Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/7.6.2
7.6.2 Komt het extra koersverlies voor vergoeding in aanmerking?
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655831:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit probleem naar Amerikaans recht Ferrell & Saha 2007, p. 181-183; Ferrell & Saha 2009, p. 105-106; Ferrell & Saha 2012, p. 377-378; Dunbar & Sen 2009, p. 238-239; Black 2009, p. 169-182; Cornell & Rutten 2009, p. 727 e.v.; Booth 2015, p. 50-55; Gross 2015, p. 498-501.
Voor het Amerikaans recht wordt deze vraag ontkennend beantwoord door Ferrell & Saha 2007, Dunbar & Sen 2009 en Cornell & Rutten 2009. Volgens Black 2009 en Gross 2015 daarentegen komt het hier bedoelde extra koersverlies wel voor vergoeding in aanmerking.
Vgl. Ferrell & Saha 2009, p. 106; Ferrell & Saha 2012, p. 378.
Alleen wanneer de misleiding bestaat uit het publiceren van een misleidend prospectus in het kader van een beursgang, gaat dit argument niet op, aangezien er in dat geval nog geen zittende aandeelhouders zijn op het moment waarop de misleiding begint (althans geen zittende aandeelhouders die hun aandelen op de publieke effectenmarkt hebben gekocht).
Bewust breng ik ter ondersteuning van mijn betoog hier niet het vennootschapsrechtelijke gelijkheidsbeginsel (art. 2:92 lid 2 BW) in stelling. Dit beginsel is op het onderhavige probleem namelijk niet (direct) van toepassing. Vgl. in dit verband het arrest HvJ EU 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:856, NJ 2014/184, m.nt. M.R. Mok (Alfred Hirmann/Immofinanz AG), r.o. 27-29.
Voor een voorbeeld uit de Amerikaanse rechtspraak waarin de eisende beleggers bij het modelleren van de koersinflatie een dergelijke benadering bepleitten, wijs ik op de uitspraak uitspraak In re Sadia, S.A. Securities Litigation, 269 F.R.D. 298, 312 en 318-321 (S.D.N.Y. 2010).
Vgl. in dit verband de uitspraak In re Sadia, S.A. Securities Litigation, 269 F.R.D. 298, 312 (S.D.N.Y. 2010). In deze zaak stelt de door de beleggers geraadpleegde deskundige ook een methode voor om beide componenten van het koersverlies te kunnen kwantificeren.
Verordening (EU) Nr. 596/2014 (PbEU 2014, L 173/1).
Iets anders is dat de disloyaliteit van het bestuur en/of de gebrekkige informatiesystemen zich pas daadwerkelijk manifesteerde(n) en resulteerde(n) in misleiding van het beleggende publiek, toen voor het eerst een misleidende mededeling werd gedaan c.q. voor het eerst relevante informatie werd achtergehouden.
Idem.
Bewust refereer ik in de hoofdtekst tevens aan ‘voormalige’ aandeelhouders. In de praktijk zal het namelijk meestal zo zijn dat er in de class ook beleggers zitten die hun aandeel in de periode gelegen tussen het tijdstip van bekendwording van de misleiding en de datum uitspraak hebben verkocht. Ook voor de laatstgenoemde beleggers geldt dat het vergoeden van de onderhavige koersinflatie hun per saldo niet zoveel zal opleveren. Het effect van de desbetreffende (door de vennootschap te betalen) schadevergoeding werd immers reeds geheel of gedeeltelijk in de koers ingeprijsd toen de misleiding bekend werd, dus ook voor hen geldt dat zij hun grotendeels zelf financieren.
De Nederlandse corporate governace code zoals gepubliceerd in Staatscourant nr. 45259 d.d. 21 december 2017.
Zie in verband met de verantwoording door het bestuur over de interne risicobeheer-sings- en controlesystemen ook Principe 1.4 (‘Verantwoording over risicobeheersing’) en Best Practice Bepaling 1.4.2 (‘Verantwoording in het bestuursverslag’). En zie in verband met de interne (informatie)systemen van de vennootschap ook nog Best Practice Bepaling 2.4.7 (‘Waarborgen informatievoorziening’). Zie over de voorganger van de laatstgenoemde bepaling in de oude Code (versie 2008) Hoff 2011, p. 439-444.
