Wie heeft de leiding?
Einde inhoudsopgave
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.3.1.0:5.3.1.0 Introductie
Wie heeft de leiding? (R&P nr. VG1) 2010/5.3.1.0
5.3.1.0 Introductie
Documentgegevens:
Dr. mr. B.A.M. Janssen, datum 08-12-2010
- Datum
08-12-2010
- Auteur
Dr. mr. B.A.M. Janssen
- JCDI
JCDI:ADS618495:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In hoofdstuk 2 ben ik kort ingegaan op de 'nieuwe' stroming inzake de bestanddeelvorming. O.m. Wolfert, 2003 meent dat artikel 5:20, eerste lid sub e en f BW en artikel 3:4 BW aparte rechtssystemen zijn en dat het ene géén uitwerking is van het andere artikel.
Deze situatie kan zich ook voordoen in het geval de nieuwe eigendomsregeling voor netten niet opgaat (bevoegde aanleg is niet te bewijzen) en tevens ook de horizontale natrekking niet aan de orde is.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het 'klassieke' (Romeinse) denken is de relatie tussen een opstal en de grond een onverbrekelijke relatie. De opstal wordt als bestanddeel van de grond beschouwd. Voor de vraag of een zaak roerend of onroerend is, geldt de maatstaf dat een zaak onroerend is wanneer ze duurzaam met de grond is verenigd (3:3 BW). Ten aanzien van de eigendomsvraag is die stevige relatie met het perceel eveneens aanwezig. Immers bij deze vraag is het uitgangspunt dat de eigendom van de grond de gebouwen en werken bevat die duurzaam met de grond zijn verenigd, tenzij deze bestanddelen zijn van een anders onroerende zaak (5:20, eerste lid sub e BW). Indien het gebouw of werk uit diverse onderdelen bestaat, zijn al die onderdelen als bestanddeel van dat werk of gebouw aan te merken (3:4 BW) en is de eigenaar van de zaak (i.c. de grondeigenaar) eigenaar van al die bestanddelen. Met betrekking tot netten zijn genoemde uitgangspunten anders komen te liggen. Weliswaar is voor de vraag of netten onroerende zaken zijn, de relatie met de grond nog steeds doorslaggevend, maar voor de eigendomsvraag is dit, in beginsel, niet meer van belang. Gelet op het nieuwe tweede lid van artikel 5:20 BW is voor de eigendomsvraag bij netten de relatie met het perceel volledig verlaten. Het uitgangspunt 'bevoegde aanlegger' is al dan niet doorslaggevend voor de eigendomsvraag. Dit is een belangrijke wijziging van het klassieke denken over de `eigendomstoewij zing' bij onroerende zaken. De perceelsgrenzen en 'alles' wat daaronder zit, beantwoordt niet automatisch meer de vraag wie eigenaar is van een bepaald type onroerende zaken. Daarnaast is ten aanzien van netten het perceel niet meer als `oriëntatiepunt' in het landschap te beschouwen. Immers dat type van onroerende zaken is niet 'verbonden' met of `gelinke aan één of meer percelen.
Als ten aanzien van de eigendomsvraag de relatie met het perceel waarin het ligt niet meer van belang is voor beantwoording van die vraag, is daarmee dan ook gezegd dat een net géén bestanddeel (meer) is of kan zijn van de grond? In beginsel is het antwoord bevestigend. Indien de bevoegde aanlegger van een net een ander is dan de grondeigenaar, dan vloeit uit de nieuwe regeling voort dat er dan twee, apart naast elkaar staande eigendomsrechten ontstaan, die ieder zien op een zelfstandige onroerende zaak. De grondeigenaar is eigenaar van alle zaken die verbonden zijn met zijn perceel, minus het (gedeelte van een) net dat in zijn grond ligt, omdat dat (gedeelte van een net) in eigendom toekomt aan een ander. Het is volgens geldend recht niet mogelijk om van een bepaald bestanddeel eigenaar te zijn, zonder dat men eigenaar is van de hoofdzaak. Aangezien de grondeigenaar in beginsel geen eigenaar is van het (zijn grond doorkruisende) net, kan dat gedeelte in zijn grond ook niet als bestanddeel van zijn grond worden aangemerkt. In zoverre de heersende leer uitgaat van de stelling dat artikel 5:20, eerste lid sub e en f BW een nadere uitwerking is van artikel 3:4 BW, is artikel 5:20, tweede lid BW als zodanig als een uitzondering te beschouwen van het artikel betreffende de bestanddeelvorming.1 Grond en net zijn twee volledig zelfstandige zaken en behoren toe aan twee afzonderlijke eigenaren. De vraag is echter of netten in de grond in bepaalde situaties toch nog beschouwd kunnen worden als een bestanddeel van de grond? De nieuwe eigendomsregeling lijkt op dit punt niet volledig duidelijk te zijn, althans gelet op de bewoording van artikel 5:20, tweede lid BW zou geredeneerd kunnen worden dat in bepaalde — uitzonderlijke — situaties een net tóch een bestanddeel kan zijn van de grond waarin het is aangelegd, namelijk als het is aangelegd in eigen grond.2