Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/2.2.2
2.2.2 De postcontractuele verbintenis
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687118:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
G.J.J. Heerma van Voss, Goed werkgeverschap als bron van vernieuwing van het arbeidsrecht, Deventer: Kluwer 1999, p. 34. Ook O. van der Kind, ‘Het eigenbelang van de goede werkgever’, AR Updates annotaties 2017-0393, ziet dit soort verbintenissen niet als postcontractueel, maar als verplichting eerder gemaakte afspraken na te komen; zij het na het dienstverband.
H.B. Krans, ‘De verbintenis in het algemeen’, in: C.J.H. Brunner e.a. (red.), Verbintenissenrecht algemeen, Deventer: Kluwer 2011, p. 18-19.
C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 81.
I.G.J.P. de Vries, Recht op nakoming en op schadevergoeding wegens tekortkoming, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 204.
G.T. de Jong, ‘Niet-nakoming’, in: C.J.H. Brunner e.a. (red.), Verbintenissenrecht algemeen, Deventer: Kluwer 2011, p. 225; W.H. van Boom, Groene SerieVerbintenissenrecht, artikel 6:271 BW, aant. 3; C.H. Sieburgh en A.S. Hartkamp, Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2014, nr. 701-702; F.B. Bakels, Ontbinding van overeenkomsten, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2011, p. 56-57. Te kort door de bocht acht ik P.H.M. Gerver, H. Sorgdrager en R.H. Stutterheim, Het systeem van het Nederlandse privaatrecht, Arnhem: Gouda Quint 1995, p. 325, waar zij stellen dat partijen na ontbinding van elkaar af zijn en ontstane verbintenissen uit de overeenkomst vervallen.
C.J. van Zeben en J.W. du Pon, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe burgerlijk wetboek, Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 1026.
HR 16 juni 1978, NJ 1978/625, m.nt. G.J. Scholten (Stork-Brabant/Foekens c.s.). Ook A-G Ten Kate wijst erop dat het aankomt op de uitleg van de betreffende bedingen of zij ontbinding overleven.
Als voorbeeld Rb. Amsterdam 25 juli 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:5385 (African Fabrics/Klou Management c.s.), concurrentiebeding overleeft vernietigde overeenkomst.
Zie als voorbeeld Rb. Midden-Nederland 11 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:210 (ex-werkgever/ex-werknemer), welke rechter oordeelt dat de werkgever postcontractuele bedingen expliciet tijdens onderhandelingen in de vaststellingsovereenkomst aan de orde dient te stellen, aangezien zij anders onder de finale kwijting zullen vallen, juist omdat zij zien op de periode na het eindigen van de arbeidsovereenkomst. Verder: Hof Amsterdam 28 april 2009, JIN 2009/597 (Douwe Egberts/ex-werknemer), Rb. Leeuwarden 10 oktober 2012, ECLI:NL:RBLEE:2012:BX9971 (Lennoc Development/ex-werknemer c.s.). Te stellig vind ik J. Rosendahl en S. Theunissen, ‘Het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst’, ArbeidsRecht 2017/22, dat in beginsel postcontractuele bedingen niet worden aangetast door de finale kwijting. Zillinger Molenaar stelt in zijn annotatie bij Rb. Gelderland 27 maart 2019, JAR 2019/98 (ex-werknemer/Akzo Nobel), m.nt. C.C. Zillinger Molenaar, dat de werkgever gezien het schriftelijkheidsvereiste van het concurrentiebeding deze tijdens de onderhandelingen over het vertrek aan de orde moet stellen om verval te voorkomen, hetgeen mij juist voorkomt.
HR 6 september 2013, JAR 2013/249, m.nt. M. Heemskerk, JOR 2013/310, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy, PJ 2013/161, m.nt. E. Lutjens en H.P. Breuker, TRA 2013/103, m.nt. J.J.M. de Laat, NJ 2014/67, m.nt. E. Lutjens (Energieonderzoek Centrum Nederland/Vereniging van Oud-Medewerkers ECN & NRG).