Voor het Amerikaanse recht volgt Black een enigszins vergelijkbare redenering. Volgens haar kan vergoeding van de hier bedoelde koersinflatie afzonderlijk worden gebaseerd op de certificeringsverplichtingen van de Sarbanes-Oxly Act 2002. Zie Black 2009, p. 175-179.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat de grondslag van aansprakelijkheid voor een misleidende ‘in control’-verklaring gelijk is aan de grondslag van aansprakelijkheid voor een misleidend bestuursverslag. De ‘in control’-verklaring maakt namelijk onderdeel uit van het bestuursverslag. Bij aansprakelijkheid(stelling) van de vennootschap is de grondslag dus gelegen in art. 6:162 BW, bij aansprakelijkheid (stelling) van de bestuurder(s) is die gelegen in art. 2:139 BW (en/of art. 6:162 BW).
Met het ‘niet op orde zijn van de interne risicobeheersings- en controlesystemen’ bedoel ik hier dat deze systemen andere en ernstigere tekortkomingen bevatten dan de eventuele tekortkomingen die het bestuur over het desbetreffende boekjaar reeds heeft geconstateerd, en waarover het op grond van Best Practice Bepaling 1.4.2 aanhef en onder iii in het bestuursverslag verantwoording dient af te leggen en waarover het op grond van Best Practie Bepaling 1.4.3 aanhef en onder i in het bestuursverslag (met een duidelijke onderbouwing) dient verklaren dat het verslag in voldoende mate inzicht geeft in die tekortkomingen.
Zie over de (bestuurders)aansprakelijkheid wegens het afgeven van een misleidende ‘in control’-verklaring ook Strik 2009, p. 155-163; Strik 2010, p. 199-209. Ik wijs erop dat Strik alleen ingaat op de vraag of een bestuursverslag als misleidend kan worden aangemerkt, wanneer daarin een misleidende ‘in control’-verklaring is opgenomen. Strik gaat niet in op de (hier te beantwoorden) vraag of in de situatie waarin een misleidende ‘in control’-verklaring is afgegeven, sprake kan zijn van een afzonderlijke verplichting tot schadevergoeding voor de koersinflatie die het koerseffect weerspiegelt van de tekortschietende interne informatiesystemen, naast de verplichting die bestaat om de (door de misleidende financiële verslaggeving veroorzaakte) eigenlijke koersinflatie te vergoeden.
Vgl. Strik 2009, p. 157-158 en Strik 2010, p. 202-204.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat de grondslag van aansprakelijkheid voor een misleidende art. 5:25c lid 2 aanhef en onder c Wft-verklaring zowel bij aansprakelijkheid(stelling) van de vennootschap als bij aansprakelijkheid(stelling) van de bestuurders is gelegen in art. 6:162 BW. Zie Pijls 2020, p. 158.
Voor een aansprekend voorbeeld uit de Amerikaanse rechtspraak waarin een vennootschap door haar aandeelhouders aansprakelijk werd gesteld wegens het doen van mededelingen waarin zij ten onrechte had verklaard dat haar bedrijfsvoering ‘integer’ was en in overeenstemming met ‘letter en geest’ van de relevante wet- en regelgeving, wijs ik op de uitspraak Richman v. Goldman Sach Group. Inc., 868 F. Supp. 2d 261, 277-278 (S.D.N.Y. 2012). Zie in dit verband ook de uitspraak van de Supreme Court in de zaak Omnicare, Inc. v. Laborers Dist. Council Const. Industry, 575 U.S. 175 (2015). En zie verder ook de uitspraken Boca Raton Firefighters & Police Pension Fund v. Bahash, 506 Fed. Appx. 32, 37-38 (2d Cir. 2012); ECA, Local 134 IBEW Joint Pension Trust of Chicago v. JP Morgan Chase Co., 553 F.3d 187, 205-206 (2d Cir. 2009); Retail Wholesale & Department Store Union Local 338 Retirement Fund v. Hewlett-Packard Co., 845 F.3d 1268 (9th Cir. 2017); Reese v. Malone, 747 F.3d 557, 577-579 (9th Cir. 2014); In re Petrobas Securities Litigation, 116 F.Supp.3d 368 (S.D.N.Y. 2015); In re Silvercorp Metals, Inc. Securities Litigation, 26 F.Supp.3d 266, 273-274 (S.D.N.Y. 2014); Gusinsky v. Barclays PLC, 944 F. Supp.2d 279, 289-290 (S.D.N.Y. 2013); Cement & Concrete Workers District Council Pension Fund v. Hewlett Packard Co., 964 F.Supp.2d 1128 (N.D. Cal. 2013).
