Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/1.1.1
1.1.1 Inconsistenties en cirkelverwijzingen
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715389:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Waar poging tot uitlokking (artikel 46a Sr) bijvoorbeeld een algemeen leerstuk is, zijn de strafbaarheid van poging en voorbereiding van medeplichtigheid in zelfstandige delicten ondergebracht (artikel 133 en 134 Sr). Zie ook: Keulen 2014, p. 215.
HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1736, r.o. 3.3 t/m 3.5; Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 3, p. 10; Kamerstukken II 2008/09, 31386, nr. 12, p. 4.
Kamerstukken II 2017/18, 34746, nr. 6, p. 6. De minister doet deze mogelijkheid als hoogst theoretisch af, maar sluit deze ook niet uit, omdat hij in ieder geval de financiering van training voor terrorisme wel strafbaar wil stellen (Kamerstukken II 2016/17, 34746, nr. 3, p. 4. Zie ook: Kamerstukken II 2016/17, 34746, nr. 4, p. 14-16; Kamerstukken II 2017/18, 34746, nr. 6, p. 6).
Kamerstukken II 2016/17, 34746, nr. 4, p. 14-15.
Mols 2016, p. 11.
Keulen 2014, p. 215; Smith 2011, p. 832-833. Terecht suggereert Keulen dat de algemene voorfaseleerstukken wellicht voor zover dat überhaupt nodig is zodanig kunnen worden herformuleerd dat er geen noodzaak meer is aan de wildgroei aan zelfstandige strafbaarstellingen (Keulen 2014, p. 215).
Pelser 2021, par. 1; Mols 2016, p. 9; Keulen 2014, p. 215. Zie bijvoorbeeld: HR 5 december 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8824. Terugtred is ook niet mogelijk bij samenspanning, zo stelt de rechter (HR 15 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC3995, NJ 1978/6) en bevestigt ook de wetgever (Kamerstukken II 2003/04, 28463, nr. 10, p. 24).
Kwakman 2013, p. 66-70.
Kamerstukken II 2012/13, 33478, nr. 4, p. 3. Zo staat op het belemmeren van een geautomatiseerd werk ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf een maximale gevangenisstraf van twee jaar en acht maanden (artikel 138b lid 4 Sr), terwijl op de financiering van datzelfde feit acht jaar staat (artikel 421 lid 1 sub a jo. 83b Sr).
De steeds verder oprukkende strafbaarheid in de voorfase veroorzaakt de nodige inconsistenties. Zo is het wetssystematisch vreemd dat strafbaarheid in de voorfase soms als algemeen leerstuk en soms als zelfstandig strafbaar feit is geregeld.1 Dat heeft bovendien als merkwaardig bijkomend gevolg dat de algemene voorfaseleerstukken, zoals poging en voorbereiding, ook van toepassing kunnen zijn op zelfstandig strafbaar gestelde voorfasedelicten. Delicten zoals training voor terrorisme (artikel 134a Sr) en financiering van terrorisme (artikel 421 Sr), die zich al in de voorfase van een toekomstig voltooid misdrijf bevinden, kunnen bijvoorbeeld wetstechnisch gezien ook worden gepoogd en voorbereid. Daarnaast heeft de Hoge Raad nog niet zo lang geleden bevestigd dat ook poging tot grooming (artikel 248e Sr) strafbaar is.2
Soms is deze cumulatie van voorfasehandelingen zelfs binnen een strafbepaling aanwezig. Artikel 134a Sr stelt bijvoorbeeld zowel het verschaffen als het trachten te verschaffen van inlichtingen strafbaar. Bovendien ziet het artikel niet alleen op training voor voltooide terroristische gedragingen, maar ook op training voor voorbereiding van terrorisme. Per saldo betekent dit dat ook de voorbereiding van het trachten te verschaffen van inlichtingen tot het plegen van een misdrijf ter voorbereiding van een terroristisch misdrijf strafbaar is. Bovendien is, als gevolg van een wetswijziging in 2018, de definitie van ‘misdrijven ter voorbereiding van terrorisme’ (artikel 83b Sr) uitgebreid en omvat deze nu ook de delicten ‘training voor terrorisme’ en ‘financiering van terrorisme’. Daardoor is een cirkelverwijzing ontstaan, zodat ook het financieren van financiering van terrorisme en trainen voor training voor terrorisme strafbaar zijn. Ook de financiering van training en training tot financiering zijn strafbaar, zodat een eindeloze aaneenschakeling van voorfasedelicten mogelijk wordt.3 De Raad van State spreekt terecht van een kluwen aan strafbare feiten in de heel vroege voorfase.4 Dit soort aaneenrijgingen ondermijnen het algemene uitgangspunt dat poging tot poging en poging tot voorbereiding niet strafbaar zijn en dijen de reikwijdte van het strafrecht in de voorfase exponentieel uit.5
Naast de problematiek van aaneenrijging van voorfasedelicten, valt ook het nodige aan te merken op zelfstandig strafbaar gestelde voorfasedelicten als zodanig. Vele daarvan – zoals voorbereiding van drugshandel (artikel 10a van de Opiumwet), training voor terrorisme (artikel 134a Sr) en financiering van terrorisme (artikel 421 Sr) – overlappen bijvoorbeeld inhoudelijk zoveel met het algemene voorbereidingsleerstuk dat de vraag rijst of ze wel bestaansrecht hebben.6 De keuze voor een zelfstandige strafbaarstelling heeft daarnaast als niet altijd evident beoogd neveneffect dat vrijwillige terugtred (artikel 46b Sr) bij veel voorfasedelicten niet mogelijk is. Dat komt doordat het algemene terugtredleerstuk alleen van toepassing is op de algemene leerstukken van poging, voorbereiding en poging tot uitlokking (artikel 46a Sr) en niet op zelfstandig strafbaar gestelde voorfasehandelingen.7 Ook bestaan de nodige inconsistenties als het gaat om de strafmaxima.8 Merkwaardig genoeg kan de financiering van terrorisme (artikel 421 Sr) soms bijvoorbeeld zelfs zwaarder worden bestraft dan het uiteindelijke terroristische misdrijf zelf.9