Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/7.2.2
7.2.2 Buitenlandse belastingplichtigen
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS401425:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3 Wet Vpb 1969.
Het verschil tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen is primair afhankelijk van de vestigingsplaats van het potentieel belastingplichtige lichaam.
Voor buitenlandse belastingplichtige is het heffmgsobject beperkt tot het inkomen uit Nederlandse bron.
Stevens, A.J.A. (2008b), 'Enige intemationaalrechtelijke, fiscale aspecten van het Wetsvoorstel titel 7.13 BW', TFO 2008/95, blz. 21-26.
Hof Amsterdam 4 januari 1995, nr. 93/1467, Infobulletin 1995/315 (Franse SNC) en HR 2 juni 2006, nr. 40919, BNB 2006/288 (US LLC).
Besluit van 11 december 2009, nr. CPP2009/519M.
Deze vraag van classificatie is ook aan de orde bij een buitenlands samenwerkingsverband met vestigingsplaats in Nederland, echter dan speelt de vraag naar de binnenlandse belastingplicht. Zie: A.C.G.A.C. de Graaf, P. Kavelaars en A.J.A. Stevens (2008), 'Internationaal Belastingrecht', Deventer: Kluwer, blz. 144.
Graaf, A.C.G.A.C. de, P. Kavelaars en A.J.A. Stevens (2008), supra noot 28, blz. 144.
Andere vennootschapsbelastingplichtige zijn de in artikel 3 Wet Vpb 19691 genoemde vennootschappen die naar buitenlands recht zijn opgericht en hun vestigingsplaats hebben buiten Nederland,2 maar die wel Nederlands inkomen genieten.3 Het lijkt dat de wetgever bij de invoering van artikel 3 Wet Vpb 1969 heeft beoogd om voor de buitenlandse belastingplicht dezelfde tweedeling in de onderdelen a en b neer te leggen als geldt voor de binnenlandse belastingplicht, namelijk tussen rechtspersonen enerzijds en niet-rechtspersonen met vrij overdraagbare participaties anderzijds.4 Dit zou betekenen dat naar buitenlands recht opgerichte personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid of zonder rechtspersoonlijkheid, maar met vrij overdraagbare participaties, vennootschapsbelastingplichtig zouden zijn. Dit is echter door de jurisprudentie5 en een besluit van de staatssecretaris van Financiën6 genuanceerd. De daarin opgenomen classificatiemethode dient ertoe te bepalen hoe de buitenlandse vennootschappen zou kunnen worden geclassificeerd: fiscaal transparant of als zelfstandig belastingplichtig lichaam.7 Uit de jurisprudentie kan worden afgeleid dat de classificatie in grofweg twee stappen wordt uitgevoerd.8 De eerste stap is de vaststelling van de relevante juridische kenmerken van het buitenlandse samenwerkingsverband aan de hand van het buitenlandse civiele recht. Vervolgens wordt op basis van de gevonden juridische kenmerken een vergelijkbaar Nederlands samenwerkingsverband gezocht. De classificatie van dit overeenkomende Nederlandse verband zal dan vervolgens ook de classificatie van het buitenlandse verband worden. Classificatieproblemen ontstaan indien er geen Nederlandse equivalent is. In dat geval kan de classificatie aan de hand van de criteria van het besluit van de staatssecretaris van Financiën worden vastgesteld (deze criteria worden besproken in paragraaf 7.7). Codificatie van de methode heeft echter nog niet plaatsgevonden en de rechter is er niet aan gebonden. De methode kan evenwel inzicht geven in de tweedeling van vennootschappen die vennootschapsbelastingplichtig zijn en vennootschappen waarvan de winst direct wordt toegerekend aan de participanten, en daarnaast in hoe, tegen de achtergrond daarvan, de OVBA kan worden geclassificeerd.