Hof Amsterdam 12 juni 2012, PJ 2012/119, m.nt. R.A.C.M. Langemeijer (Vereniging van Gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep c.s./Delta Lloyd c.s.); HR 8 november 2013, JAR 2013/300, m.nt. M. Heemskerk, PJ 2013/191, m.nt. A.G. van Marwijk Kooy (Vereniging van Gepensioneerden van de Delta Lloyd Groep c.s./Delta Lloyd c.s.). Voor een voorbeeld van een lagere rechter: Rb. Amsterdam 16 augustus 1995, JAR 1995/208 (Greenpeace Nederland/Kotte), die oordeelt dat de ex-werknemer had moeten begrijpen dat het belang van de ex-werkgever tot geheimhouding niet ophield bij het einde van de arbeidsovereenkomst. Daarbij ‘is het niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid en is het evenmin juridisch onaanvaardbaar dat een verplichting uit een arbeidsovereenkomst, ook een verplichting als de onderhavige, na het einde van de verplichting om arbeid te verrichten voortduurt’, aldus de rechtbank.
F.B.J. Grapperhaus, Werknemersconcurrentie, beperkingen aan concurrerende activiteiten van de ex-werknemer ten opzichte van zijn voormalig werkgever, Deventer: Kluwer 1995, p. 198-199. Vergelijkbaar: J.P. Quist, Het concurrentiebeding nader beschouwd, Den Haag: Bju 2004, p. 1.
P. ’t Hart, Het concurrentiebeding, concurrentie door de werknemer en de ex-werknemer, Deventer: Kluwer 1977, p. 60 en p. 177.
Onder meer E. Verhulp, Vrijheid van meningsuiting van werknemers en ambtenaren, Den Haag: Sdu Uitgevers 1996, p. 153; H. Dammingh en A. van der Linden, ‘Spreken is zilver; zwijgen een ton. De (ex-)werknemer in het onderzoek van de NMa’, ArbeidsRecht 2010/25; R.S. van Coevorden, ‘De klokkenluider, het geheimhoudingsbeding en art. 7:661 BW’, ArbeidsRecht 2002/42.
I.G.J.P. de Vries, Recht op nakoming en op schadevergoeding wegens tekortkoming, Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink 1997, p. 205-206. Als voorbeelden van ‘accidentele rechtsgevolgen’ noemt hij ook meer vermogensrechtelijke kwesties als vertragingsschade en exoneratiebedingen.
Aldus voor het geheimhoudingsbeding Hof Arnhem-Leeuwarden 20 maart 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2690 (ex-werknemer/SK Noord Brandbeveiliging). Verder T.F.E. Tjong Tjin Tai, Meerpartijenovereenkomst en samenhangende overeenkomsten, Monografieën BW, Deventer: Kluwer 2019, p. 17; J.M. van Slooten, ‘Is de rechtsverhouding met de gepensioneerde werknemer bevroren? Een verkenning’, in: W. Plessen, H. van Drongelen en F. Hendrikx (red.), Sociaal recht: tussen behoud en vernieuwing. Liber amicorum voor prof. dr. Antoine Jacobs, Zutphen: Uitgeverij Paris 2011, p. 438; J.M. van Slooten, ‘“Uitgewerkte rechtsverhouding” als arbeids- en/of pensioenrechtelijk leerstuk’, TPV 2012/16. Zij noemen hierbij als voorbeeld het geheimhoudingsbeding. A.R. Houweling (red.), G.W. van der Voet, J.H. Even en E. van Vliet, Loonstra & Zondag.Arbeidsrechtelijke themata, Den Haag: Bju 2015, p. 347, wijzen er echter terecht op dat uitleg conform Haviltex ook bij een geheimhoudingsbeding tot de conclusie kan leiden dat het niet postcontractueel werkt.
