Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/42.5
42.5 Het bestuursprocesrecht
mr. dr. D.G.J. Sanderink, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. dr. D.G.J. Sanderink
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, AB 2016/167 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik (Korošec/Slovenië). Dit arrest heeft inmiddels vele pennen in beweging gebracht (zie bijv. B.J. van Ettekoven, ‘De betekenis van de uitspraak Korošec tegen Slovenië voor het Nederlandse bestuursrecht’, Overheid en Aansprakelijkheid 2016/29, p. 54-61, T. Barkhuysen, ‘Knelpunten bij de inzet van deskundigen in het bestuursrecht’, NJB 2016/1603, p. 2231 en D. de Groot, ‘Deskundigenbewijs in het bestuursrecht na het Korošec-arrest’, NJB 2017/473, p. 581-588). 21 Zie ABRvS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, AB 2017/365 m.nt. Koenraad en Jansen en CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, AB 2017/366 m.nt. Koenraad, AB 2017/367 m.nt. Jansen, JB 2017/163 m.nt. Bots.
Zie ABRvS 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, AB 2017/365 m.nt. Koenraad en Jansen en CRvB 30 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2226, AB 2017/366 m.nt. Koenraad, AB 2017/367 m.nt. Jansen, JB 2017/163 m.nt. Bots.
Zie voor dergelijke tegenwerpingen bijv. ABRvS 21 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BK7956, r.o. 2.4.1, ABRvS 1 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9541, r.o. 2.5.1 en ABRvS 10 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4462, r.o. 3.1.
Zie ABRvS 8 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2672, r.o. 7.3.
Zie EHRM 15 maart 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:0315JUD003996609, AB 2016/132 m.nt. Barkhuysen en Van Emmerik, EHRC 2016/123 m.nt. Driessen, JB 2016/86 m.nt. Timmermans (Gillissen/Nederland).
Zie CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1992, JB 2016/160. Uit deze uitspraak blijkt ook hoe zeer het horen van getuigen een ander licht op de zaak kan werpen en hoe gevaarlijk het kan zijn alleen op basis van de door het bestuursorgaan verzamelde feiten uitspraak te doen.
Zie ABRvS 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1200, AB 2018/171 m.nt. Ortlep.
Zoals in de inleiding is opgemerkt, is de invloed van het EVRM waarschijnlijk het grootst en duidelijkst geweest binnen het bestuursprocesrecht. Het gaat dan met name om artikel 6 EVRM en het arrest-Benthem/Nederland uit 1985, omdat zij aan de wieg staan van het huidige stelsel van algemene bestuursrechtspraak.1 De rol van artikel 6 EVRM is daarmee echter niet uitgespeeld, want zo nu en dan wijst het EHRM arresten die van belang zijn voor het bestuursprocesrecht van hoofdstuk 8 van de Awb.
Zo heeft het arrest-Korošec/Slovenië recent veel stof doen opwaaien in bestuursrechtelijk Nederland.2 Daarin stelde het EHRM een schending van artikel 6 EVRM vast, (kort gezegd) omdat de bestuursrechter in zijn uitspraak een doorslaggevend belang had toegekend aan een medisch deskundigenrapport dat was opgesteld door deskundigen van het verwerende bestuursorgaan en het verzoek van de klager om een onafhankelijke deskundige te benoemen teneinde zijn medische situatie te beoordelen had afgewezen. Dit arrest heeft tot gevolg dat de bestuursrechter vaker dan hij gewend was ingevolge artikel 8:47 Awb een onafhankelijke deskundige zal moeten benoemen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) en de Centrale Raad van Beroep hebben naar aanleiding hiervan inmiddels criteria geformuleerd aan de hand waarvan bepaald kan worden of het benoemen van een deskundige vereist is.3 Deze rechtspraak betekent een kentering in de bestuursrechtelijke tendens, waarin de bestuursrechter appellanten vaak en gemakkelijk tegenwierp dat zij het onderzoek of het deskundigenadvies dat het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag had gelegd niet hadden weerlegd met een tegenonderzoek of tegenadvies van een deskundige.4 In dit verband valt ook te wijzen op een recente uitspraak waarin de Afdeling naar aanleiding van een beroep op artikel 6 EVRM in een omgevingsrechtelijke zaak onder meer het volgende overwoog:
‘Bovendien hoeven appellanten geen tegenonderzoek naar voren te brengen om de door hen naar voren gebrachte stellingen te bewijzen, maar hoeven zij enkel aanknopingspunten voor twijfel aan de inhoud van de door verweerders gebruikte gegevens aan te dragen.’5
Van belang voor het bestuursprocesrecht is ook het arrest-Gillissen/Nederland.6 In dit arrest veroordeelde het EHRM Nederland wegens een schending van artikel 6 EVRM, omdat zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep het verzoek van Gillissen om getuigen te horen die zijn stelling over het bestaan van een afspraak konden bevestigen had afgewezen. Dit arrest heeft tot gevolg dat de zeer terughoudende opstelling van de bestuursrechter ten aanzien van het horen van getuigen bijstelling behoeft en dat de afwijzing van verzoeken om getuigen te horen in ieder geval deugdelijk gemotiveerd moet worden. Illustratief hiervoor is een uitspraak van 1 juni 2016 van de Centrale Raad van Beroep. Hierin oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de rechtbank appellante ten onrechte niet in de gelegenheid had gesteld twee getuigen ter zitting te horen, omdat het niet buiten twijfel was dat het horen van hen niet kon bijdragen aan het bewijs van de juistheid van de stelling van appellante. Het feit dat in beroep al een schriftelijke verklaring van één van de twee getuigen was overgelegd vormde volgens de Centrale Raad van Beroep onvoldoende grond om afwijzend op het verzoek tot het horen van de getuigen te beslissen. Die getuige had immers ter zitting bij de rechtbank zijn schriftelijke verklaring kunnen toelichten of aanvullen. Door appellante niet in de gelegenheid te stellen hen als getuigen ter zitting te horen had de rechtbank volgens de Centrale Raad van Beroep gehandeld in strijd met de goede procesorde en artikel 6 EVRM.7 In dit verband valt ook te wijzen op een uitspraak van 11 april 2018 van de Afdeling. Daarin motiveerde de Afdeling uitvoerig waarom van het horen van getuigen in die zaak kon worden afgezien. Volgens de Afdeling mag de rechter afzien van het oproepen van getuigen ingeval de verklaring van de op te roepen getuige niet noodzakelijk is voor de vaststelling van de relevante en in geschil zijnde feiten.8 Op basis van deze en andere ontwikkelingen in het verleden valt te verwachten dat de rechtspraak van het EHRM over artikel 6 EVRM in de toekomst verder verfijnd zal worden en zo nu en dan zal nopen tot bijstellingen van de recht - spraak van de nationale bestuursrechter over het bestuursprocesrecht in de Awb. De kans op echte aardverschuivingen, zoals het arrest-Benthem/Nederland teweeg heeft gebracht, is mijns inziens evenwel klein.