Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.3
4.3 Rechtspraak van de Hoge Raad
1
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714018:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ik heb geen gestructureerde analyse van de lagere rechtspraak uitgevoerd. Voor de redenen hiervoor en de valkuilen hiervan verwijs ik naar par. 1.3.4. De genoemde arresten van de Hoge Raad heb ik gevonden door in de database van De Rechtspraak te zoeken op de volgende criteria: “Babbel” (gefilterd op: ‘civiel recht’, ‘Hoge Raad’ en ‘uitspraak’)(1 hit); “NJ 1980/34” (gefilterd op: ‘civiel recht’, ‘Hoge Raad’ en ‘uitspraak’)(5 hits); “ECLI:NL:HR:1979:AH8595” –“NJ 1980/34” (gefilterd op: ‘civiel recht’, ‘Hoge Raad’ en ‘uitspraak’)(0 hits). De overige uitspraken heb ik gevonden in de literatuur over het Babbel-criterium en over het daderschap van de rechtspersoon.
Uitzonderingen zijn bijvoorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 4 juni 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:3989; Hof ‘s-Hertogenbosch 25 maart 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:851; Hof ’s-Hertogenbosch 19 augustus 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2834; Hof Amsterdam 23 december 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:5791; Hof Den Haag 22 december 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:3814; Hof Arnhem-Leeuwarden 27 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:2023.
Vgl. Rense, DD 2005, p. 274. Zij constateert dat de strafkamer van de Hoge Raad in het midden laat of bij het vaststellen van het strafrechtelijk daderschapsbegrip het handelen van het individu en de mens tot uitgangspunt moet worden genomen. De Hoge Raad heeft het weliswaar over het ‘toerekenen van (verboden) gedragingen aan de rechtspersoon’, maar laat ook ruimte voor een daderschapscriterium dat op de aard van de rechtspersonen is toegespitst.
HR 11 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6018, NJ 2007/231, m.nt. J.B.M. Vranken (Ontvanger/Voorsluijs), r.o. 3.6. Zie hierover: De Valk 2009, p. 536.
HR 2 februari 1990, NJ 1990/384 (Garage Cordia/Aruba).
HR 4 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0352, NJ 1992/410, m.nt. M.M. Mendel (Anthony Veder). Overigens ging het niet alleen om de vraag of de gedragingen van de kapitein en de boordwerktuigkundige konden worden toegerekend, maar (ook) om de vraag of de opzet en bewuste roekeloosheid van deze functionarissen kon worden toegerekend. Ik laat de toerekening van opzet en bewuste roekeloosheid hier verder buiten beschouwing.
HR 25 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2936, NJ 2000/33, m.nt. P.A. Stein (Opsluiting in vriescel).
HR 27 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2162, NJ 2014/201, m.nt. C.E. du Perron (World Online), r.o. 4.26.3. Zie ook r.o. 2.13.6 van de uitspraak van het Hof.
HR 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5420, NJ 2010/371, AA20100878 m.nt. S.E. Bartels & C. Spierings (Provincie Gelderland/Vitesse c.s.).
HR 23 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX5881, NJ 2013/302, m.nt. p. van Schilfgaarde (Spaanse villa), r.o. 3.4.2.
De Hoge Raad heeft zich sinds het Babbel-arrest niet vaak uitgelaten over het daderschap van de rechtspersoon. Dit is niet verwonderlijk, gelet op het feit dat het daderschap ook in de lagere rechtspraak weinig expliciet wordt getoetst.2 Partijen en rechters besteden doorgaans geen aandacht aan het daderschap van de rechtspersoon, maar lijken er (impliciet) vanuit te gaan dat de rechtspersoon dader is.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat het daderschap in ieder geval op indirecte wijze kan worden vastgesteld.3 Zoals de Hoge Raad eerder heeft overwogen: “Een juridische constructie als de rechtspersoon [kan] slechts door natuurlijke personen aan het maatschappelijk verkeer […] deelnemen.”4 In veel uitspraken gaat het immers om de vraag of een handeling van een fysiek verrichter in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als handeling van de rechtspersoon. In het arrest Garage Cordia stond de vraag centraal of de onjuiste mededelingen van douaneambtenaren aan Garage Cordia over de restitutie van invoerrechten toegerekend konden worden aan Aruba.5 In Anthony Veder moest de Hoge Raad de vraag beantwoorden of de gedragingen – het niet (doen) naleven van de algemene veiligheidsprincipes op gastankers – van de kapitein en de boordwerktuigkundige van een schip waar een ontploffing had plaatsgevonden, konden worden toegerekend aan de rederij, Anthony Veder.6 In het arrest Opsluiting in vriescel ging het om de vraag of de misdraging van een directeur – het onder bedreiging en met geweld opsluiten van de directeur van de wederpartij in een vriescel – kon worden toegerekend aan de rechtspersoon.7 In VEB/World Online moest het Hof zich buigen over de vraag of de uitlatingen van (en het achterhouden van informatie door) ‘de zegsvrouw en het boegbeeld’ van World Online aan World Online konden worden toegerekend. In cassatie stond de toerekeningsvraag niet meer ter discussie.8 In Gelderland/Vitesse ging het om de toerekening van uitlatingen van gedeputeerden aan de Provincie Gelderland.9 In het arrest Spaanse villa stond de toerekeningsvraag niet centraal, maar de Hoge Raad overwoog wel dat de gedraging van de betrokkene (tevens bestuurder) in het maatschappelijk verkeer als gedraging van de vennootschap kan worden aangemerkt.10
Hoewel in bovengenoemde uitspraken sprake is van een trapsgewijze toerekening, kan bij nadere bestudering niet in algemene zin geconcludeerd worden dat de Hoge Raad indirect daderschap voorstaat. Het feit dat de Hoge Raad zich in deze uitspraken buigt over de vraag of de gedraging van een functionaris kan worden aangemerkt als een gedraging van de rechtspersoon zelf, kan ten eerste worden verklaard door het feit dat in deze zaken een individuele gedraging was aan te wijzen. Ten tweede hebben partijen dit aanwijsbare handelen als grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon aangevoerd in cassatie. Met andere woorden, het partijdebat stond niet in de sleutel van arbeidsdeling of structurele fouten. De Hoge Raad heeft zich dus ook niet hoeven buigen over de vraag of het daderschap tevens op directe wijze kan worden vastgesteld.