Dat de disloyaliteit van het bestuur en/of de gebrekkige informatiesystemen vermoedelijk al voor het tijdvak van de misleiding zijn ontstaan, neemt niet weg dat deze gebreken zich pas daadwerkelijk manifesteerden en resulteerden in misleiding van het beleggende publiek, toen voor het eerst een misleidende mededeling werd gedaan c.q. voor het eerst relevante informatie werd achtergehouden.
Zie in dit verband ook Dunbar & Sen 2009, p. 238 en Ferrell & Saha 2007, p. 182.
Ik wijs erop dat de omstandigheid (dat in rechte komt vast te staan) dat (het bestuur van) de vennootschap het beleggende publiek welbewust verkeerd heeft voorgelicht, een op zichzelf niet-misleidende mededeling niet ineens misleidend maakt.
De vraag die vervolgens moet worden beantwoord, is of het extra koersverlies dat het koerseffect weerspiegelt van het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of de kwaliteit van het bestuur, op de voet van art. 6:98 BW aan de vennootschap kan worden toegerekend.1 Het antwoord op deze toerekeningsvraag luidt mijns inziens ontkennend.2 Wederom zijn het volgens mij vooral beleidsmatige argumenten die zich tegen – het aannemen van een verplichting tot – vergoeding van dit extra koersverlies verzetten. Dit standpunt zal ik hierna toelichten, waarbij ik het vraagstuk op twee verschillende manieren zal benaderen.
a. Eerste benadering: extra koersverlies wordt aangemerkt als gevolgschade
In de eerste plaats zou men kunnen zeggen dat het hier bedoelde koersverlies het bedrag van de (eigenlijke) koersinflatie te boven gaat, en dat het hier derhalve gaat om gevolgschade (ter illustratie geef ik deze benadering hieronder in figuur 7 grafisch weer). Hoewel deze gevolgschade onmiskenbaar in csqn-verband staat met het onrechtmatig handelen van de vennootschap, dient zij naar mijn oordeel niet voor vergoeding in aanmerking te komen. Het voornaamste argument dat in deze benadering pleit tegen – het aannemen van een verplichting tot – vergoeding van deze gevolgschade, is dat dit leidt tot een – vanuit economisch perspectief bezien – merkwaardig verschil in vermogenspositie tussen enerzijds de beleggers die hun aandelen tijdens het tijdvak van de misleiding hebben gekocht (en die hiervoor als gevolg van de misleiding een te hoge prijs hebben betaald), en anderzijds de beleggers die toen de misleiding begon reeds aandeelhouder waren.3 Ook de laatstgenoemde beleggers lijden namelijk koersverlies wanneer de markt naar aanleiding van (het bekend worden van) de misleiding een verminderd vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur in de beurskoers inprijst, en ook voor hen geldt dat dit koersverlies in csqn-verband staat met het onrechtmatige handelen van de vennootschap. Voor de laatstgenoemde beleggers komt dit koersverlies echter niet voor vergoeding in aanmerking. De redenering waarom dit zo is, is nagenoeg gelijk aan de redenering van § 7.5.3 waarom de daar bedoelde gevolgschade voor de (gekeken vanaf het moment waarop de misleiding begon) zittende aandeelhouders niet voor vergoeding in aanmerking komt, dus die redenering zal ik hier niet herhalen. Maar, als het onderhavige koersverlies voor de zittende aandeelhouders niet voor vergoeding in aanmerking komt, dient het mijns inziens ook niet voor vergoeding in aanmerking te komen voor de in het tijdvak van de misleiding toegetreden aandeelhouders.4 Beide groepen beleggers lijden dit koersverlies namelijk op exact dezelfde wijze en in exact gelijke mate, en dan acht ik het niet redelijk om voor de vergoeding ervan tussen beide groepen te differentiëren. Economisch gezien zie ik althans geen enkel steekhoudend argument dat een dergelijke differentiatie zou kunnen rechtvaardigen.5
