Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/3.5.1
3.5.1 De begrippen ‘groep’ en ‘dochter’ in Boek 2 BW
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS483771:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1968-1969, 9595, nr. 6, p. 7 en 8.
Opvallend is hoe de minister het verschil tussen de regeling voor meerderheidsdeelnemingen in art. 13 van het wetsontwerp en die voor de ‘gewone’ deelneming in art. 12 van het wetsontwerp, waarvan sprake was indien tenminste 25% van het geplaatste kapitaal wordt gehouden, rechtvaardigt. Hij doet dat met de stelling dat het bestuur van de moedermaatschappij verantwoordelijk is voor ‘het beheer’ van de onderneming waarin zij een meerderheidsdeelneming heeft, als betreft het een afdeling van het eigen bedrijf (Kamerstukken II 1968-1969, 9595, 9596, nr. 6, p. 7). De minister lijkt op twee gedachten te hinken. Enerzijds rechtvaardigt hij de in art. 13 vastgelegde uitgebreide inlichtingenplicht met betrekking tot meerderheidsdeelnemingen met iets dat aan zeggenschap doet denken, nl. het vallen‘onder het beheer van’. Anderzijds legt hij die plicht op ongeacht het antwoord op de vraag of de meerderheidsdeelneming ook daadwerkelijk bepalende zeggenschap geeft.
Kamerstukken II1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 13 en 15.
Wet van 7 december 1983, Stb. 1983, 663.
Richtlijn 78/660/EEG van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, PbEG 1978 L. 222.
Richtlijn 83/349/EEG van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening, PbEG 1983, L 139/1. Dat de regering de ontwikkelingen met betrekking tot de Zevende Richtlijn wilde afwachten valt te begrijpen. Van deze Richtlijn, die betrekking had op samenvoeging van financiële gegevens van twee of meer met elkaar verbonden rechtspersonen, zouden ook definities van diverse verbonden rechtspersonen deel gaan uitmaken
Kamerstukken II 1979-1980 16 326, nr. 3, p. 10 en p. 42.
In dat licht is het overigens merkwaardig dat de gegevens van een dochtermaatschappij hoe dan ook en onder alle omstandigheden, dus ook als de moeder daarin geen bepalende zeggenschap heeft, geconsolideerd moeten worden in een jaarrekening die wordt aangeduid als groepsjaarrekening.
Wet van 10 november 1988, Stb. 1988, 517.
De definitie van een dochtermaatschappij werd overgeheveld naar de algemene bepalingen (art. 2:24a BW). De belangrijkste wijziging betrof de uitbreiding van het begrip dochtermaatschappij tot een rechtspersoon waarvan de aandeelhouder of een of meer van zijn dochtermaatschappijen lid of aandeelhouder zijn en, al dan niet krachtens overeenkomst met andere stemgerechtigden, alleen of samen meer dan de helft van de bestuurders of van de commissarissen kunnen benoemen of ontslaan.
Uit de woorden ‘dochtermaatschappijen waarmee hij in een groep verbonden is’ in art. 2:406 lid 1 BW spreekt dat de regeling met betrekking tot de consolidatie in die zin verscherpt is dat uitsluitend dochters die tevens groepsmaatschappij zijn geconsolideerd hoeven te worden. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1986-1987, 19 813, nr. 3, p. 13) onderbouwt de minister het stellen van deze dubbele eis met een beroep op de Richtlijn, die geen consolidatie beoogt van dochtermaatschappijen die los staan van het geheel. Dit laatste volgt uit art. 26 lid 1 van de Richtlijn, dat bepaalt dat in de geconsolideerde jaarrekening het vermogen, de financiële positie en de resultaten van de geconsolideerde ondernemingen worden opgenomen alsof deze één onderneming vormen. Het verschil in benadering van concern/groep tussen het jaarrekeningenrecht en het concernrecht is hiermee komen te vervallen. Deze op zich heldere lijn heeft de wetgever in 2005 echter weer ten dele verlaten door in art. 2:406 lid 1 BW voor de moedermaatschappij en in lid 2 voor de tussenhoudstermaatschappij de verplichting op te nemen ook ‘andere rechtspersonen waarop hij een overheersende zeggenschap kan uitoefenen’ in de geconsolideerde jaarrekening op te nemen. Deze aanvulling is vermoedelijk ingegeven door de wens zogenaamde ‘special purpose vehicles’ (rechtspersonen die buiten de groep staan, maar uitsluitend aan de groep dienstbaar zijn) buiten de consolidatie blijven, en daarmee aan het zich van buitenstaanders onttrokken worden.
