkerigheid’ niet gezien wordt als een redelijke tegenprestatie.2
Hiermee is de kanscontractgedachte voor het erfrecht verlaten, echter in beginsel slechts voor wat betreft de inkorting en vermindering. Nog steeds brengt een kanscontract met zich dat geen sprake is van een gift. Lid 1 is dan ook niet van toepassing, en men komt ook niet terecht in art. 7:177 BW, zodat geen sprake is van vormvoorschriften.3
Om de rechten van de legitimarissen, die onder het huidige erfrecht reeds ver uitgehold zijn, nog enigszins kleur te geven, is het een goede zaak dat de kanscontractgedachte voor het erfrecht (inkorting/vermindering) verlaten is. Dit te meer omdat op andere, grotendeels bevredigende, wijze partners, die veel van de kanscontracttechniek gebruik maakten in de praktijk, voorzieningen ten behoeve van elkaar kunnen treffen.
De techniek ‘ter voldoening aan de natuurlijke verbintenis’, komt, net als de kanscontractgedachte, ook niet meer als instrument ter beteugeling van legitimarissen in aanmerking.
Een erfstelling of legaat ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis is inkortbaar, zij het dat deze makingen eerst voor inkorting in aanmerking komen indien andere makingen volledig ingekort zijn (art. 4:87 lid 2 BW).
Het huidige erfrecht biedt de volgende voorzieningen ter vervanging:
De legitieme is slechts een geldaanspraak (art. 4:63 lid 1 BW). De legitimaris heeft geen recht meer op het erfgenaamschap, en daarmee geen recht meer op goederen van de nalatenschap. Het is dus mogelijk om de partner de goederen van de nalatenschap ten goede te laten komen. In geval van een verblijvingsbeding van de woning komt deze goederenrechtelijk onaantastbaar terecht bij de langstlevende;
De legitieme breuk is altijd slechts 1/2 , hetgeen veelal meer speelruimte geeft ten opzichte van het oude recht, waar de breukdelen varieërden, al naar gelang het aantal kinderen (art. 4:961 BW(oud));
Het is mogelijk aan een erfstelling of legaat ten behoeve van een echtgenoot, geregistreerd partner of andere levensgezel de clausule te verbinden dat de vordering van een legitimaris, voor zover deze ten laste zou komen van een making, eerst opeisbaar is na het overlijden van de langstlevende partner. De andere levensgezel moet dan wel met de erflater een gemeenschappelijke huishouding voeren en een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst zijn aangegaan (art. 4:82 BW). Deze bepaling werkt ook indien een dringende morele verplichting tot verzorging ontbreekt.4 De erfrechtelijke bescherming van de andere levensgezel rust derhalve, wat art. 4:82 BW betreft, op twee pijlers: een notarieel verleden samenlevingsovereenkomst (en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding) met eventueel daarin opgenomen ‘bedingen’ én een uiterste wilsbeschikking met de clausule van art. 4:82 BW;
De bepaling van art. 4:82 BW kan ook, in een uiterste wilsbeschikking, gekoppeld worden aan een quasi-legaat (art. 4:129 BW), bijvoorbeeld een quasi-legaat van het woonhuis;
De ‘morele onderhoudsgift’ van art. 4:69 lid 1 onder a BW is niet inkortbaar.
Ook nu in het erfrecht de kanscontractgedachte niet meer opgaat, zijn er voldoende mogelijkheden om de langstlevende partner verzorgd achter te laten.
Wel dient men zich er bewust van te zijn dat een partner onder het oude recht al een ‘veilig gevoel had’ indien een verblijvingsbeding ‘om niet’ afgesloten werd en het beding aangemerkt kon worden als een kanscontract. Onder het huidige erfrecht heeft de partner wel recht op de goederen die verblijven, maar indien inkortende legitimarissen op het toneel verschijnen, zal er boter bij de vis moeten komen. Dit tenzij de eerststervende in zijn uiterste wilsbeschikking de niet-opeisbaarheidsclausule van art. 4:82 BW heeft opgenomen. De partners weten echter niet met zekerheid van elkaar of de bepaling van art. 4:82 BW (nog) wel in de uiterste wilsbeschikking is opgenomen. Ik wijs voor de goede orde nogmaals op de herroepelijkheid van uiterste wilsbeschikkingen (art. 4:42 lid 2 BW).
Dit vraagt om contractuele mogelijkheden met art. 4:82 BW, mede gelet op onze oude kanscontractpraktijk. Ook het feit dat de burger in ons buurland Duitsland, zoals hierna in hoofdstuk V aangetoond zal worden, behoefte heeft aan het contractueel erfrecht, doet vermoeden dat dit in voorkomende gevallen ook voor de Nederlander geldt. Zie ook par. 1.7.1 van dit hoofdstuk.
De positie van de legitimarissen wordt er door een contractuele niet-opeisbaarheid niet zwakker op: in beide gevallen hebben zij, of nu de bepaling van art. 4:82 BW opgenomen is in het contract danwel in de uiterste wilsbeschikking, indien zij tekort komen als gevolg van het quasi-legaat, een niet opeisbare vordering op de langstlevende.
Onder het oude recht visten de legitimarissen overigens helemaal achter het net. Ten aanzien van het overgangsrecht in dezen heb ik grote bezwaren. Ik verwijs naar par. 1.15 van dit hoofdstuk.