Zou onverhoopt ervoor worden gekozen de in het tijdvak van de misleiding toetredende aandeelhouders wel te compenseren voor het koersverlies dat is terug te voeren op het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of de kwaliteit van het bestuur, dan moet men denk ik consequent zijn en dan zouden ook de zittende aandeelhouders voor dit koersverlies moeten worden gecompenseerd. Ook bij deze (onverhoopte) keuze zie ik namelijk geen steekhoudende argumenten om voor de vergoeding tussen beide groepen te differentiëren. Maar, het uiteindelijke resultaat waar deze keuze dan toe leidt, is dat alle beleggers die op het moment waarop de misleiding naar buiten komt aandeelhouder zijn, recht hebben op vergoeding van deze gevolgschade. Aangezien dit laatste neerkomt op een – via een schadevergoedingsverplichting van de vennootschap geconstrueerde – verkapte dividenduitkering, lijkt me dit een zeer onwenselijke uitkomst (zie in dit verband ook mijn betoog aan het slot van § 7.5.3). Zo’n onwenselijke uitkomst wordt voorkomen, wanneer vergoeding van de onderhavige gevolgschade simpelweg wordt afgewezen.
Figuur 7
b. Tweede benadering: extra koersverlies zit inbegrepen in het bedrag van de koersinflatie
De onderhavige kwestie kan echter ook anders worden benaderd. In deze alternatieve benadering wordt het extra koersverlies wel geacht in het bedrag van de koersinflatie te zijn inbegrepen.6 De totale koersinflatie (en het daaruit voortvloeiende koersverlies toen de inflatie weer uit de koers liep) bestaat in dat geval dus uit twee componenten.7 Ten eerste uit een component die het koerseffect weerspiegelt van de misleidende informatie zelf (de zogenoemde ‘eigenlijke koersinflatie’). Ten tweede uit een component die het koerseffect weerspiegelt van het verminderde vertrouwen in de integriteit en kwaliteit van het bestuur. Dat ook de laatstgenoemde component kan worden geacht in de koersinflatie te zijn inbegrepen, wordt verklaard door het feit dat het niet waarschijnlijk is dat (het koerseffect voortvloeiend uit) de disloyaliteit van het bestuur en/of de gebrekkige werking van de interne informatiesystemen pas ontstond(en) toen de misleiding naar buiten kwam. Aannemelijker is dat van (het koerseffect voortvloeiend uit) deze disloyaliteit en/of deze tekortschietende informatiesystemen reeds sprake was toen de misleiding begon (zie voor een nadere nuancering echter hieronder sub 1). Zonder deze gebreken had de misleiding namelijk niet kunnen plaatsvinden en zou de door de misleiding veroorzaakte (eigenlijke) koersinflatie in het geheel niet zijn ontstaan.
Vervolgens kan worden beredeneerd dat de hier bedoelde tweede component van de koersinflatie niet voor vergoeding in aanmerking dient te komen. De desbetreffende redenering zal ik in het hiernavolgende geven, waarbij ik een onderscheid zal maken tussen enerzijds de situatie waarin de misleiding bestaat uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving, en anderzijds de situatie waarin de misleiding een andere vorm aanneemt, zoals de publicatie van een misleidend prospectus, de publicatie van een misleidend ad hoc-bericht of het niet publiceren van voorwetenschap. Volledigheidshalve geef ik ook de benadering waarbij het koersverlies betreffende het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur wordt geacht in het bedrag van de koersinflatie te zijn inbegrepen, hieronder in figuur 8 grafisch weer.
