Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/4.3
4.3 De sterfhuisconstructie en regres
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS589737:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Voor meer informatie over de sterfhuisconstructie bij het Ogem-concern zie Slagter, TVVS 1983,p. 25-31, p. 25 e.v.; Woelders & Woelders 1986, p. 13-15. Zie ook de omgekeerde sterfhuisconstructie, Meeter 1987, p. 135.
Het is ook mogelijk dat de zieke holding haar vordering op de nieuwe rechtspersoon reeds van tevoren cedeert aan de bank.
Slagter, O&F 2000, p. 81-90, p. 83-84; Slagter 2007, p. 642.
HR 21 november 1946, NJ 1947/24, m.nt. Meijers (Verduin/Beck), cassatiemiddel II, r.o. 1; Oostwouder 1996, p. 331; Olaerts, TvOB 2004, p. 71-81, p. 71; Slagter 2007, p. 642-645.
Om de verhaalspositie van de bank te versterken, wordt door banken de krediet-/zekerhedenovereenkomst naar Nederlands recht voorzien van bepalingen inzake de beperking en/of uitsluiting van rechten uit regres en subrogatie. Dit in tegenstellingen tot de krediet-/zekerhedenovereenkomst naar Belgisch recht en naar Duits recht waarin dergelijke clausules niet worden opgenomen.
Bartman, AA 2012, p. 830-836, p. 833.
HR 19 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3178, NJ 2007/575 (Meyer Europe/PontMeyer), r.o. 3.4.3. Zie ook: Kruisinga & Leber, VA 2010, p. 3-29, p. 12-14; Bartman, AA 2012, p. 830- 836, p. 833.
De sterfhuisconstructie1 is erop gericht om bij een concern in zwaar weer de levensvatbare vennootschappen te splitsen van de verlieslatende vennootschappen. Dit wordt bereikt door de aandelen van de gezonde vennootschappen over te hevelen naar een nieuw opgerichte rechtspersoon. De niet-levensvatbare vennootschappen blijven achter bij de moeder om failliet te gaan. Doorgaans is medewerking van de bank nodig. Deze verschaft een lening aan de op te richten rechtspersoon en ontslaat de uitvarende vennootschappen uit hun hoofdelijkheid. De lening wordt vervolgens gebruikt door de nieuwe rechtspersoon om de aandelen van de gezonde dochters te kopen. De opbrengst hiervan gaat naar de moeder van het zieke concern die dit gebruikt om een (deel) van haar schuld af te lossen bij diezelfde financier.2
De bank is dikwijls hiertoe bereid aangezien zij, binnen het bestek van de sterfhuisconstructie, een vordering krijgt op het nieuwe solvente concern. Daarbij is het gevaar afgewenteld dat de gezonde concernvennootschappen worden betrokken in het faillissement van de verliesgevende vennootschappen. Dit tot voordeel van alle betrokkenen aangezien de renderende vennootschappen worden verkocht tegen going-concernwaarde en niet tegen de aanzienlijk lagere liquidatiewaarde.3
Echter, hoewel de losgekoppelde vennootschappen door de bank zijn gevrijwaard van externe aansprakelijkheid die ontstaat uit in het verleden aangegane hoofdelijke aansprakelijkheid, blijven de uitgevaren vennootschappen vatbaar voor regresaanspraken. Het regresrecht is een zelfstandig recht dat bij vrijwaring van de hoofdelijke aansprakelijkheid blijft bestaan. De relatie tussen de schuldeiser en de schuldenaren staat los van de interne relatie tussen de schuldenaren. Het ontslag uit hoofdelijkheid tast de individuele bijdrageplicht van de uitgevaren vennootschappen ten opzichte van de medeschuldenaren niet aan.4
Met name vanaf de tweede helft van de jaren tachtig is in de rechtsleer het duiden en het beperken van de regresproblematiek ter hand genomen. Het is dan duidelijk dat de wetgever en de rechtspraak niet voorzien in een oplossing. De gedachte van de wetgever is dat de problematiek professionele partijen aangaat die in staat geacht worden de draagplicht contractueel te regelen.5 Echter, de praktijk leert dat intragroepsafspraken over de draagplicht niet of nauwelijks gemaakt worden, laat staan vastgelegd.6 Voor zover wel een draagplichtovereenkomst is gesloten, is het vanwege de feitelijke ondergeschiktheid van een dochtervennootschap aan de moedervennootschap, niet uitgesloten dat deze overeenkomst een weergave is van de zwakke onderhandelingspositie van de dochter.7 Ook lijkt het resultaat van een dergelijke onderhandeling zich, gezien het professionele karakter van de betrokken partijen, minder goed te lenen om door de rechter gemitigeerd te worden door subjectieve interpretatie.8