Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.4.4.4:13.4.4.4 BGH: geen algemene aansprakelijkheid vanwege onderkapitalisatie
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/13.4.4.4
13.4.4.4 BGH: geen algemene aansprakelijkheid vanwege onderkapitalisatie
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS403522:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vervolgens oordeelde het BGH dat het wettelijke systeem evenmin ruimte biedt voor een algemene vennootschapsrechtelijke aansprakelijkheid van aandeelhouders vanwege onderkapitalisatie. Het BGH verwees naar het feit dat de wetgever nimmer heeft gekozen voor een verdergaande kapitaaleis dan het minimumkapitaal, ondanks de daartoe strekkende pleidooien in de juridische literatuur. Ook in de toelichting bij het voorontwerp van het MoMiG vond het BGH steun voor zijn oordeel dat de wetgever een dergelijke aansprakelijkheidsnorm nimmer heeft gewild.
“Eine Haftung des GmbH-Gesellschafters wegen unzureichender Kapitalisierung der Gesellschaft – sei es in Form zu geringer Eigenkapitalausstattung, sei es in Gestalt einer allgemeinen Mangelhaftigkeit der Vermögensausstattung im weitesten Sinne – ist weder gesetzlich normiert noch durch richterrechtliche Rechtsfortbildung als gesellschaftsrechtlich fundiertes Haftungsinstitut anerkannt. […]”1
Het BGH overwoog dat het begrip ‘onderkapitalisatie’ een onbestemd karakter heeft en dat in de jurisprudentie van de verschillende Zivil Senaten nimmer aansprakelijkheid vanwege onderkapitalisatie is aanvaard; de onderhavige casus bood volgens het BGH geen aanleiding om van die lijn af te wijken. Op de aandeelhouder van de GmbH rust de plicht om de GmbH bij oprichting met een minimumkapitaal van 25.000 euro te financieren en om gedurende het bestaan van de vennootschap de kapitaalregels in acht te nemen. Het leerstuk van de existenzvernichtenden Eingriffs beperkt daarnaast de mogelijkheden van de aandeelhouder om vermogen of liquiditeiten aan de vennootschap te onttrekken zonder daarbij de gerechtvaardigde belangen van de vennootschap en haar crediteuren te respecteren. Tot slot verplicht de wet in bepaalde crisissituaties tot liquidatie van de vennootschap, om te voorkomen dat een kansloze onderneming op kosten van de crediteuren wordt voortgezet.2 Voor zover de aandeelhouder zich binnen deze grenzen begeeft, is “seiner ‘Finanzierungsentscheidung’ grundsätzlich frei”, aldus het BGH.3
Het BGH overwoog: “Das GmbHG will nicht die Lebensfähigkeit einer jeden GmbH sicherstellen, sondern nur einen generellen Mindestschutz der Gläubiger gewähren.”4