Figuur 8
1. Misleiding bestaat NIET uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving
Er kan alleen sprake zijn van een verplichting tot schadevergoeding betreffende (de component van) de koersinflatie die het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur weerspiegelt, wanneer in dit verband een rechtens relevante norm is geschonden. In de situatie waarin de misleiding een andere vorm aanneemt dan het publiceren van misleidende financiële verslaggeving, ligt dit laatste echter niet zonder meer voor de hand. Waarom zou (het bestuur van) de vennootschap immers verplicht zijn het beleggende publiek te informeren over het feit dat het bestuur niet integer is of over het feit dat de interne informatiesystemen niet op orde zijn? In beginsel bestaat zo’n verplichting niet. Als men zo’n verplichting niettemin wenst aan te nemen, zou deze eventueel kunnen worden gebaseerd op de verplichting tot het publiceren van voorwetenschap (art.17 lid 1 verordening Marktmisbruik8). Verdedigbaar is immers dat voormelde feiten koersgevoelig zijn (want anders zou er ook geen koersinflatie uit voortvloeien). Maar, als zo’n afzonderlijke informatieverplichting – veronderstellenderwijs – inderdaad wordt aangenomen, ligt het voor de hand tevens aan te nemen dat de verplichting reeds vóór het (begin van het) tijdvak van de misleiding was ontstaan en niet pas toen de misleiding begon. Het zou namelijk wel erg toevallig zijn wanneer de disloyaliteit van het bestuur en/of het gebrek in de informatiesystemen precies ontstond(en) toen de misleidende mededeling voor de eerste keer werd gedaan.9 Waarschijnlijker is dat (één van) deze gebreken op dat moment reeds aanwezig waren (was), en dat deze er juist de oorzaak van zijn (is) dat de misleiding überhaupt kon plaatsvinden.
Ervan uitgaande dat de hier bedoelde informatieverplichting inderdaad reeds vóór het tijdvak van de (eigenlijke) misleiding is ontstaan, moeten we aannemen dat zij ook reeds daarvóór is geschonden. Er tevens – veronderstellenderwijs – van uitgaande dat op deze informatieverplichting een afzonderlijke verplichting tot schadevergoeding kan worden gebaseerd, betekent dit dat – naast de in het tijdvak van de misleiding toegetreden aandeelhouders – ook een deel van de beleggers die toen de misleiding begon reeds aandeelhouder waren, rechtens toerekenbare schade heeft geleden. Om te bepalen welke beleggers dit precies zijn, moet worden vastgesteld op welk moment de disloyaliteit van het bestuur en/of het gebrek in de informatiesystemen precies is ontstaan, en wanneer de hiermee corresponderende informatieverplichting voor het eerst is geschonden. Niet uitgesloten is dat dit tijdstip is gelegen reeds enkele maanden of jaren vóór het tijdstip waarop de misleiding begon.10 Het vaststellen van het exacte tijdstip wordt daarmee een eindeloze zoektocht die – in termen van beleggerscompensatie – uiteindelijk niet zoveel oplevert. Het uiteindelijke resultaat zal namelijk zijn dat – via een schadevergoedingsverplichting van de vennootschap –voor een klein stukje koersinflatie met geld wordt geschoven van de ene groep aandeelhouders naar de andere groep aandeelhouders. Nu is het verschuiven van geld tussen aandeelhouders onderling op zichzelf niet zo bijzonder. Dat is bij het door de vennootschap compenseren van koersschade per definitie het geval. Het bijzondere van het onderhavige geval is echter, dat we hier – naar verwachting – te maken hebben met een relatief lange class period, een relatief grote groep zittende aandeelhouders die recht heeft op schadevergoeding en een klein bedrag aan te compenseren koersinflatie. Het vergoeden van deze koersinflatie komt er daarmee uiteindelijk op neer dat vele (huidige en voormalige) aandeelhouders geld zitten te verschuiven van hun ‘broekzak’ naar hun ‘vestzak’.11 Zo’n exercitie is zijn transactiekosten niet waard, en dient vanuit compensatoir oogpunt eigenlijk geen enkel doel. De meest verstandige conclusie die men hier daarom volgens mij kan trekken, is dat vergoeding van de onderhavige component van de koersinflatie simpelweg moet worden afgewezen.