Desondanks zijn er rechten en verplichtingen die hun gelding behouden ná het einde van de arbeidsovereenkomst. Aan de ene kant zijn dat verbintenissen die ik zou willen scharen onder de noemer restverbintenissen die enkel dienen om de contractuele fase van de arbeidsovereenkomst af te wikkelen. Ik doel daarmee op verbintenissen uit overeenkomst of de wet die ontstaan op een moment dat de arbeidsovereenkomst nog bestond, die op zichzelf niet beogen te blijven bestaan na het einde daarvan, en daarom na het einde dienen te worden afgewikkeld. Zo zal (behoudens finale kwijting) een ten onrechte niet ingehouden werknemersbijdrage voor een verzekering van de werkgever alsnog door de ex-werknemer moeten worden betaald, en kan een ex-werkgever nog steeds aansprakelijk worden gehouden voor een arbeidsongeval dat zich voordeed vóór het einde van de arbeidsovereenkomst. Ook een overeengekomen ontslagvergoeding of wettelijke transitievergoeding zal doorgaans na het einde van de arbeidsovereenkomst worden uitbetaald, maar dient ter afsluiting van de contractuele fase. Aan de andere kant zijn er postcontractuele verbintenissen. Daarmee doel ik enerzijds op rechten en verplichtingen die pas in werking treden op het moment dat de arbeidsovereenkomst eindigt en daarna voortduren (denk aan een concurrentiebeding), en anderzijds op rechten en verplichtingen die al zijn ontstaan tijdens de contractuele fase en die beogen door te lopen na het einde van de arbeidsovereenkomst (denk aan een geheimhoudingsbeding). Heerma van Voss schaarde zowel de hiervoor omschreven restverbintenissen als postcontractuele verbintenissen onder de postcontractuele fase; ik beperk mij in dit onderzoek tot de laatste.1
Hoe kunnen postcontractuele verbintenissen ontstaan of voortduren, gelet op het feit dat de arbeidsovereenkomst na beëindiging daarvan niet meer bestaat? De wet gaat uit van de vrijheid van partijen om die overeenkomsten te sluiten die zij wenselijk achten. De hoofdregel van het overeenkomstenrecht is daarom dat een overeenkomst die rechtsgevolgen heeft die partijen zijn overeengekomen (artikel 6:248 BW). Dat maakt de overeenkomst tot een vrijwel onbeperkte bron van verbintenissen.2 Welke rechtsgevolgen partijen precies beogen met een bepaalde verbintenis die voortvloeit uit een overeenkomst, is zoals bekend een kwestie van uitleg. Dat geldt ook voor verbintenissen waarvan partijen bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst beogen dat deze blijven bestaan na (en dus ondanks) het einde van de arbeidsovereenkomst: de postcontractuele verbintenis.
Hoe verbintenissen het einde van een overeenkomst kunnen overleven (doordat zij op dat moment in werking treden of voortduren), is met name voorwerp van gedachtenvorming geweest in het kader van artikel 6:271 BW, dat ziet op wederkerige overeenkomsten. De arbeidsovereenkomst behoort tot de wederkerige overeenkomsten omdat door en bij het tot stand komen van die overeenkomst onderling afhankelijke verplichtingen ontstaan van beide partijen tegenover elkaar.3Artikel 6:271 BW bepaalt dat een ontbinding van een wederkerige overeenkomst partijen bevrijdt van de ‘daardoor getroffen’ verbintenissen. Met ‘daardoor getroffen’ laat de wet ruimte bij ontbinding bepaalde verbintenissen buiten het bereik van die ontbinding te laten vallen. Dat bepaalde verbintenissen blijven bestaan, betekent overigens niet dat de ontbinding van de overeenkomst slechts gedeeltelijk plaatsvindt.4 De ontbinding zal in ieder geval de hoofdverbintenis treffen: de arbeid. Of een bepaalde verbintenis blijft bestaan na ontbinding is verder een kwestie van uitleg, zo vloeit voort uit de wetsgeschiedenis5 en is ook de heersende leer in de literatuur.6 Bakels stelt dat sommige bedingen zelfs ‘naar hun aard’ bestemd kunnen zijn om ontbinding te overleven, zoals een geheimhoudingsbeding. Ook de Toelichting Meijers stelt dat uit overeenkomst of de wet kan voortvloeien dat verplichtingen ondanks ontbinding blijven bestaan.7 In een veel aangehaald arrest, gewezen onder het oude BW, overweegt de Hoge Raad8 in dit verband ‘dat de ontbinding van een overeenkomst (…) geenszins uitsluit, dat zekere bepalingen van de overeenkomst (…) tussen pp. blijven gelden’. Omgekeerd geldt dat een verbintenis teniet kan gaan, terwijl de overeenkomst van kracht blijft. Daarnaast is ook geoordeeld dat verbintenissen de vernietiging van een overeenkomst kunnen overleven ex artikel 3:41 BW.9 Bijzondere aandacht verdient daarbij in het arbeidsrechtde finale kwijting die partijen vrijwel altijd aangaan wanneer zij middels een vaststellingsovereenkomst uit elkaar gaan, dikwijls gepaard gaande met een ‘entire agreement’-clausule. Het is een kwestie van uitleg van deze bedingen of zij bepaalde postcontractuele verbintenissen uit de arbeidsovereenkomst teniet doen gaan als zij niet expliciet worden herhaald in de vaststellingsovereenkomst. Doorgaans zal dat het geval zijn.10