Slechts uit de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II 1987-1988, 19 813, nr. 5, p. 4) blijkt dat centrale leiding wezenlijk blijft om te kunnen spreken van groepsverband.
Deze luidt: ‘naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar verbonden zijn, en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald’
Zie o.a. Asser/Maeijer/Van Solige & Nieuwe Weme 2009, nr. 816; Asser/Maeijer 2-III, nr. 423 e.v.; en Bartman/Dorresteijn 2009, p. 31. Beckman (1987, p. 238) is van mening dat economische eenheid niets zegt, niet nodig is en overbodig is, en dat beter volstaan had kunnen worden met‘centrale leiding’.
Zie ook de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel bijzonder bepalingen voor de geconsolideerde jaarrekening (Kamerstukken II 1986-1987, 19 813, nr. 3, p. 10).
Bartman/Dorresteijn 2009, p. 30.
Asser/Maeijer/Van Solige & Nieuwe Weme 2009, p. 1039.
Van Achterberg 1989, p. 60-61; Raaijmakers 1990, p. 4/5; Asser/Maeijer 2-III, nr. 608; Sanders/Westbroek/Buijn/Storm 2005, p. 22; Bartman/Dorresteijn 2009, p. 29-30; en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, p. 1039.
Met deze daadwerkelijke uitoefening, in dit actief handelen, is overigens meteen een belangrijk verschil gelegen tussen de groepsmaatschappij als bedoeld in art. 2:24b BW en de dochtermaatschappij als bedoeld in art. 2:24a BW. Voor het zijn van dochtermaatschappij volstaat ‘power to control’, in de vorm van de mogelijkheid direct of indirect, eventueel krachtens overeenkomst, de meerderheid van de stemrechten in de ava uit te oefenen dan wel de meerderheid van de bestuurders of van de commissarissen te benoemen en/of te ontslaan.
Zie ook Bartman/Dorrestijn 2009, p. 52. Verwarrend, tegenstrijdig zelfs, is dat de betreffende schrijvers enerzijds op pagina 52 ‘power to control’ (en terecht overigens) relateren aan het enkele bezit van zeggenschapsrechten, anderzijds de voor het zijn van groep vereiste gemeenschappelijke leiding, de ‘effective control’, op pagina 30 relateren aan de organisatorische verbondenheid op grond van aandelenbezit, aan diezelfde zeggenschapsrechten derhalve.
Begin jaren zeventig is het jaarrekeningenrecht, dat tot dan toe uiterst summier en onvolledig was, ingrijpend vernieuwd en uitgebreid. Art. 13 lid 1 eerste volzin van het ontwerp van de Wet op de jaarrekening van ondernemingen, 1 de voorganger van het huidige art. 2:406 BW, verplichtte ondernemingen gegevens te verstrekken omtrent deelnemingen waarin zij rechtstreeks of middellijk voor meer dan de helft van het kapitaal deelnamen. Uit de Memorie van Toelichting, 2 maar vooral uit de Memorie van Antwoord, 3 komt naar voren dat in het jaarrekeningenrecht vanuit financieel-economisch perspectief (vermogen en resultaat) en niet vanuit een juridisch perspectief (zeggenschap) naar (meerderheids)deelnemingen gekeken werd. Voor de vraag of sprake was van een deelneming in de zin van art. 13 volstond een meerderheidsbelang, ongeacht de vraag of de meerderheidsaandeelhouder daarmee een bepalende zeggenschap had. 4 Vond de wetgever zeggenschap niet bepalend voor de vraag of een deelneming voor het jaarrekeningenrecht tot een concern behoorde, voor het vennootschapsrecht dacht diezelfde wetgever daar anders over. Zo wordt het concern in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling getypeerd als ‘een groep van naar de rechtsvorm zelfstandige ondernemingen die door kapitaaldeelneming of anderszins met elkaar verbonden zijn, en waarvan het centrale beleid in de top wordt bepaald.’. 5 In deze laatste woorden komt tot uiting dat zeggenschap niet alleen in theorie moet bestaan, maar in de praktijk ook daadwerkelijk uitgeoefend moet worden om van een concern te kunnen spreken.