2. Misleiding bestaat uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving
In de situatie waarin de misleiding bestaat uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving, kan de (component van de) koersinflatie die het koerseffect weerspiegelt van het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur eventueel wel in verband worden gebracht met een afzonderlijke informatieverplichting, en kan deze koersinflatie – naast de door de misleidende financiële verslaggeving veroorzaakte eigenlijke koersinflatie – derhalve eventueel wel voor vergoeding in aanmerking komen. Als het specifiek gaat om de (vergoeding van de) koersinflatie die het koerseffect weerspiegelt van gebrekkig werkende interne informatiesystemen, kan deze informatieverplichting worden gevonden in Best Practice Bepaling 1.4.3 van de Nederlandse corporate govervance code12 (hierna: de ‘Code’).13,14 Deze bepaling schrijft – voor zover hier van belang – voor dat ‘het bestuur (…) in het bestuursverslag met een duidelijke onderbouwing [verklaart] dat:
het verslag in voldoende mate inzicht geeft in tekortkomingen in de werking van de interne risicobeheersings- en controlesystemen;
voornoemde systemen een redelijke mate van zekerheid geven dat de financiële verslaggeving geen onjuistheden van materieel belang bevat (…).’ (toevoeging en curs. ACWP)
De op grond van Best Practice Bepaling 1.4.3 voorgeschreven verklaring staat ook wel bekend als de zogenoemde ‘in control’-verklaring.15 Het is van belang te benadrukken dat aansprakelijkheid voor een misleidende ‘in control’-verklaring (en voor de daaruit voortvloeiende koersinflatie) alleen kan worden aangenomen, als daadwerkelijk kan worden vastgesteld dat ten tijde van het afgeven van de verklaring de interne risicobeheersings- en controlesystemen niet op orde waren en de verklaring derhalve misleidend was.16,17 Dit laatste hoeft niet noodzakelijkerwijs te volgen uit de (enkele) vaststelling dat de litigieuze verslaggeving misleidend was.18 Of de systemen al dan niet adequaat hebben gefunctioneerd en of de ‘in control’-verklaring (daarmee) al dan niet misleidend was, vereist een zelfstandige beoordeling.
Verder is in dit verband natuurlijk nog van belang dat de Code op het zogenoemde ‘comply or explain’-principe is gebaseerd. Dit principe houdt – zoals bekend – in dat beursvennootschappen in beginsel worden geacht de principes en best practice bepalingen van de Code na te leven en voor zover zij dat niet doen, zij dit (voldoende gemotiveerd) moeten uitleggen. In theorie geldt dus ook voor de voorgeschreven ‘in control’-verklaring dat een beursvennootschap hier in principe aan voorbij mag gaan, in de praktijk is dat echter niet goed voor te stellen. Een beursvennootschap die immers – hoe goed onderbouwd ook – ervoor kiest geen ‘in control’-verklaring af te geven, zal al snel het vertrouwen verliezen van het beleggende publiek. Het is dan ook niet voor niets dat uit de jaarrapporten van de Monitoring Commissie Corporate Governance van de afgelopen jaren blijkt dat nagenoeg alle AEX- vennootschappen de voorganger van Best Practice Bepaling 1.4.3 in de oude Code (versie 2008) netjes naleven.
