Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.3.2.2
3.3.2.2 De vergoedingstheorie
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS401132:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld P. Fernandez, G. Heij en J. Pope, Tax policy and electronic commerce, IBFD-bulletin 2002, blz. 33. Een land kan zijn recht om te heffen rechtvaardigen op grond van het feit dat het voorzieningen verstrekt en bescherming geeft.
R.S.J. Martha, a.w., blz. 19 en 20.
Zie ook E.C.C.M. Kemmeren, a.w., blz. 23 en N.H. Kaufman, Fairness and the taxation of international income, Law and Policy in International Business, Winter 1998.
P.B. Richman, Taxation of Foreign Investment Income, Baltimore, Johns Hopkins Press, 1973, blz. 15-24.
De ethische of vergoedingstheorie gaat uit van de gedachte dat het betalen van belasting een vergoeding vormt voor het voordeel of het nut dat rechtssubjecten hebben van overheidsvoorzieningen. Een staat heeft dus het recht om belasting te heffen van diegenen die voordeel of nut hebben van zijn voorzieningen.1 Er wordt ook wel gesproken van heffing op basis van het baatbeginsel. Als bezwaar tegen deze theorie wordt aangevoerd dat het niet mogelijk is om objectief vast te stellen welk offer van de burger aan de staat is erechtvaardigd.2 Naar mijn mening kunnen drie betekenissen aan het baat-beginsel worden toegekend. Allereerst kan het baatbeginsel worden beschouwd als een legitimatie voor een staat om belasting te heffen. Diegene die voorzieningen ontvangt van de staat moet bijdragen aan de uitgaven. In de tweede plaats kan het baatbeginsel worden toegepast om te bepalen welk deel van de belastingopbrengst van welke belastingplichtigen moet worden verkregen. Het wordt door economen in dit kader geplaatst tegenover het draagkrachtbeginsel. Volgens hen is heffing op basis van het baatbeginsel het meest wenselijke. Zij erkennen ook dat het moeilijk zo niet onmogelijk is om objectief vast te stellen hoeveel voordeel elke burger heeft van de voorzieningen van de staat. Een derde betekenis die kan worden toegekend aan het baatbeginsel is afgeleid van de eerste betekenis en heeft een internationale dimensie.3 Het baatbeginsel kan worden gebruikt als handvat voor de verdeling van heffingsbevoegdheden tussen landen. De landen die voorzieningen aan het desbetreffende rechtssubject verstrekken, hebben recht op de belasting die dit rechtssubject moet opbrengen naar rato van de voordelen die zij aan hem verstrekken. Of het land dat de meeste voorzieningen verstrekt, zou het heffingsrecht moeten hebben.4 Indien we spreken over het recht van een land om belasting te heffen, dient het baatbeginsel in de eerstgenoemde zin uitgelegd te worden. Het gaat erom een rechtvaardiging te vinden om belasting te heffen en niet om een rechtvaardiging van de hoeveelheid aan belasting die moet worden betaald. In feite bestaat er mijns inziens ook niet veel verschil tussen de vergoedings- en contracttheorie. Beide theorieën verbinden het recht om te heffen immers aan het feit dat men voordelen van de staat geniet. De contracttheorie baseert dit op een voorondersteld contract tussen de burger en de staat waarbij de burger bepaalde voordelen opgeeft (zoals de vrije beschikking over zijn geldelijke middelen) in ruil voor nieuwe voordelen die de staat hem biedt. Bij de vergoedingstheorie ontbreekt een dergelijke contractuele grondslag, maar geldt dezelfde gedachte. De burger moet bijdragen aan de voordelen die de staat hem biedt.