Postcontractuele verbintenissen dienen te worden onderscheiden van overeenkomsten die doorlopen na het einde van de arbeidsovereenkomst. Dan gaat het dus om andere overeenkomsten dan de arbeidsovereenkomst, maar die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst. Sinds het ECN-arrest11 weten we dat wanneer de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt, de rechtsverhouding tussen partijen voor de arbeidsvoorwaarde pensioen ‘met gewijzigde hoedanigheid van partijen’ wordt voortgezet in de pensioenovereenkomst. Ook het hof Amsterdam stelde in het Delta Lloyd-arrest, een pensioengeschil dat later door de Hoge Raad werd afgedaan op artikel 81 Wet RO,principieel dat het uitgangspunt onjuist is dat ‘bij het einde van de arbeidsovereenkomst iedere contractuele relatie die de werknemer is aangegaan ten tijde en als gevolg van zijn dienstverband – in het bijzonder (…) een pensioenovereenkomst (…) tot een einde komt’.12 Het hof wijst met ‘contractuele relatie’ naar mijn mening op het bestaan na het einde van de arbeidsovereenkomst van zowel doorlopende overeenkomsten als doorlopende verbintenissen.
Op de voortgezette pensioenovereenkomst kom ik uitgebreider terug in hoofdstuk 4 en hoe deze zich verhoudt tot het begrip ‘rechtsverhouding’ in paragraaf 2.3. In deze paragraaf concentreer ik mij op het begrip ‘postcontractuele verbintenissen’. Deze verbintenissen zou ik in de geest van ECN willen duiden als verbintenissen die voortvloeien uit een beëindigde arbeidsovereenkomst, door middel waarvan partijen hun rechtsverhouding hebben voortgezet met een gewijzigde hoedanigheid van partijen. In de literatuur is over de kwalificatie van het begrip een drietal opvattingen te ontwaren, waarvan mijn opvatting aansluit bij de eerste. De eerste opvatting is dat de postcontractuele verbintenis een verbintenis is die pas in werking treedt (en in die zin: ontstaat) bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, aangegaan door werknemer en werkgever onder de opschortende voorwaarde van het einde van het dienstverband.13 Ook kan het gaan om een doorlopende verbintenis, die blijft bestaan ondanks het einde van de onderliggende overeenkomst. Het gaat hier dus om een contractuele regeling van de postcontractuele rechtsverhouding.14 In die zin is de term ‘post’contractueel dus enigszins misleidend. Een concurrentiebeding, evenals bijvoorbeeld een beding tot het inleveren van bedrijfseigendommen bij het einde van het dienstverband, blijft als contractuele regeling in stand bij ontbinding. Het gaat dus om overeengekomen ‘nawerking’ van een beding na het einde van de arbeidsovereenkomst, waarbij het aankomt op de bewoordingen – en dus uitleg – van de overeenkomst of, en zo ja, hoelang, deze van kracht blijft.15 Een postcontractuele verbintenis hoeft natuurlijk niet per se uit de overeenkomst voort te vloeien, maar kan ook uit de wet voortvloeien, waarbij dan voor die uit de wet ontstane verbintenis van belang is dat er een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.
Een tweede opvatting, verwoord door De Vries16, is dat postcontractuele bedingen ‘accidentele rechtsgevolgen’ zijn die ontbinding overleven. Daarmee doelde hij op rechtsgevolgen die er met behoud van de essentie van de overeenkomst waaruit zij voortvloeien, ook net zo goed niét hadden kunnen zijn. Het beding tot het inleveren van bedrijfseigendommen moest volgens hem in dat licht niet worden gezien als een ongedaanmakingsverbintenis ex artikel 6:271 BW (laatste volzin), maar – net als een concurrentiebeding – als een verbintenis die ontbinding van de overeenkomst overleeft.
De derde en laatste opvatting, in lijn met de opvatting van Bakels, is dat verbintenissen postcontractueel zijn niet doordat dat met zoveel woorden is bedongen, maar omdat dit voortvloeit uit de aard van de betreffende verbintenis.17 Die opvatting kan ik volgen, maar uiteindelijk blijft de vraag of postcontractuele werking uit de aard van de verbintenis voortvloeit een kwestie van uitleg.