Einde inhoudsopgave
Arbeidsrecht en insolventie (MSR nr. 75) 2019/8.3.7
8.3.7 Tussenstap: geheimhouding OR
Mr. J. van der Pijl, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
Mr. J. van der Pijl
- JCDI
JCDI:ADS303582:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Arbeidsrecht / Europees arbeidsrecht
Insolventierecht / Faillissement
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Zie met name de conclusies op p. 97.
In 2006 schorste de Kantonrechter te Amersfoort een OR-lid, overigens op verzoek van de OR zelf, wegens het herhaaldelijk schenden van zijn geheimhoudingsplicht (Rb. Utrecht, ECLI:NL:2006:AY8427, JAR 2006/212).
Zie zijdelings over de verhouding tussen de geheimhoudingsplicht van OR-leden en hun ontslag: HR 20 april 1990, NJ 1990, 702, m.nt. Stein (laatstgenoemde schrijft in zijn annotatie o.a.: '(...) een schending van de geheimhoudingsplicht door de werknemer (kan) aanleiding geven tot ontbinding of ontslag op staande voet, zonder dat een beroep op de vrijheid van meningsuiting daaraan in de weg staat').
Rapport Verburg en Veder e.a, Rapport aan WODC 2016, p. 97.
Niet in de DA-zaak aan de orde was een ander bezwaar dat veelal wordt geopperd tegen het doorlopen van een adviestraject bij de OR tijdens insolventie: dat van het gevaar van schending van de geheimhoudingsverplichting. Uit het aangehaalde empirische onderzoek van de Radboud Universiteit is gebleken dat veel curatoren het als een probleem ervaren dat zij er niet zeker van kunnen zijn dat OR en – in sterkere mate – werknemersorganisaties de vertrouwelijke informatie die zij ontvangen ook werkelijk geheim houden.1 Naar mijn mening mogen deze bezwaren niet met zich brengen dat geen advies hoeft te worden gevraagd. Er bestaan voldoende wettelijke waarborgen. Allereerst biedt artikel 20 WOR de mogelijkheid geheimhouding op te leggen; in de praktijk wordt hiervan veelvuldig gebruik gemaakt en de indruk bestaat dat dit werkt: rechtspraak van de Ondernemingskamer over schending van artikel 20 WOR door OR-leden is er niet of nauwelijks. Ook biedt de WOR zelf in artikel 13 een sanctie, doordat een OR-lid kan worden uitgesloten als hij de werkzaamheden of het overleg van de OR ernstig belemmert, waaronder het schenden van opgelegde geheimhouding wordt begrepen.2 Bovendien is opzettelijke schending van deze geheimhoudingverplichting strafbaar gesteld in de artikelen 272 en 273 Sr. Ten slotte kan schending een reden voor ontslag op staande voet opleveren, aldus artikel 7:678 lid 2, aanhef en sub i. BW, dat het bekendmaken van bijzonderheden aangaande het bedrijf die een werknemer geheim had behoren te houden als potentieel dringende reden aanmerkt.3
Los van deze sancties die een OR-lid moet bewegen tot nakoming van zijn geheimhoudingsverplichting, is er ook een andere, meer principiële redenering denkbaar bij wijze van pleidooi voor de stelling dat ook in precaire en gevoelige situaties de OR volledig moet worden geïnformeerd en waar nodig geraadpleegd. De OR moet – en dat is onlosmakelijk aan zijn taak verbonden – voortdurend over belangrijke, de onderneming aangaande kwesties adviseren. Ook buiten faillissement kan dat om buitengewone, publiciteitsgevoelige zaken gaan, zoals overnames of een beursgang. In al die gevallen zijn er personen binnen de onderneming (en adviseurs daarbuiten) die onvermijdelijkerwijze geïnformeerd worden. Ook in faillissement zijn er tal van personen, bijvoorbeeld in dienst van de curator of werkzaam bij de rechtbank, die in vertrouwen moeten worden genomen. Niet valt in te zien waarom de OR van deze groep zou moeten worden uitgesloten. Voor werknemersvertegenwoordigers ligt dat ingewikkelder. De meeste van de hiergenoemde sancties respectievelijk drukmiddelen gelden niet, nu er geen arbeidsverhouding bestaat en in de praktijk blijkt dat werknemersorganisaties lang niet altijd bereid zijn zich tot vergaande geheimhoudingsverklaring (inclusief boetebedingen) te verbinden.4