In 1983 6 zijn als onderdeel van de aanpassing van het jaarrekeningenrecht aan de Vierde Richtlijn 7 omschrijvingen van een dochtermaatschappij en van een groepsmaatschappij in de wet opgenomen. Dochtermaatschappij is een rechtspersoon waaraan rechtstreeks of middellijk, en voor eigen rekening, meer dan de helft van het kapitaal werd verschaft (art. 2:76/187 lid 3 BW), groepsmaatschappij een rechtspersoon of vennootschap waarmee de naamloze resp. de besloten vennootschap in een groep verbonden was (art. 2:76/187 lid 2 BW). In afwachting van ontwikkelingen met betrekking tot de Zevende Richtlijn 8 vond de regering het nog niet nodig een omschrijving van het begrip groep in de wet op te nemen. 9 Volstaan werd met de opmerking in de Memorie van Toelichting dat men van een groep kan spreken ‘\indien een aantal ondernemingen als een economische eenheid onder een gemeenschappelijke leiding optreedt.’. 10 Wezenlijk onderdeel van het groepsbegrip, thans niet alleen meer voor het concernrecht maar ook voor het jaarrekeningenrecht, is centrale leiding, dat wil zeggen daadwerkelijke uitoefening van zeggenschap. 11 De aanpassing aan de Zevende EEG-richtlijn vond plaats in 1988. 12 Art. 1 lid 1 van de Richtlijn verplichtte de lidstaten in hun nationale wetgeving op te nemen dat consolidatie plaats moest vinden in de in dat lid omschreven gevallen. Meest in het oog springende voorbeelden waren de situatie waarin de ene onderneming (aangeduid als moederonderneming) de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders in een andere onderneming (aangeduid als dochteronderneming) bezit, en die waarin zij de bevoegdheid heeft de meerderheid van de bestuurders en/of commissarissen te benoemen of te ontslaan. De Nederlandse wetgever heeft de in art. 1 van de Richtlijn omschreven gevallen niet één-op-één in de wet opgenomen, maar heeft ervoor gekozen een rechtspersoon aan het hoofd van een groep te verplichten in de toelichting van zijn jaarrekening een geconsolideerde jaarrekening op te nemen van de eigen financiële gegevens met die van zijn dochtermaatschappijen 13 waarmee hij in een groep is verbonden (art. 2:406 lid 1 BW). 14 De wetgever ontkwam er nu niet aan een definitie van de groep in de wet op te nemen. Een groep werd gedefinieerd als een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch verbonden zijn (art. 2:24b BW). Opvallend is dat gemeenschappelijke leiding en centraal beleid, eerder nog zo kenmerkend voor een groep, geen deel uitmaken van de definitie. 15 Indien men de omschrijving van een groep in de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel tot invoering van de structuurregeling 16 vergelijkt met die welke uiteindelijk in artikel 2:24b BW is opgenomen, valt een verschuiving waar te nemen van een tot op zekere hoogte juridisch naar een veeleer economisch getint groepsbegrip: verbondenheid door kapitaaldeelneming of anderszins en centraal beleid in de top worden economische eenheid ten gevolge van organisatorische verbondenheid. Uit oogpunt van concernrecht zou men misschien kunnen spreken van een gemiste kans, verklaarbaar is die wel. De omschrijving uit 1970 is gegeven in het kader van de invoering van de structuurregeling, en dat is hoofdzakelijk een juridische aangelegenheid. Art. 2:24b BW daarentegen is in 1988 in de wet opgenomen in het kader van wat mede een economische aangelegenheid is, nl. consolidatie van jaarrekeningen.17
Van de elementen economische eenheid en organisatorische verbondenheid is de eenheid het meest onderscheidende. Indien bijvoorbeeld een beleggingsmaatschappij uit hoofde van aandeelhouderschap de meerderheid van de stemrechten in een deelneming kan uitoefenen, dan is die deelneming weliswaar als dochtermaatschappij organisatorisch verbonden (art. 2:24a BW), dit maakt haar nog niet tevens tot een groepsmaatschappij. 18De economische eenheid tussen de beide ondernemingen ontbreekt immers. Bartman/Dorresteijn, 19en in navolging daarvan Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme, 20noemen de franchiseorganisatie als voorbeeld van een organisatorisch verband dat nog geen economische eenheid is; wat ontbreekt is namelijk dat de franchisegever deelt in de resultaten van de franchisenemer. Volgens diverse schrijvers 21is centrale leiding, naast economische eenheid en georganiseerd verband, een aparte, derde vereiste om te kunnen spreken van een groep. Ik zie dat anders. Een georganiseerde verbondenheid veronderstelt op zijn minst de mogelijkheid een vorm van centrale leiding uit te oefenen (‘power to control’), economische eenheid veronderstelt daadwerkelijke uitoefening van bevoegdheden 22(‘effective control’). 23Economische eenheid in een georganiseerd verband is niet of nauwelijks voorstelbaar zonder centrale leiding. Het element centrale leiding moet dan ook verdisconteerd zijn in de beide andere elementen, en hoeft derhalve niet als aparte vereiste te worden gesteld aan het zijn van een groep.