Een (zelfstandige) verplichting tot schadevergoeding voor (de component van) de koersinflatie die het gebrek aan integriteit van het bestuur weerspiegelt, kan bij misleidende financiële verslaggeving – met enige creativiteit – eventueel worden gebaseerd op het door het bestuur afleggen van een misleidende verklaring als bedoeld in art. 5:25c lid 2 aanhef en onder c Wft.19 Deze bepaling houdt kort gezegd in dat het bestuur moet verklaren dat, voor zover hem bekend, de in de jaarlijkse financiële verslaggeving opgenomen gegevens een getrouw beeld geven van de toestand waarin de uitgevende instelling verkeert.20 De reden dat een schadevergoedingsverplichting voor de genoemde koersinflatie eventueel kan worden gebaseerd op een misleidende art. 5:25c lid 2 aanhef en onder c Wft-verklaring, is dat het bestuur met het afleggen van deze verklaring aan de markt als het ware de ‘belofte’ aflegt dat, voor zover hem bekend, de financiële verslaggeving juist en volledig is opgemaakt.21 Blijkt vervolgens dat het bestuur in de jaarrekening en/of het bestuursverslag de toestand van de vennootschap welbewust te gunstig heeft voorgesteld, dan wordt deze belofte geen gestand gedaan en is daarmee sprake van een afzonderlijke normschending naast de normschending bestaande uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving. Door de misleiding benadeelde beleggers die – naast de eigenlijke koersinflatie – ook de (de component van) de koersinflatie betreffende het verminderde vertrouwen in de integriteit van het bestuur vergoed wensen te zien, dienen dus mede de door het bestuur afgelegde art. 5:25c lid 2 aanhef en onder c Wft-verklaring aan hun vordering ten grondslag te leggen.22
Hoewel in de situatie waarin de misleiding bestaat uit het publiceren van misleidende financiële verslaggeving onder omstandigheden dus eventueel sprake kan zijn van een (afzonderlijke) verplichting tot schadevergoeding voor de (component van de) koersinflatie betreffende het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur, geldt ook in dit geval dat de disloyaliteit van het bestuur en/of het gebrek in de informatiesystemen waarschijnlijk niet pas ontstond(en) toen de misleidende verslaggeving werd gepubliceerd. Ook in dit geval zijn deze gebreken vermoedelijk al eerder ontstaan, en zijn deze er juist de oorzaak van dat de misleiding überhaupt kon plaatsvinden.23 Maar, als het inderdaad zo is dat de gebreken al eerder zijn ontstaan, is ook al eerder een rechtens relevante norm geschonden, namelijk de verplichting tot publicatie van voorwetenschap. En als die verplichting al eerder is geschonden, betekent dit dat – naast de in het tijdvak van de misleiding toegetreden aandeelhouders – ook een deel van de beleggers die toen de misleiding begon reeds aandeelhouder waren, recht heeft op schadevergoeding. Dit wordt wederom een eindeloze zoektocht die – in termen van beleggerscompensatie – uiteindelijk niet zoveel oplevert. Dit laatste is voor mij op zichzelf voldoende reden om ook in de situatie waarin de misleiding bestaat uit de publicatie van misleidende financiële verslaggeving, vergoeding van de onderhavige koersinflatie simpelweg af te wijzen.
c. Nog een ander argument dat pleit tegen vergoeding
Een ander argument dat nog pleit tegen – het aannemen van een verplichting tot – vergoeding van het koersverlies dat voortkomt uit het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur, en dat in stelling kan worden gebracht ongeacht de wijze waarop de misleiding plaatsvindt (via het publiceren van een misleidend prospectus, het publiceren van misleidende financiële verslaggeving, het verspreiden van een misleidend ad hoc-bericht of het niet publiceren van voorwetenschap), is dat dit verlies ook kan intreden wanneer de vennootschap het publiek verkeerd heeft voorgelicht, maar de desbetreffende litigieuze mededeling of omissie (in rechte) uiteindelijk niet als misleidend wordt aangemerkt.24 Ook in dat geval is namelijk aanneme lijk dat de markt uit de corrigerende mededeling zal afleiden dat de informatievoorziening van de vennootschap niet op orde is, en dat deze niet (langer) kan worden vertrouwd. Nu zal het in de praktijk echter altijd zo zijn, dat wanneer een bepaalde mededeling of omissie eenmaal als niet-misleidend wordt aangemerkt, iedere vorm van schadevergoeding verder zal worden afgewezen. De rechter zal dan namelijk oordelen dat er geen rechtens relevante norm is geschonden, en dat vergoeding van enige koersschade daarom in het geheel niet aan de orde is.25 Ook vergoeding van het koersverlies dat samenhangt met het verminderde vertrouwen in de integriteit en/of kwaliteit van het bestuur, zal in dat geval dus onverkort worden afgewezen. Maar, als de vergoeding van deze component van het koersverlies wordt afgewezen in de situatie waarin de (onjuiste en/of onvolledige) litigieuze informatie niet als misleidend wordt aangemerkt, moet vergoeding van dit koersverlies denk ik ook worden afgewezen in de situatie waarin de litigieuze informatie wel als misleidend wordt aangemerkt. In beide gevallen gaat het namelijk om exact hetzelfde stukje koersverlies, en dan acht ik het niet redelijk om voor de vergoeding ervan tussen beide situaties een onderscheid te maken.